Waterplan: de waterscheidingen worden eindelijk doorbroken

Schriftelijke inspraak

Aan: Projectgroep Waterplan
t.a.v. Karstens Riemens
Postbus 2758
1000 CT Amsterdam

Samenvatting en conclusie

Het Waterplan doorbreekt de impasse op het water met een gentegreerde visie op het water. De visie is goed, maar de concrete uitwerking is er vaak strijdig aan en de concrete maatregelen zijn miniem. Waar blijven bijvoorbeeld de voorstellen om woonboten op onaanvaardbare locaties te verplaatsen? Of concrete plannen voor het hergraven van verdwenen grachten in de binnenstad? Terwijl dergelijke maatregelen uitgesteld worden tot 2030, dreigt het Waterplan elders nu al door de realiteit te worden ingehaald. Zie bijvoorbeeld de kwestie van het uitgeven van waterpercelen in erfpacht dat ons inziens haaks staat op de visie van water als openbare ruimte. Het Waterplan moet daarom de status van een structuurplan krijgen. Tevens moet de Dienst Binnenwaterbeheer zich uitsluitend gaan bezighouden met beheer en handhaving, terwijl het beleid gemaakt moet worden door Ruimtelijke Ordening (centrale stad) en Openbare Ruimte (Binnenstad). Het laatste betekent ook dat de wethouder Openbare Ruimte Binnenstad de inrichting van het water als openbare ruimte erbij krijgt. De waterscheidingen moeten worden doorbroken.

Inleiding

Tot nu toe werd de problematiek op het water door de overheid uitsluitend nautisch bekeken. Een stedenbouwkundige visie ontbrak. Dit had te maken met het feit dat de Dienst Binnenwaterbeheer verantwoordelijk is voor het water, maar geen stedenbouwkundige expertise heeft, terwijl de gemeentelijke diensten die zich met de openbare ruimte bezighouden (zoals de Dienst Binnenstad) zich weer niet met het water bemoeien. Het beleid voor de openbare ruimte ('mooi, schoon en ruimtelijk') hield letterlijk halt bij de waterkanten.

De waterstad Amsterdam rondom de Montelbaanstoren vlak na de oorlog, vlak vr het proces van dichtslibben begon. De Prins Hendrikkade is nog niet verbreed. Amsterdam is een stad aan en in het water.

Het Waterplan moet de impasse doorbreken met een gentegreerde visie op het water als openbare ruimte (1). Het plan kan gezien worden als het resultaat van de vastgelopen discussie over de wildgroei op het water. Door een gentegreerde visie op het water als openbare ruimte te ontwikkelen, kan het water uit de invloedssfeer van de directe belangenbehartiging worden getrokken. Beleidsmakers beschikken dan over instrumenten om echte keuzes te maken. Het Waterplan gaat dus in de goede richting, maar verliest zichzelf soms toch weer in politieke plichtplegingen en blijft vooralsnog zeer beperkt in het doen van concrete voorstellen. Dat is vooral de schuld van de politiek. De gemeenteraad zal eerst een rouwproces in moeten dat de motie van "structurele groei" (2) van het aantal woonboten niet uitvoerbaar is en zelfs voor bepaalde delen van de stad de binnenstad omgedraaid moet worden: uitdunnen en verplaatsen van woonboten om meer lucht te geven voor andere functies en in het algemeen belang van het beschermd stadsgezicht. Daarvoor is het nodig alternatieve ligplaatslocaties te ontwikkelen en is de medewerking van de andere stadsdelen nodig. Om uit de impasse te komen is een goed overdachte visie op het water als openbare ruimte nodig. Het Waterplan doet een belangrijke aanzet daartoe en verdient dus waardering. Maar is het voldoende?

Daar het Waterplan zeer omvattend is, wordt ervoor gekozen het Waterplan op het mijns inziens belangrijkste onderwerp te analyseren: de wijze waarop het Waterplan het belang van water voor het karakter en de identiteit van Amsterdam beziet. Zo'n analyse leidt als vanzelf tot een visie op de problematiek van de veelal tegenstrijdige claims op het water door diverse gebruikersgroepen. Welke analyse speelt hierbij een rol? Worden er keuzes gemaakt? Het is verleidelijk het uitsluitend over de gebruiksfuncties te hebben, maar het Waterplan "overstijgt" dat nu juist. De ervaring heeft geleerd dat je er anders niet uitkomt. Sommigen hebben er belang bij dat de bestaande impasse niet wordt doorbroken, omdat hun verworven rechten alles te maken hebben met een falende en niet optredende overheid. Het Waterplan probeert de impasse te doorbreken door het denken over het water op een hoger abstractieniveau te brengen.

