De grootste kenner van het Nederlandse woonhuis neemt afscheid

Henk Zantkuijl: 'Niemand kan zeggen dat hij Amsterdam helemaal kent'

Henk Zantkuijl
Wie van Amsterdam houdt, zal zich nooit de kans op een gesprek met Henk Zantkuijl (63) laten ontgaan. Nog fijner is wandelen met Henk. We lopen op de Voorburgwal en stoppen vooreen onopvallend pand. De voorbijganger ziet twee oudere heren, van wie er een wijst en praat.

'Metselwerk 1850, gietijzeren muurankers zelfde tijd, maar de top...' 'Luisteren met de ogen', noemt Henk het. Insiders noemen hem de grootste kenner van het Nederlandse woonhuis. Hij kan, zeggen ze, met grote precisie een woonhuis uit willekeurig welke periode, bijna tot op het jaar nauwkeurig, tot in de details voor u ontwerpen.
Een dubbel grachtenhuis anno 1746, zou dat kunnen? Hij lacht. In een overmoedige bui had hij wel eens gezegd: dat schets ik zo. Nu schaamt hij zich een beetje over het gemak, waarmee hij dat ooit heeft geponeerd. De werkelijkheid van toen was veel ingewikkelder. Zoveel stromingen die zich gelijktijdig manifesteerden. Hij moet zijn meningen nog dagelijks herzien.
Wandelen en huizen kijken deed hij als jongen aan de hand van opa in Utrecht. De Zantkuijls zaten er al generaties in de bouw. Henk, jong wees geworden, groeide op bij opa en een oom. En die keken op milimeters. Of het een huis van Rietveld was of van Bredere, het moest goed gebouwd zijn, geen scheve luifel, geen lekkende goten. Het waren leermeesters, zegt hij nu, die niet geloofden in hemelse bevliegingen, maar in ijverig zijn. De grote gaven komen niet vanzelf.
Er is nóg een vaderfiguur: W. Stooker, ambtenaar bij gemeentewerken Utrecht en in zijn eentje verantwoordelijk voor het hele restauratiebeleid. Als de jonge MTS'er Henk Zarrtkuijl anno 1943 bij hem stage wil lopen, laat hij weten: 'Ik heb zijn grootvader gehad, zijn vader, laat dat jochie maar komen.'
Van de legendarische Stooker leert hij liefde voor het ambacht en hij leert vooral kijken. Je kunt niet genoeg kijken. Het blijft een vriendschap voor het leven. Stooker werd over de negentig en was tevreden als zijn 'jochie' Zantkuijl nog een langskwam. De buitenstaander filosofeert, of er een relatie is tussen degelijkheid van karakter en levenswandel en degelijkheid van bouwen en restaureren. Als er hout voor restauratie nodig was, ging Stooker met zijn pupil naar Amsterdam om zelf balken en planken bij de handel uit te kiezen. Dan keken ze ook samen naar die overweldigende stad.
De pupil heeft in zijn studiejaren op de MTS een duurzame liefde opgevat voor de eenvoud en helderheid van de romaanse architectuur. Die kan hij bevredigen als hij, van 1948 tot 1953, bij Stooker werkt en het restauratievak leert. Amsterdam heeft geen romaanse kerken, maar niettemin arriveert hij 1 augustus 1953 in de hoofdstad om deel te gaan uitmaken van het nieuwe Gemeentelijk Bureau voor Monumentenzorg. De vier namen van de oude generatie - Meischke, Zantkuijl, Sijmonsbergen, Schaap - hebben nu een bijna legendarische klank. De pioniers. Henk Zantkuyl is nu de laatste die het bureau heeft verlaten.
Hij begon er als opzichter/tekenaar, werd restauratie- architect, hoofd van de afdeling, wetenschappelijk adviseur. De TH haalde hem naar Delft als docent in de sector restauratie. Bij elkaar 35 jaren. Zijn werkdagen, weten de insiders, duurden meestal twaalf uur en zijn vakanties werden vooral besteed aan het maken van speciale studies, want als hij wilde weten, hoeveel 'uitstekende gootsteenkastjes' er nog in Amsterdam zijn of hoeveel uitkijktorentjes in de oude stad, dan rustte hij niet, voordat alle kaarten, archieven, straten en stegen waren uitgekamd.
Ging het niet vervelen na zoveel jaar?

