Wat zijn woorden waard?

In het handzame boekje 'Ruimtelijke planconcepten' dat als bijlage II bij de concept-nota van uitgangspunten voor de IJ- oevers verscheen, eindigt de inleiding van ir. A. W. Oskam aldus: 'Een les die we van onze rijke stedebouwkundige geschiedenis moeten leren is dat het plan op alle denkbare nivo's overtuigend moet zijn. Amsterdam is op elke satellietfoto te herkennen en tegelijkertijd is Amsterdam ook vanuit elke straat herkenbaar. Op elk nivo is het goed en die eis moet ook aan het IJ-oeverplan worden gesteld: zowel als stedelijk silhouet als op microschaal moet het zijn fascinatie behouden; vanuit elke invalshoek, op elke kijkhoogte en met elke snelheid het doorkruisend. En bovenal mag het niet opdringerig, overweldigend, krachtpatserig of veeleisend zijn, maar ontspannen, hectisch, veelkleurig, humaan en van superieure kwaliteit.'
Het 'landhoofdenmodel' bij de Westerdokstoegang, rechts het Havengebouw (56 m) met ingetekend de nieuw te bouwen torens.

Behalve het woord 'hectisch' dat bij mijn weten zoiets als 'koortsachtig' betekent, kunnen wij het van harte eens zijn met de laatste zin. Vooral niet opdringerig enzovoort, maar van superieure kwaliteit - akkoord, maar klopt het verhaal?

Amsterdam is werkelijk niet vanuit elke straat herkenbaar en op elk niveau goed. Dat men op satellietfoto's het inderdaad unieke stedebouwkundig patroon van de binnenstad herkent, zal wel waar zijn en wellicht geldt dat ook voor Berlage's plan-Zuid. Tussen de binnenstad en de gordel 20-40 met zijn karakteristieke Amsterdamse-school architectuur ligt echter de brede strook van de eind-19de-eeuwse aannemersaanleg, die volgens puur-speculatieve richtlijnen ontstond en heel weinig stedebouwkundige en architectonische kwaliteiten toont. Het beste wat ervan kan worden gezegd is dat het ontbreken van de allure die de stadsplanning uit die tijd in vele Europese steden kenmerkt - de boulevards van Parijs of de Ring in Wenen zijn bekende voorbeelden - ook de afwezigheid meebracht van een pompeuze facade- architectuur die erbarmelijke woontoestanden moest verbergen. De Govert Flinckstraat, om er slechts één te noemen, is in ieder geval menselijker van maat dan de contemporaine huurkazernes in onze buurlanden, maar architectonische kwaliteit, nee, dat kan geen mens volhouden. Wel blijkt nu dat in de ongeveer honderd jaar oude buurten, ondanks hun miserabele aanleg en niet al te beste bebouwing, een doorleefdheid en een warmte zijn ontstaan die veel beter ontworpen wijken van na de oorlog missen, en misschien door hun strak gereglementeerde grootschaligheid wel nooit zullen krijgen.

Waar wij voor moeten waken is de bombastische standwerkerstaal, waarmee ons oordelen worden aangepraat. Jan Blokker koos als titel voor het boek over honderd jaar informatie in Nederland dat hij in opdracht van de jubilerende uitgever Kluwer schreef, een regel uit het gedicht 'de wolken' van Nijhoff: 'de wond'ren werden woord en dreven verder'. Het gaat over de ervaring van de dichter die als kleine jongen met zijn moeder in de warme hei lag en landen, dieren en mensen ontdekte in de vormen van de wolken en die 'wonderen werden woord'. Nu gebeurt het omgekeerde. Woorden als 'toplokatie' of 'hoge ruimtelijke kwaliteit' spiegelen iets wondermoois voor dat bij nuchter toezien niet méér betekent dan een voorbijwaaiende wolk. Wie herinnert zich nog het klaroengeschal over de Bijlmermeer? Dat zou het nog nooit geëvenaarde hoogtepunt van stedebouw en volkshuisvesting worden.
Toen het ontwerp ter tafel lag in het ambtelijk overleg, stelde mej.Jr. Mulder, hoofd Stadsontwikkeling, de vraag: 'Zou in de honingraatblokken een meisje veilig van de ene kant naar de andere kunnen lopen?' Daar werd zachtjes om gelachen door de jongere stedebouwers: kom, kom, zo'n bezorgde oude dame...

De vraag raakte echter precies de kern van de zaak, namelijk de verhouding tussen de menselijke maat en de maten van de gebouwde omgeving. Hiermee wordt niet bedoeld dat groot altijd beangstigend hoeft te zijn. Wie voor het eerst op het Sint Pietersplein in Rome komt, zelfs op een stil moment zonder mensenmenigte, voelt zich niet neergedrukt, maar als toeschouwer, of zelfs als medespeler, opgenomen in een geweldige ruimtebeleving. De sensatie die het World Trade Centre in New York wekt, is precies het tegenovergestelde.

Tekening uit het Amerikaanse tijdschrift Apollo (1976) bij artikel 'Does Mega-Architecture work?'