Verwaarlozing van het publieke domein

Een geprivatiseerde wallekant: een stuk openbare ruimte schaamteloos omheind door een woonbootbewoner op de Prinsengracht. Een geprivatiseerde wallekant, ditmaal door een walbewoner, op het Singel, n van de hoofdgrachten van Amsterdam. Een illegaal object dat wordt gedoogd: pas als er iets aan verandert, komt BBA in het geweer.

Het water is in de waterstad Amsterdam jarenlang verwaarloosd. Bestaande regels werden niet gehandhaafd. Nieuwe problemen werden niet door nieuw beleid tegemoet getreden. Het gevolg daarvan is dat datgene wat het meest kwetsbaar is, het water als openbare ruimte in een stad die het stedenbouwkundig gezien juist moet hebben van deze openbare ruimte, in het gedrang is gekomen en dat proces gaat nog steeds voort. Iedere "belangengroep" legt zijn claim op het water. Verwaarlozing van het publieke domein leidt tot privatisering van dat domein. Dat is een bekend gegeven: het geldt voor de wal net zo goed als voor het water. Er is in wezen geen inhoudelijk verschil tussen een horecaondernemer die een stuk straat voor een terras inpikt en een bewoner die een stuk van de kade heeft toegeigend en de wal naast zijn boot met tuinhekjes afbakent.
Een zwakke en vaak laffe overheid die geen "veldslag op het water" wil, laat dat gebeuren en lijkt na diverse "gedoogrondes" het publieke domein te hebben opgegeven, zelfs zozeer dat uitgifte van dat publieke domein in erfpacht wordt bediscussieerd. In een klimaat waarin de overheid niet als overheid optreedt, nemen de brutaalsten het meeste. Die ontwikkeling is de laatste decennia niet alleen gedoogd en gelegaliseerd, maar wordt zelfs politiek gelegitimeerd door ideologische argumenten dat er "altijd gewoond is op het water" een halve waarheid want dat gold niet voor de plaatsen waar nu de meeste woonboten liggen , dat "boten altijd onderdeel zijn geweest van de geschiedenis van Amsterdam" dat is juist maar niet relevant en dat een Hongkong op het water "de beleving van de historische grachten zou vergroten" als het echte boten zouden zijn maar het zijn drijvende dorpen met vlotten en tuintjes . Let op: we hebben het hier niet over boten, maar over woondozen op drijvende betonnen bakken, vaak afgewerkt met schrootjes of voorzien van een baksteen-print om nog meer op echte huizen te lijken. Ze zijn dan ook meestal ter plekke opgebouwd en kunnen niet onder de bruggen door.

De Brouwersgracht vroeger. De pakhuizen liggen aan het water. De Brouwersgracht tegenwoordig. Het water is niet meer te zien, laat staan bereikbaar.

De stedenbouwkundige gevolgen zijn enorm. Daar waar 19de-eeuwse steden als Parijs en Londen hun monumentaliteit verkrijgen door grote pleinen, moet het 17de-eeuwse Amsterdam het hebben van de ruimtelijke werking van het open water. Daar waar het IJ, de Amstel en de hoofdgrachten elkaar ontmoeten, vormen zij de pleinen van de stad.
Die ruimtelijke werking is kapot gemaakt door een langzaam maar ingrijpend proces van dichtslibben door bebouwing, waltuintjes, vlotten, steigers en plezierjachtjes. De relatie tussen de grachtenhuizen en het water wordt erdoor verstoord. Niet de huizen spiegelen meer in het water, maar de rommel op het water spiegelt in de ruiten van de huizen. Daar zijn de walbewoners niet blij mee, maar ook de monumentenzorgers niet, die met de aanwijzing van de binnenstad tot beschermd stadsgezicht meer belangstelling hebben gekregen voor de stedenbouwkundige omgeving waaraan de monumenten hun context ontlenen. Zij vertegenwoordigen gn groepsbelang, maar een algemeen belang: het belang van bescherming van monumentale waarden. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, vertegenwoordigt dat belang wel degelijk een economisch belang. Maar net zoals het kappen van bossen op berghellingen pas stopt als dorpen door vloedgolven worden weggevaagd, gaat het cultuurhistorisch belang pas meetellen als de toeristen naar andere, minder bedorven locaties gaan uitzien. Ondernemers, die het water exploiteren, komen helaas pas in het geweer als blijkt dat ze door dat proces van dichtslibben niet meer genoeg ruimte hebben om aan te meren. Dan is het echter te laat.