Henk Zantkuijl bij het funderingsonderzoek van de Waag
Henk Zantkuijl: 'Integendeel. De stad is zo rijk, zo gevarieerd. In het begin zoog ik het op en dat doe ik nog. Het 'leesmateriaal' is onuitputtelijk. Elke dag loop je te kijken en ineens zie je, onder een bepaalde belichting, iets dat je nooit is opgevallen. Had ik poep in mijn ogen, dat ik het nooit eerder zag? Maaralle kijken is geprogrammeerd. Het leert je ook om niet te snel conclusies tetrekken. Iedereen is op zoek naar een verhaal, iedereen vindt zijn eigen verhaal, maar niemand kan zeggen dat hij Amsterdam helemaal kent. Het is zo'n gevarieerd verhaal. De stad is niet vanuit één denkbeeld geschapen.'
Wie zó van een stad houdt en de trillingen van de stad zó goed verstaat, moet ook momenten van treurigheid hebben gekend als er iets helemaal mis ging. Wat was de ergste ramp in die 35 jaar?
Henk Zantkuijl houdt het op de bouw van de bank in de Vijzelstraat. 'Zo grof; een kreet, meer niet.'
En omgekeerd, wat was een aanwinst?
'Ik vind de Opera heel fijn. Niet het stadhuis, misschien komt het nog; je moet je de tijd gunnen.'
Wat hij in het omstreden gebouw waardeert? 'De plek op dat eiland, in een brede bocht van de Amstel, vraagt om een forse, vrij hoge bebouwing. Je kunt er een groot stadsgezicht scheppen. Dat heeft de zeventiende eeuw begrepen en ook gedaan. Die plek daagt uit. Omdat je het gebouw al van ver kunt zien, moet je het een grote vorm geven, die bij het naderen blijft boeien door steeds mooiere details. Als je de Opera van verre ziet, dan boeien die heel geraffineerde grote schermen. Kom je dichterbij, dan ontwaar je de tweede huid. Dat is geraffineerd, dat is stedelijk bouwen.'
En is die Utrechtse jeugdliefde voor romaanse architectuur in Amsterdam nog bevredigd?
'Het sobere klassicisme van de tweede helft van de zeventiende eeuw, dat heeft iets van het romaans. Een echt Hollandse stijl, helder, duidelijk en een precisie van maten die je als liefhebber de rillingen over de rug jagen.' Voorbeelden in Amsterdam?
'De latere Philip Vingboons, Elias Bouman, Adriaan Dortsman en mijn grote favoriet Daniël Stalpaert. Ik denk aan de Academie voor Bouwkunst op het Watertooplein, de Portugese Synagoge, de Dortsmanhuizen Amstel 216 e. v., de Oosterkerk, het katholieke schuilkerkje op het Begijnhof, de Blauwe Bock op de Raamgracht.'
In die 35 jaren is bijna de helft van de Amsterdamse monumenten, zo'n 4000 huizen, 'door de hand' van Monumentenzorg gegaan. Die geweldige activiteit voltrok zich in een periode, dat het z.g. nieuwe bouwen een heel andere kant uitging. Beton, ijzer, glas en rechte hoeken. 'Ik beweer dat sommige restauraties invloed hebben uitgeoefend op de smaakverandering bij het publiek en ook bij de vakgenoten. Men ontdekte dat bouwen niet per definitie hoekig, kil en grootschalig hoefde te zijn. Men zag elegante panden uit de restauratiesteigers komen met een geraffineerde onderpui, andere raamindeling, een voorhuis...'
Henk Zantkuijl verzucht: 'O, als de achttiende eeuw het beton had gekend, wat had men er een verfijnd gebruik van gemaakt. Prefab heeft altijd bestaan in de bouw. Zo'n barokke topgevel zochten ze uit op de werf. Ze kenden gips, papier-maché, gietijzer, ze wisten van herhalingsbouw. Wij hebben nog veel meer mogelijkheden. Kunststoffen kun je in allerlei vormen maken. Maar we gebruiken de mogelijkheden nauwelijks.'
Hij bevestigt dat bij restauraties soms 'een verhaal werd ingebouwd' om het spannend te maken. 'Onbewust schiepen we een stijl, die aansloeg. Het had iets te maken met de belevingswaarde van de stad op ooghoogte. Die had het nieuwe bouwen volkomen verwaarloosd. Wie in de stad loopt, wil elke meter geboeid worden. Eindeloos lange, sombere, gesloten, afwerende onderhuizen stoten af.' We kunnen dus, constateer ik, de geschiedenis van het naoorlogse bouwen niet schrijven, zonder de invloed van de restauratie-activiteiten in die periode.
Henk Zantkuijl: 'De grote architecten van het nieuwe bouwen - Rietveld, Oud - hadden nog een degelijke opleiding in het oude vak gehad. Als ze later bewust iets weglieten, dan ontstond er een spanning, die we kunnen waarderen. De volgende generatie dacht helaas, dat je alleen spanning kon krijgen doorweglaten. Nu manifesteert zich de post-moderne stroming en gaat de ontwikkeling snel de andere kant op. Pas op, roep ikweleens, we gaan weer naar de barok toe.'