Het hierbij afgebeelde plaatje komt uit een Amerikaans tijdschrift Apollo, van 1976, en staat bij een zeer kritisch artikel, getiteld 'Does Mega-architecturework?'. Het antwoord van de schrijver is duidelijk: No, it doesn't work. Een gebouw van ruim 400 m hoog is een ramp voor de mensen die er in moeten verblijven. Waar ligt de grens, op 300, 200, 100, 75 meter? De Domtoren van Utrecht meet ruim 100 m, onze Westertoren 86. De hoogte van de oude kerktorens is één uit drie kenmerkende eigenschappen. Minstens zo belangrijk is de verfijnde vormgeving en geleding, en als derde eigenschap kan de contrastwerking gelden tussen de toren en het omringende dakenpanorama. Het resultaat is dat de monumentale kerktorens telkens een schokje van bewondering teweegbrengen wanneer ze in het zicht komen.
Dat gebeurt nu al vele generaties lang: wat een vreugde hebben de torenbouwers aan al die miljoenen stadgenoten na hen verschaft! Zou iemand ooit iets dergelijks ervaren bij het Okura-hotel of bij de Nederlandse Bank, zelfs voordat er die nóg lelijker cilinder naast werd gebouwd?

Laten we de dingen bij hun naam noemen en op hun eigen waarde schatten. Kantoortorens, of ze nu een rechthoekige of ronde plattegrond hebben, of ze 75, 100 m of nog hoger zijn, of ze in glas of in natuursteenplaten worden verpakt, blijven maatloze, visueel oninteressante en meestal het stadsbeeld verstorende klonten. De huidige constructie- en lifttechniek maakt zulke bouwsels mogelijk, en voor de beleggers die de ondernemingen financieren betekent elke laag méér een beter rendement, zeker wanneer er, zoals langs de IJ-oevers, tot 60 m diep voor moet worden gefundeerd. Kantoortorens zijn een bijprodukt van de eind-20ste-eeuwse economie, of we het prettig vinden of niet, net zoals de gifbelten en de zure regen bijprodukten zijn van de chemische industrie. Het beste wat onze generatie kan doen is de schade zoveel mogelijk beperken.
Daarvoor is in de eerste plaats een rechtsgeldig stedebouwkundig plan nodig dat duidelijke grenzen trekt zodat het niet meer kan gebeuren dat een handige projectontwikkelaar het voordeligste plekje inpikt voor een misplaatst en te hoog gebouw. Het in de aanhef van dit artikel genoemde boekje heeft in ieder geval de verdienste dat met veel illustraties drie modellen ter keuze naast elkaar staan. Van de drie houdt het 'stadsfrontmodel' zich zoveel mogelijk aan de gemiddelde 22 meter hoogte van de stad, behalve aan de eindpunten, het Barentszplein en de Oostelijke Handelskade, waar torens van 100 m kunnen komen. Verder voorziet dit model in een nogal gesloten front van bouwblokken langs het water, zodat de IJ-boulevard het karakter krijgt van een drukke verkeersweg, zoals de Weesperstraat. Van de leuze dat 'het IJ aan de stad teruggegeven moet worden', blijft dan weinig over, er staat een muur tussen de oude stad en het water. De Dienst Ruimtelijke Ordening is van mening dat het 'stadsfrontmodel' geen kans heeft, omdat het financieel niet aantrekkelijk zal zijn. Het 'clustermodel' wil, behalve de twee 100 m hoge torens op het Barentszplein en de Oostelijke Handelskade, samenklonteringen van hoge gebouwen ter weerszij van het Centraalstation. Dat geeft een gunstige grondexploitatie, en het zal vooral kantoren aantrekken. Een bezwaar is dat de vaargeul in het IJ naar het noorden moet worden verlegd. De voorkeur van de dienst gaat uit naar het 'landhoofdenmodel.'. Hier zien wij weer de beide reeds genoemde torens aan de uiteinden, en verder geïsoleerde torens van 65 tot 75 m op 'landhoofden': één aan de oost- en twee aan de westzijde van het Centraalstation. Bij de Wester- en Oostertoegang van het station komen verder lagere torengebouwen, die 55 m mogen worden, dat is even hoog als het Havengebouw en het Hoofd postkantoor. Van dit 'landhoofdenmodel' stelt de dienst zich veel voor. Het stelt hoge eisen aan de vormgeving, de grondexploitatie is gezond, al heeft deze weinig reserves, maar het biedt veel mogelijkheden voor publieksfuncties, het zal aangenaam verblijven zijn langs het IJ bij de torens.

Het klinkt erg onvriendelijk om het een keuze te noemen tussen pest, cholera of tyfus, en dan zonder arts in de buurt, maar het lijkt er wel op. Kantoortorens van 55 tot 100 m zijn nu eenmaal niet 'ontspannen, veelkleurig, humaan en van superieure kwaliteit', het zijn en blijven ondingen. Het is een verdienste van het boekje 'Ruimtelijke planconcepten' dat de illustraties een duidelijke indruk geven van wat ons te wachten staat bij realisering van één van deze plannen.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 116, aug. 1989)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.