Hernieuwde belangstelling voor het publieke domein

Brug over de Keizersgracht bij de Amstel in de jaren zestig. Zelfde locatie tegenwoordig.

Langzamerhand begint ook de overheid het belang van het water als openbare ruimte in te zien. Dit heeft meer met de internationaal toegenomen belangstelling voor het publieke domein te maken dan met het beschermd stadsgezicht of de Nota Belvedre. Het is een internationaal verschijnsel dat de privatisering van het publieke domein aan de kaak wordt gesteld. Dit is een reactie van stedenbouwkundigen op de ingrijpende gevolgen van het massale automobilisme op de kwaliteit van de stedelijke ruimte, maar in de waterstad Amsterdam leidt dat onvermijdelijk tot het besef dat de belangrijkste openbare ruimte van deze stad, het water, is prijsgegeven voor bebouwing en bewoning.

Het Waterplan Amsterdam noemt water een "ruimtelijk structuurelement" en letterlijk zelfs een "beeldbepalend onderdeel van de openbare ruimte". Het is daarom nodig te komen tot een "gentegreerde visie op het water".

De Raamgracht vroeger. De Raamgracht tegenwoordig.

In het "streefbeeld 2030" heeft het water een hoge "belevingswaarde" en is de identiteit van Amsterdam als waterstad versterkt. De waterstructuur is verbeterd door nieuwe waterlopen en het herstel van wateren die stedenbouwkundig en/of waterstaatkundig karakteristiek zijn. De hoeveelheid oppervlaktewater is daardoor toegenomen. Het wonen op het water maakt structureel deel uit van ruimtelijke plannen en bestemmingsplannen, maar tegelijkertijd komt er meer nadruk op de zichtbaarheid van het water en de openbaarheid van de oevers. Historische doorkijkjes op het water moeten worden versterkt, zichtlijnen verbeterd en eventueel moeten enkele oude grachten ontdempt worden. De openbaarheid van de oevers is immers door dichtslibben in het gedrang gekomen en daar zal meer aandacht voor komen, evenals het verbeteren van het "verblijfsklimaat" en het toegankelijk maken van het water via publieke voorzieningen.

Concrete maatregelen ontbreken

Een oude foto van de Herengracht bij de Reguliersgracht laat zien welke monumentale waarden in het geding zijn die in het beschermd stadsgezicht verdedigd moeten worden.

Het klinkt allemaal prachtig; het is precies waar om gevraagd is, (3) maar wat zijn de concrete maatregelen? Wat de VVAB mist, zijn concrete voorstellen tot een uitsterfbeleid van woonarken en een uitgewerkt verplaatsingsvoorstel van boten die op stedenbouwkundig onaanvaardbare locaties liggen, met het doel de harmonieuze relatie tussen wal, water en huizen te herstellen.

Ook ontbreken concrete voorstellen om de stedenbouwkundige waterstructuur van de binnenstad te herstellen, waar dat mogelijk is. Niets van dat alles vinden wij terug, zelfs niet het plan om het kleinste dichtgegooide grachtje, de Palmgracht, te hergraven. Met andere woorden: de laffe overheid komt tot inkeer, maar durft het maken van keuzes om politieke redenen nog niet aan. Daardoor is sprake van een optelsom van wensen met een soms inherent tegenstrijdig karakter. Het Waterplan Amsterdam blijft bovendien beperkt tot papieren voornemens, een op zichzelf juiste analyse die vooralsnog weinig feitelijke consequenties heeft.
Er staat in de tientallen pagina's dikke rapporten eigenlijk slechts n concreet voorstel: het opschonen van de oevers van de rivier de Amstel, waaraan de stad niet alleen haar naam, maar zelfs haar identiteit heeft te danken. Dit is zeker belangrijk, want die rivier is op veel plaatsen niet eens meer te zien, verdwenen achter blinde muren van drijvende woondozen. Maar het betreft hier slechts een mogelijke maatregel: het is weggestopt op n van de "kansenkaarten", kaarten die laten zien welke kansen er zijn. Voorlopig is het niet meer dan een gedachtenexperiment, let wel, voor de gewenste situatie in 2030.