Zal dat zijn invloed hebben op het restaureren van de toekomst?
'Restaureren is manipuleren, hoe zorgvuldig en dienstbaar je het ook doet,' zegt hij.' We zijn trots als je niet kunt zien, dat een huis is gerestaureerd, maar je blijft een deel van de honderdjaar-cyclus. Elke halve eeuw moet een huis een flinke opknapbeurt ondergaan en elke honderd jaar moet er echt iets gebeuren. Het huis wordt bij de tijd gehaald. Dat is altijd zo geweest. Vroeger gebeurde het zonder restauratiementaliteit, hoewel men ooktoen zuinig was op waardevolle elementen. Maar er werden ook nieuwe elementen ingebracht. Onze zorg als restaureerders was om een heel fijn beeldverhaal te krijgen, met nadruk op behoud. Nu komt steeds nadrukkelijker de vraag naar voren, of daarmee het traditionele transformatieproces niet wordt uitgeschakeld en zo'n huis uit het stedelijk gebeuren wordt gelicht als een museumobject.'
'De tijd is rijp vooreen nieuwe fase in het restauratiebeleid', constateert hij. 'Ik voel aankomen dat het scheppend proces weer zijn kans moet krijgen, net als vroeger.' Menig liefhebber van de oude stad krijgt de rillingen bij het vooruitzicht, dat allerlei klunzen en aanstellers op het kostbaarste bezit van de stad worden losgelaten. ' Het kan een spannende tijd worden'. Henk Zantkuijl is niet pessimistisch. Allereerst heeft zich bij het Bureau Monumentenzorg een geweldige kennis verzameld van de oude stad en het oude bouwen, zowel in het archief als in het hoofd van de mensen. Dat is een onomkeerbaar proces. Daar zal ook de toetsing moeten geschieden, of zo'n ingreep een aanwinst dan wel een aantasting is. Die deskundigheid is uniek en onontbeerlijk, want die ontbreekt bij de individuele architect.
'Het restaureren richtte zich aanvankelijk op individuele huizen. Maaraldoende kregen de betrokkenen steeds meer besef van samenhangen, de kwaliteit van een heel gebied, die allereerst behouden moet blijven. Zo'n brute ingreep als de sloop en nieuwbouw van het oude Kattenburg is nu niet meer denkbaar, maar gevaren dreigen er nog steeds. Water is zo essentieel in Amsterdam, dat elke demping moet orden bestreden.'

