Bestemmingsplan Binnengasthuisterrein e.o.

Aan: Afdeling Bestuursrechtspraak van de
Raad van State
Postbus 20019
2500 EA s-Gravenhage

Uw nummer: 200206477/1/R1
Onderwerp: Bestemmingsplan Binnengasthuisterrein e.o., Amsterdam
Betreft: Zienswijze van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad t.a.v. het deskundigenverslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, d.d. 20 augustus 2003

Hoogedelgestreng College,

Bij deze willen wij graag gebruik maken van de mogelijkheid onze zienswijze naar voren te brengen ten aanzien het deskundigenverslag. De opdracht aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak was het beschrijven van de ruimtelijke gevolgen van het plan voor het beschermd stadsgezicht. Het deskundigenverslag stelt dat het toestaan van nieuwbouw ter plaatse dus ten koste van rijksmonumenten niet betekent dat sprake is van een onvoldoende beschermend bestemmingsplan in de zin van de Monumentenwet 1988. Immers, een beschermd stadsgezicht betekent geen bevriezing van het gebied: hoogwaardige architectuur kan de ruimtelijke kwaliteit van het beschermd stadsgezicht verbeteren. Dat laatste onderschrijven wij. De koppeling die het deskundigenverslag echter legt met de mogelijkheid monumenten te slopen (artikel 37 van de Monumentenwet) is ons inziens een stap te ver.
Artikel 37 lid 2 stelt: In beschermde stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Artikel 11 lid 2 stelt: Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning: a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De geest van de wet is duidelijk: in een beschermd stadsgezicht is het niet de bedoeling dat gebouwen worden gesloopt, zeker als het om beschermde monumenten gaat. De gemeente Amsterdam hanteert een soort omkeringstruc: als gesteld wordt dat het slopen van een monument niet mogelijk is zonder sloopvergunning, is het slopen wel mogelijk door een sloopvergunning af te geven. De mogelijkheid beschermde monumenten af te voeren van het Monumentenregister mag ons inziens alleen gebruikt worden als sprake is van feitelijke verdwijning van monumentale waarden, door illegale sloop, instorting of een andere calamiteit, niet om beschermde monumenten te slopen, waarvan de monumentale waarden nog aanwezig zijn, met de uitdrukkelijke bedoeling om een bouwplan mogelijk te maken. Dat is ons inziens in strijd met de bedoeling van de wet. Immers, de wetgever heeft beoogd de monumenten te beschermen, zeker als deze een belangrijke rol spelen in de context van een beschermd stadsgezicht. De mogelijkheid met hoogwaardige architectuur de kwaliteit van het beschermd stadsgezicht te verbeteren, beoogt ons inziens het verbeteren van de stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit van het gebied waaraan de beschermde monumenten hun context ontlenen. Als nieuwbouw in de plaats komt van de beschermde monumenten zlf kan ons inziens geen sprake zijn van de bescherming die het Rijk met de aanwijzing van het gebied tot beschermd stadsgezicht had beoogd.
Dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) in het zogenaamde artikel 10-overleg heeft gesteld dat een goed bouwplan niet in strijd hoeft te zijn met de bedoelingen van het beschermd stadsgezicht, doet vrezen dat RDMZ haar werk niet goed doet. In een brief van de heer Asselbergs, directeur van RDMZ, gericht aan de VVAB en gedateerd 15 april 2003, wordt gesteld dat sloop van rijksmonumenten () geen doel (is), maar inruil van historische onderdelen voor hedendaagse toevoegingen () wel een gevolg (kan) zijn. Tegelijkertijd wordt gesteld dat het de rol van RDMZ is om de plaatsing van de panden op de monumentenlijst staande te houden. De tegenstrijdigheid van deze beweringen is zo evident dat wij, in het licht van deze feiten, weinig vertrouwen meer hebben in RDMZ. In plaats van overleg met de architecten van de Universiteit van Amsterdam had de Rijksdienst de erosie van monumentale waarden door achterstallig onderhoud (terecht genoemd in het deskundigenverslag) moeten voorkomen. Wij hebben diverse malen uitgesproken dat niet RDMZ, maar het Bureau van Monumenten & Archeologie Amsterdam (BMA) betrokken moet worden bij de verdere planvorming in het gebied. Het is tekenend en veelzeggend dat BMA door de gemeente Amsterdam zelf geheel buiten het planproces wordt gehouden en zelfs niet mee mag doen aan het Kwaliteitsteam en dat onze adviezen BMA bij het proces te betrekken, in de wind werden geslagen. Dat is zeer vreemd, omdat het het Amsterdamse monumentenbureau is geweest dat jarenlang heeft gewerkt aan het zogenaamde Monumenten Selectie Project (MSP), het project dat heeft geleid tot de plaatsing van het Binnengasthuisterrein op de rijksmonumentenlijst. Kortom, er wordt wel de indruk gewekt van grote zorgvuldigheid, maar na enig dieper graven blijkt het toch vooral om een zorgvuldig opgetrokken faade te gaan waarachter de sloop van monumentale waarden zonder hinder van wettelijke beperkingen kan worden voltrokken.