De Amstel vroeger. Als er een boot lag dan was dat een dekschuit waar je overheen kon kijken. Er is nog een directe relatie tussen stad en water. Dezelfde locatie aan de Amstel tegenwoordig. Daar waar andere riviersteden van de oevers een hoogwaardig verblijfsgebied maken, is de rivier in Amsterdam nauwelijks te zien. Dit is het uitzicht op de Amstel vanaf de kade, vlakbij de Magere Brug. Een grote rommel die je niet zou verwachten in het hart van n van de belangrijkste en mooiste historische stadskernen van de wereld.
In de stad is het nauwelijks minder erg. Prinsengracht bij het Van Brienen Hofje. Het water en ook de stad aan het water is niet meer te zien. Prinsengracht bij Noordermarkt. Het is een plein aan het water, maar als zodanig niet te gebruiken of te ervaren.

Erfpacht op het water

Er is in Amsterdam al een voorbeeld van het uitgeven van waterpercelen in erfpacht: de Bloemenmarkt op het Singel. Hier is te zien wat het prijsgeven van de openbaarheid van het water in de praktijk betekent. De gevolgen waren drastisch: er verschenen complete kassen op het water. De bouwwerken werden zelfs onderheid, zoals deze foto laat zien. De gemeente had eisen kunnen stellen, maar heeft dat verzuimd.

Ondertussen dreigen de mooie bedoelingen van het Waterplan door de realiteit te worden ingehaald. Een voorbeeld daarvan is het streven van het grondbedrijf, gesteund door wethouder Stadig, om waterpercelen uit te geven in erfpacht. Hier treedt weer de oude kijk op het water naar voren: water als restruimte waarmee klakkeloos kan worden omgesprongen. (4)

Waar gaat het om? In de huidige situatie betalen woonbootbewoners met een ligplaatsvergunning voor het gebruik van het openbaar water precariobelasting. De gedachte daarvan is dat een vergoeding moet worden betaald voor het gebruik van het gemeentelijk water, immers openbare ruimte. Nu kan de VVAB moeilijk bezwaar maken tegen de nagestreefde gelijkheid in rechten en plichten op land en in het water. Dat hebben wij immers altijd bepleit. Maar in dit voorstel spelen andere, veel minder mooie motieven mee. Zo wordt in de notitie een uitspraak van wethouder Stadig aangehaald, waarin hij letterlijk zegt: "Het gaat erom dat wij het water verkopen. Als wij in deze stad grond verkopen, doen we dat altijd in de vorm van erfpacht. Het principile punt is de overgang van precario naar koop". Waarom is dat zo belangrijk voor de gemeente? Het staat letterlijk in de nota. De betrokken overheid "profiteert niet mee" van de "aantrekkelijke" marktwaarde van woonboten met een legale ligplaatsvergunning. Het grondbedrijf wil dus een graantje gaan meepikken van het financile voordeel dat het prijsgeven van die openbaarheid aan particulieren biedt. In deze gedachtengang is natuurlijk niets te proeven van een visie op het water als openbare ruimte, zoals zo duidelijk in het Waterplan naar voren komt. De VVAB is om principile redenen tegen het privatiseren van openbaar water in de historische binnenstad; het is "oud" beleid dat haaks staat op de "nieuwe" visie van het Waterplan.

Bebouwing op het water op heipalen aan het begin van de Bloemenmarkt. De volgende stap is demping.