Het nieuwe IJ-oeverproject?
'Als het lukt kan het heel boeiend worden. Met de neergang van het oude havengebied is het IJ een achtergebleven gebied geworden. Er moet iets gebeuren, maar ik word bang als ik zie, hoeveel ze willen dempen. Water dient in alle Amsterdamse planologie nummer één te blijven. Het gevaar dreigt dat IJ en Oosterdok een gracht worden. Als dat gebeurt, wordt het een catastrofe. Laat men toch leren om weer op het water te bouwen. De Oude Stadsherberg was boven het water gebouwd op palen. Men moet het water van Amsterdam honoreren met bouwen boven het water. Als dat lukt heeft Amsterdam er weereen trekpleister bij.'
Ook kijkt hij met enige bezorgdheid naar het tempo van woningbouw en omzetting van bedrijfsruimten in woonhuizen in de oude stad. Op die manier dreigt de balans tussen wonen en de andere functies van het Centrum uit zijn evenwicht te raken. Er moet ook gewerkt worden in de oude stad, anders wordt het een buitenwijk, een dorp. Soms kan Zantkuijl wel verlangen naar een structuurplan, dat dit soort van ontwikkelingen in goede banen probeert te leiden, hoewel de ervaring leert dat structuurplannen ook een gevaar van manipulatie en verstening inhouden. 'Geen enkele functie is eeuwig', verzucht hij.
Amsterdam zit weer in een transformatieperiode. Niemand kan nog geheel voorzien wat voor nieuwe ontwikkelingen in de volgende eeuw hun rol in de stad zullen gaan spelen. De oudere generatie is beslist niet ontevreden over hetgeen de afgelopen 35 jaar is ondernomen om oude kwaliteit te behouden. Rampen zijn, uitzonderingen daargelaten, voorkomen. Het is nog altijd een genoegen om in de oude stad te verkeren.
Waar zou Henk Zantkuijl, indien de noodzaak zich voordoet, nieuwe, grootschalige ontwikkelingen toelaten? 'Aan de singelgrachten', zegt hij, 'aan de overzijde. Dan krijgt de oude stad daar een soort van wand: Mauritskade, Stadhouderskade. Maar beslist niet de Nassaukade.'

De Nassaukade?
'De Nassaukade is een verrukkelijk en deerlijk onderschat stuk van Amsterdam. Wat ze daar in de vorige eeuw hebben gebouwd is ronduit fascinerend. Ik heb er huis voor huis dia's van gemaakt. Wat je er aan variaties ziet op, zeg vijftig meter, dat is echt stad. Je blijft kijken.'
We beëindigen onze lange wandeling, waar hij ook begonnen is: voor de deur van het indrukwekkende Huis met de Hoofden aan de Keizersgracht, waar de stedelijke Monumentenzorg zo'n vorstelijke huisvesting heeft gekregen. De wind woelt in de grijze haren van de laatste pionier van de Amsterdamse monumentenzorg.
Optimist tot aan het eind. Hij gelooft in de kwaliteit van zijn opvolgers (die hij overigens gedeeltelijk zelf heeft opgeleid in Delft). Hij gelooft ook in de kwaliteit van de nieuwe architectengeneratie, die bij het eeuwige transformatieproces van de oude stad betrokken zal zijn. 'Ze hebben veel meer diepgang, gevoeligheid en beeldende kracht dan hun collega's van dertig jaar geleden. Er is meer artisticiteit.'
Zantkuijl hoopt dat in de nieuwe generatie weer ontwerpers zullen opstaan als Van der Velde, Penaat, Bart van der Leek en Mart Stam; ontwerpers die gevoel hadden voor architectuurén bouwdesign en een huis konden ontwerpen tot op de laatste deurknop. Vooral gevoel voor bouwdesign. Mensen dus die geen genoegen nemen met de fantasieloze produktie van de meeste toeleveringsbedrijven in de bouw. Einde gesprek. Althans voor vandaag, want, als gezegd, de liefhebber laat zich geen kans op een gesprek met Henk Zantkuijl ontgaan. Nu geldt dus ook voor hem, wat hij altijd zei tegen bewoners van een te restaureren huis: 'U bent nooit de eerste bewoner van het huis en nooit de laatste.' Hoorn is zijn nieuwe woonplaats geworden, dicht bij de kleinkinderen. Amsterdam regelmatig betreden via het Centraal Station, dat lijkt hem boeiend.

Ben Kroon

(Uit: Binnenstad 113, febr. 1989)

[Afscheidsrede Henk Zantkuijl]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.