Vijf zichtassen naar de 'landmark'. Uit: "De meest gestelde vragen over de nieuwe UB op het Binnengasthuisterrein", uitgave van de Architekten Cie. R &D in opdracht van de gemeente Amsterdam en de Universiteit van Amsterdam, 25 oktober 2000.

Het deskundigenverslag stelt terecht dat in het bestemmingsplan diverse mogelijkheden zijn ingebouwd om een massaler gebouw te realiseren dan met de huidige bebouwing het geval is, met mogelijke ernstige schade aan het beschermd stadsgezicht: de grotere goot- en bouwhoogten, het grotere bouwoppervlak en bovenal het hoogteaccent van 40 meter. In de door het architectenteam gemaakte kleurenbrochure wordt zelfs het streven onthuld dit hoogteaccent te plaatsen op het kruispunt van de belangrijkste zichtlijnen (zie bijgaande tekening). Wie kan dan nog met droge ogen beweren dat geen sprake zal zijn van schade aan het beschermd stadsgezicht? Ons inziens had dit feit meer aandacht moeten krijgen in het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak dat immers de opdracht had gekregen de ruimtelijke gevolgen te onderzoeken.
Verder willen wij opmerken dat niet een Kwaliteitsteam maar het bestemmingsplan zelf moet garanderen dat de cultuurhistorische en monumentale waarden van het beschermd stadsgezicht behouden blijven. Dat is ons inziens geenszins het geval. Vertrouwen in de goede afloop van het planproces is, binnen deze te ruime kaders, een onvoldoende garantie om het stedenbouwkundige en ruimtelijke karakter van het besproken gebied te behouden. Het bouwproces is namelijk gericht op het realiseren van een groot bouwvolume in een kwetsbare en kleinschalige historische binnenstad en ernstige schade aan het beschermd stadsgezicht behoort daarbij tot de rele mogelijkheden. Dat daarvan sprake kan zijn, wordt door de Gemeenteraad zelf geconstateerd wanneer zij in de Raadsvoordracht stelt dat er een balans (wordt gezocht) tussen de vereiste dynamiek in de binnenstad en de wettelijk verplichting tot het opstellen van een beschermend bestemmingsplan (Vaststelling bestemmingsplan Binnengasthuisterrein e.o., Gemeenteblad afd.1, nr. 198, 14 februari 2002). Ons inziens was dat niet de bedoeling van de wetgever. De plaatselijke overheid mag niet shoppen tussen verschillende beleidsuitgangspunten die resp. wel en niet het beschermd stadsgezicht aantasten. De aanwijzing van het beschermd stadsgezicht beperkt de vrijheid voor het doen van een dergelijke afweging in belangrijke mate. Als de plaatselijke overheid dat niet had gewild, had zij niet moeten instemmen met de aanwijzing.

Momenteel is de plaatsing van deze binnenstad op de Werelderfgoedljst van de UNESCO in voorbereiding. Het is niet uitgesloten dat de UNESCO de gemeente Amsterdam op de vingers zal tikken wel de mond vol te hebben van bescherming, maar niet de daad bij het woord te willen voegen als het erop aan komt. Daardoor kan de plaatsing op de UNESCO-lijst zelf in gevaar komen en daarmee op termijn ook het beschermd stadsgezicht zelf, waarvan het Binnengasthuisterrein een onderdeel is.

Met de meeste hoogachting,

Namens de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad,

Walther Schoonenberg
voorzitter

Amsterdam, 26 september 2003

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.