Een essentile voorwaarde voor het uitgeven van water in erfpacht is dat de betrokken ligplaatsen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Dat betekent dat allereerst een belangenafweging moet plaatsvinden, een afweging die in feite nooit heeft plaatsgevonden. Pas dan zal blijken welke ligplaatsen moeten worden opgeheven en welke ligplaatsen kunnen blijven bestaan. Alleen voor de ligplaatsen die kunnen blijven bestaan, bijvoorbeeld op plaatsen waar het prijsgeven van de openbaarheid op minder grote bezwaren stuit, geldt dat de betrokken percelen in erfpacht kunnen worden uitgegeven. Aan die voorwaarde is nog lang niet voldaan en het kan geenszins de bedoeling zijn om automatisch de huidige ligplaatsen in een bestemmingsplan op te nemen. (5) De gemeente denkt daarentegen wel aan automatische opname van de bestaande ligplaatsen, (6) overigens niet vanwege de noodzakelijke belangenafweging zelf, maar omdat erfpachtuitgifte bij de rechter anders niet stand zou houden. De conclusie luidt dat dit voorstel veel te vroeg komt en misschien pas in 2030 aan de orde is, als de goede bedoelingen van het Waterplan Amsterdam zijn gerealiseerd. Dit voorbeeld van de manier waarop met het water wordt omgesprongen, maakt duidelijk dat alle mooie woorden ten spijt, de dagelijkse praktijk op het water nog mijlenver verwijderd is van wat noodzakelijk is in de waterstad Amsterdam, een stad die identiteit en karakter aan het water ontleent.

Beheer en beleid

Om te voorkomen dat het waterplan door de realiteit wordt ingehaald, moet het waterplan de onderlegger worden van elk beleidsterrein dat betrekking heeft op het water. Wij stellen daarom voor het waterplan de status van een structuurplan te geven.
Maar dat is niet voldoende. Het is ook nodig taken en bevoegdheden van gemeentelijke diensten te heroverwegen. De huidige situatie waarin de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam (BBA) ook het waterbeleid voor haar rekening neemt, is het gevolg van de oude situatie waarin water als structuurelement slechts een restruimte was en dus uitsluitend nautisch werd bezien. Nu een stedenbouwkundige en ruimtelijke kijk op het water wordt uitgewerkt, is het nodig expliciet uit te spreken dat Binnenwaterbeheer uitsluitend verantwoordelijk is voor het beheer, terwijl het beleid gemaakt wordt door gemeentelijke diensten die zich bezighouden met ruimtelijke ordening en openbare ruimte. Dat is de Dienst Ruimtelijke Ordening in de centrale stad en, als het om de inrichting gaat, de sectoren Openbare Ruimte van de stadsdelen (voor de binnenstad de Dienst Binnenstad). Deze diensten hebben het water altijd verwaarloosd. Het beleid hielt letterlijk halt bij de waterkanten. Zo hielt de wethouder Openbare Ruimte Binnenstad zich niet met het water bezig, terwijl het water de belangrijkste openbare ruimte van de binnenstad is. De nieuwe visie betekent dat de wethouder Openbare Ruimte Binnenstad de inrichting van het water als openbare ruimte erbij krijgt. Dat hoeft geen verzwakking van BBA te zijn: de dienst moet versterkt worden om haar handhavingstaak beter te kunnen doen. Het aantal illegale objecten in de grachten neemt immers nog steeds toe. De belangrijkste verdienste van het Waterplan is ons inziens wel dat belangrijke waterscheidingen in het beleid worden doorbroken.

Namens de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad,

Walther Schoonenberg,
voorzitter

Bijlage: Losse kanttekeningen en vragen bij de tekst van het Waterplan

  • In het streefbeeld dat het Waterplan voor 2030 formuleert (hoofdstuk 2, "Streefbeeld 2030"), heeft het water een hoge belevingswaarde dat de identiteit van Amsterdam als waterstad versterkt. De waterstructuur is verbeterd door nieuwe waterlopen en het herstel van wateren die stedenbouwkundig en/of waterstaatkundig karakteristiek zijn. De hoeveelheid oppervlaktewater is daardoor toegenomen. Het wonen op het water maakt structureel deel uit van ruimtelijke plannen en bestemmingsplannen. Dan staat er: "woonboten vormen een meerwaarde voor het stadsbeeld" (blz. 5). Dat betekent ons inziens dat de meeste "woonboten" (lees: woonarken) die thans in de binnenstad liggen, zijn verdwenen. Van een uitsterfbeleid ten aanzien van woonarken is in het gehele waterplan geen sprake. Zonder die voorwaarde is de stelling "woonboten vormen een meerwaarde voor het stadsbeeld" een ideologische plichtpleging zonder enige betekenis en inhoud.
  • Tevens wordt terecht gewezen op de noodzaak van nduidige regels voor het gebruik van water en oevers. Dan staat er dat de "bewoners" actief betrokken zijn bij de inrichting en het beheer van water, oevers en kades. Worden hiermee ook de walbewoners bedoeld? Ons inziens gaat het hierbij zelfs in de eerste plaats om de walbewoners: zij hebben immers direct belang bij openbare en toegankelijke oevers.
  • In een ruimtelijke visie op het water (hoofdstuk 3, "Water tekent de stad") wordt terecht geconstateerd dat Amsterdam haar ruimtelijke structuur en identiteit ontleent aan het water. Merkwaardig is het dat in deze analyse het grachtenstelsel geheel ontbreekt. Erger nog: in kaart 3 ("structuurbepalende wateren") valt op dat de al dan niet gedempte grachten in het Middeleeuwse stadshart en de gedempte grachten van de Jordaan zelfs niet zijn ingetekend. Het grachtenstelsel staat in binnen- en buitenland juist bekend als het meest kenmerkende structuurelement van de waterstad Amsterdam. Dit stelsel is een belangrijk kenmerk van het beschermd stadsgezicht: het is structuurbepalend voor de stedenbouwkundige omgeving waaraan de monumenten hun context ontlenen. In het volgende hoofdstuk over de uitgangspunten voor de inrichting (hoofdstuk 4, "Water als openbare ruimte") wordt het herstel van historische stedenbouwkundige kwaliteiten genoemd en enkele voorbeelden gegeven. Merkwaardig genoeg worden hier opnieuw de gedempte historische grachten niet genoemd, terwijl de demping van een groot deel van die historische grachten de meest ernstige aantasting van de historische stedenbouwkundige kwaliteiten van de stad is. (7) Hetzelfde geldt voor het kopje "herstel gedempte waterlopen" op blz. 15 en de bijbehorende kaart 6 op blz. 14 waar de binnenstad schittert door afwezigheid. Op deze kaart zijn voor 2030 enkele nieuwe waterlopen en plaatsen voor waterberging ingetekend. Geen enkele gedempte gracht in de binnenstad is weer open, terwijl in een eerdere versie van het Waterplan nog de Palmgracht werd genoemd. Deze ernstige omissie moet worden hersteld. De VVAB vindt dat in 2030 meerdere Jordaan-grachten (Palmgracht, Lindengracht, Westerstraat en Elandsgracht) weer open zouden moeten zijn, evenals het Rokin, de Vijzelgracht en de Falckstraat. Het is overigens merkwaardig dat in het hoofdstukje "Meer oog voor water" wel staat dat enkele oude grachten ontdempt moeten worden, maar voorbeelden worden niet genoemd en het staat ook op geen enkele kaart.
  • De openbaarheid van de oevers kan worden verbeterd door het toegankelijk maken van het water via publieke voorzieningen (blz. 17). Helaas wordt niet vermeld dat de waterstoep in de kademuur om stedenbouwkundige redenen de voorkeur verdient boven steigers in het water.
  • Het hoofdstuk over de gebruiksfuncties van water (hoofdstuk 5) zegt terecht dat er een beleidskader moet komen om de vele claims op het water op consistente wijze tegemoet te treden: welke functies worden toegestaan, welke mogen uitbreiden en welke moeten worden beperkt. De nota onderscheidt drie functies: water om op te wonen, water voor plezier en water voor bedrijvigheid. Over het wonen op het water wordt gemeld dat wonen op het water "eeuwenlang" niet weg te denken is uit Amsterdam. "Woonboten en andere woningen op het water leveren een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid en de sociale veiligheid in de stad, aan de differentiatie van woonvormen en aan de visuele waarde van het water voor de stad". Wij verschillen hierover fundamenteel van mening. Terecht wordt geconstateerd dat door gebrek aan regelgeving en handhaving "ongewenste situaties" zijn ontstaan. De problemen moeten "beheersbaar" worden gemaakt. De nota doet de uitspraak dat in de dichte stad het huidig aantal woonboten kan worden gehandhaafd en zo nodig gespreid. Boten die nautisch op verkeerde plaatsen liggen, worden verplaatst. Minstens zo belangrijk is echter de verplaatsing van boten die stedenbouwkundig gezien op verkeerde plaatsen liggen, omdat de historische gracht zich niet leent voor woonvormen op het water en/of zichtlijnen worden geblokkeerd. In de binnenstad zit niemand er op te wachten dat nu nog lege plaatsen worden ingenomen door om nautische of stedenbouwkundige redenen verplaatste woonboten. Derhalve is voor de binnenstad een bepaalde mate van structurele krimp onvermijdelijk. Dan zegt de nota dat wonen op het water gelijkwaardig wordt aan wonen op de wal. Dat is op zich een goed uitgangspunt, maar er wordt dan impliciet wel van uitgegaan dat de privatisering van openbare ruimte door woonboten onomkeerbaar is. Ons inziens moet eerst bekeken worden waar wel en waar niet boten kunnen liggen. De nota noemt ook de beeldkwaliteit van de boten. Op termijn zijn alleen woonvormen op het water toegestaan die passen in het betreffende stadsbeeld. Dat betekent welstandscriteria. Er wordt, zo lezen wij, gezocht naar mogelijkheden om het uiterlijk van bestaande woonvormen meer in de omgeving te laten passen. Dat lijkt ons de kwadratuur van de cirkel. Schoenendozen op betonnen bakken passen per definitie niet in het stedenbouwkundig concept van de historische binnenstad. Hier is geen aanpassingsbeleid maar een uitsterfbeleid de enig juiste.
  • Terzijde wordt opgemerkt dat het hoofdstukje "Water om op te wonen" beter had kunnen heten: "Water om in te wonen", om het onderscheid duidelijk te maken met "water om aan te wonen": de functie van de grachten als woongebied voor duizenden Amsterdammers die de grachtenhuizen bewonen. Ook hier lijkt er een blinde vlek te zijn voor een categorie bewoners die evenzeer belanghebbend zijn: de walbewoners. Op blz. 38 wordt "communicatie met bewoners" genoemd. Worden hier ook alleen woonbootbewoners bedoeld?
  • In het actieprogramma (hoofdstuk 9) wordt een waterparagraaf voor de bestemmingsplannen genoemd. Doel daarvan is ons inziens niet het klakkeloos opnemen van de huidige ligplaatsen van woonboten in de bestemmingsplannen maar allereerst het bepalen waar stedenbouwkundig en nautisch gezien woonboten mogelijk en gewenst en onmogelijk en ongewenst zijn. In de herstel- en inrichtingsplannen voor cultuurhistorische elementen moeten ook de gedempte historische grachten van de binnenstad worden meegenomen.
  • In het achtergrondrapport "Analyse" staat op blz. 3 een lijst relevante nota's en notities. Hier ontbreekt de notitie van het raadslid G. Frankfurther. (8) Uit deze notitie blijkt dat er in de 20ste eeuw bijna evenveel gedempt is als in de 19de eeuw en bovendien veel kades zijn aangeplempt ten koste van het water. De zin "Eind-19de eeuw zijn veel grachten gedempt" op blz. 21 kan beter veranderd worden in: "In de 19de en 20ste eeuw zijn veel grachten gedempt en kades aangeplempt".
  • Op blz. 20 worden enkele belangrijke redenen genoemd voor de aanleg van de grachtengordel. En reden ontbreekt, namelijk de aanleg van de grachten als "sieraden dezer stadt".
  • Op blz. 23 wordt de recente discussies over het terugbrengen van het water in het Rokin en de Lindengracht genoemd. Dat moet zijn: Rokin en jordaan-grachten als Palmgracht, Lindengracht, Westerstraat en Elandsgracht. Er zijn concrete plannen met betrekking tot de Palmgracht.
  • Op blz. 41 wordt de Amstel genoemd als een voorbeeld waar de toegankelijkheid van de waterkant is beperkt. A.u.b. hier ook de historische grachten noemen. De keuze om de Amstel eruit te lichten, is zeer arbitrair. Het is net zo goed te verdedigen om een accent te leggen bij het teogankelijk maken van de waterkanten van de historische grachten waar veel Amsterdammers wonen en op het water uitkijken. Misschien is dat wel nog nijpender zelfs.
  • Op blz. 55 staat dat het een onderbelicht aspect van het afmeren van schepen is dat dit een toegevoegde waarde kan hebben op de belevingswaarde van water en oever. Alhoewel dat in theorie zeker waar is, is het nu juist niet zo dat dit aspect onderbelicht is. Wij zouden zeggen dat dat aspect juist overbelicht is en in de praktijk in strijd met de feitelijke situatie waarin doorgaans juist geen sprake is van een toegevoegde waarde.
  • Op dezelfde bladzijde staat dat er een inventarisatie nodig is van plaatsen waar uitbreiding van woonbootlocaties potentieel mogelijk is. Echter, er is ons inziens juist ook een inventarisatie nodig waar woonboten niet gewenst zijn.
  • Voor de doelstellingen voor 2006 wordt de verplaatsing van woonboten genoemd die op ongewenste locaties liggen. Het belangrijkste criterium ontbreekt hier: op basis van een stedenbouwkundige en ruimtelijke analyse (zichtlijnen) moet worden bekeken of woonboten op een al dan niet gewenste locatie liggen.

Voetnoten:

  1. Zie: Water het Blauwe Goud van Amsterdam; Visie en Strategie, Juni 2001. Niet alles wordt in het Waterplan behandeld. Zo worden de gewenste gebruiksfuncties van water in de binnenstad doorverwezen naar de na de zomer openbaar te maken nota "Het Water van de Binnenstad een visie op de functie en het gebruik van het water in de Amsterdamse binnenstad".
  2. De Raad bedoelde eigenlijk "gestructureerde, vastgelegde groei" als tegenpool van "ongestructureerde, wilde groei". Maar gestructureerde groei, dat wil zeggen het in goede banen leiden van de groei van het aantal woonboten, is iets heel anders dan structurele groei, dat wil zeggen trendmatige groei, een toename van het aantal woonboten in elke tijdsperiode. De Raad bedoelde het eerste, maar in de beeldvorming en herinterpretatie van raadsbesluiten door de betrokken belanghebbenden is het tweede op de voorgrond komen te staan.
  3. Enkele raadsnotities zijn aan het Waterplan voorafgegaan, zoals een Groen Links-notitie over het "gebruik van de waterkanten" uit 1995 en een D66-notitie over de noodzaak van een "stedenbouwkundige kijk op het water" uit 1998. Belangrijker nog is dat het enge blikveld in het debat over het gebruik van het water vanuit belangengroeperingen, zoals het geval was tijdens de discussie over de nota "Amsterdam Te Water", tot een patstelling heeft geleid. Deze belangengroeperingen hebben baat bij zo'n patstelling!
  4. Zie de "Notitie erfpachtuitgifte van waterpercelen voor woonboten", maar vooral ook de onthullende notitie van het Gemeentelijk Grondbedrijf aan wethouder Stadig dat bij de stukken is gevoegd. De notities zijn inmiddels voor inspraak vrijgegeven. In het Waterplan Amsterdam wordt de kwestie van het in erfpacht uitgeven van waterpercelen zijdelings genoemd: er wordt slechts verwezen naar de notitie over erfpacht. Naar verwachting zullen de organisaties van woonbootbewoners een fel protest tegen de erfpacht laten horen, omdat gelijkschakeling van het wonen op land en het water financieel nadelig is voor de woonbootbewoners.
  5. Het is in dit verband van belang op te merken dat 1.278 van de 2.830 woonboten in Amsterdam in de binnenstad liggen.
  6. Zie blz. 11 van de genoemde brief van het hoofd van het Grondbedrijf aan wethouder Stadig.
  7. In de notitie van raadslid G. Frankfurther is een lijst van 70 dempingen en aanplempingen opgenomen. Zie: G. Frankfurther, Een voorstel voor het hergraven van gedempte grachten, Gemeenteblad afd 1, Nr. 466, 27 juni 2000.
  8. De reeds eerder genoemde notitie van G. Frankfurther: Een voorstel voor het hergraven van gedempte grachten.

Amsterdam, 3 september 2001

[Werkgroep Water]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.