Symposium 'Het stadsgezicht beschermd?'

Het Symposium "Het stadsgezicht beschermd?" op 13 september in de David Röellzaal 'van het Rijksmuseum werd geopend door de voorzitter van de overleg-groep prof.dr. L.H. van der Tweel. Na een welkomstwoord namens het Rijksmuseum was de eerste spreker prof.dr.ir. F.W. van Voorden over de betekenis en de ontwikkeling van het begrip "beschermd stadsgezicht". Frans Amende toonde vervolgens aan de hand van vaak schrikwekkende dia's de aantastingen van het stadsbeeld door schaalvergroting en dissonante architectuur. De ochtendzitting werd besloten door Geurt Brinkgreve die vele voorbeelden liet zien van herstel en herbestemming van vervallen monumenten. 's Middags kwam eerst mr. J.A.L. Rehbock aan het woord over de wettelijke mogelijkheden van bezwaarschriften en beroepsprocedures. Prof. J. van Stigt was de laatste inleider; hij sprak over de manier waarop een hedendaagse architect dient om te gaan met de maat van de stad en de inrichting van de openbare ruimte. Een levendige discussie volgde onder leiding van de heer Pelle Mug. Het slotwoord werd uitgesproken door drs. R.J. de Wit, commissaris der Koningin in Noord-Holland. Van zijn rede zijn enkele fragmenten hier opgenomen.

Ongeveer anderhalfjaar geleden is een begin gemaakt met de ambtelijke procedure die moet leiden tot aanwijzing van de Amsterdamse binnenstad tot beschermd stadsgezicht. Dit feit was de aanleiding tot een symposium, op 14 september in de David Röellzaal van het Rijksmuseum, onder de titel 'Het stadsgezicht beschermd?' Het initiatief ertoe was genomen door vijf samenwerkende verenigingen: het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, het Genootschap Amstelodamum, de Bond Heemschut, de Vereniging 'Hendrick de Keyser' en de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad. Het hier geboden verslag geeft een beknopte samenvatting van de belangrijkste punten die bij de voordrachten en de discussie naar voren kwamen.

Geen overbodige luxe

Het is gebleken, dat het geen overbodige luxe was om nu eens niet voor afzonderlijke monumenten de aandacht te vragen of voor het restauratiewerk in de oude stad, maar voor het samenstel van die stad als geheel, huizen en bijzondere gebouwen samen met straten en pleinen, water en groen, kortom het totaal als structuur, maar niet alleen dat, ook als levend organisme. Concrete aanknopingspunten voor een gedachtenwisseling daarover waren er genoeg, met name grote actuele projecten; in uitvoering (de bouw van Wagon-Lits, om er een te noemen), gepland (een Hogeschool voor de Kunsten bij de Mozes en Aaronkerk en de synagoges), of in discussie (bijv. het verkeers- en vervoersplan 1990).

Het is op het Symposium duidelijk geworden, dat het begrip 'beschermd stads- (of dorps-) gezicht' wel enige toelichting behoeft. Het is nog niet ouder dan de Monumentenwet van 1960. Die wet zelf gaf allerminst een afdoende omschrijving of een uitputtende regeling. Bij de behandeling ervan in de Kamer zijn bij amendement enkele artikelen toegevoegd, die het 'beschermde gezicht' introduceerden. De bedoeling daarvan was, dat niet alleen afzonderlijke monumenten aandacht zouden krijgen, maar ook groeperingen van gebouwen in samenhang met de aanleg. Hoe men zich dat precies moest denken, zou bij de uitvoering van de wet moeten blijken. Op het Symposium is uit de doeken gedaan, dat aanvankelijk met het nieuwe, nog oningevulde begrip vooral geëxperimenteerd is in kleine kernen van hoog monumentaal gehalte. Overzichtelijke groeperingen van meer en minder belangrijke monumenten in hun historische samenhang, gezien in het kader van de in de loop van de tijd gegroeide stedebouwkundige structuur, waarbinnen ze figureren. Complexen dus, waarin het monumentaal belang een primaire rol speelt. Pas gaandeweg kreeg men duidelijker ideeën, hoe het fenomeen 'beschermd gezicht' zou kunnen worden toegepast voor conglomeraten van grote omvang, waarin de monumenten weliswaar een factor van betekenis zijn, maar niet meer dan dat. Waarin naast het monumentenbelang andere zaken om aandacht en behartiging vragen, soms in regelrechte concurrentie met het monumentale aspect. Hoe groter het complex, en hoe gevarieerder de functies ervan, hoe moeilijker het is om te komen tot de juiste afweging van de verschillende belangen die in de regeling van het 'beschermd gezicht' en bij de uitvoering daarvan dient plaats te vinden. Dat het tijd gekost heeft, voordat men greep kreeg op het begrip, wordt opgegeven als een van de voornaamste oorzaken, waarom eerst thans voor het grote en uit oogpunt van monumentenzorg zo belangrijke gebied van de Amsterdamse binnenstad een 'beschermd gezicht' aan de orde is gesteld. Daarbij valt nog het volgende op te merken. Bij het voorstel tot aanwijzing behoort ook een motivatie, die zorgvuldig moet worden geformuleerd. Enigszins vergelijkbaar met de redegevende omschrijving bij de voorstellen tot plaatsing van een gebouw op de monumentenlijst. De argumentatie wordt zowel ontleend aan de karaktertrekken van het 'gezicht', (de fysiek), als aan de historie. Zij is van belang voor de toekomstige bepalingen van het plan. Dit, gevoegd bij het feit dat de door de wet voorgeschreven procedure tot aanwijzing omslachtig van aard is, maakt dat in het algemeen met een aanwijzing veel tijd is gemoeid.

Binnenstad: belangrijk document van vroegere datum

Op het Symposium is gememoreerd, dat er al heel wat denken over de Amsterdamse binnenstad is voorafgegaan aan het huidige voorstel inzake bescherming van het 'stadsgezicht'. Als belangrijk document van vroegere datum dat mede gericht was op handhaving van het karakter van de binnenstad, is genoemd de 1e Nota Binnenstad 1955. Dat er buiten de ambtelijke stukken om ook heel wat denken over de Amsterdamse binnenstad in geschriften neerslag heeft gevonden, weet ieder die bekend is met wat zich na de oorlog in deze stad zoal heeft afgespeeld. Aan de aanwezigen in de David Röellzaal is de spiegel van het verleden echter vooral voorgehouden om hun duidelijk te laten zien, hoe het historische stadsgezicht meer dan eens het slachtoffer dreigde te worden van inzichten die een aantal jaren later achterhaald bleken. De voorbeelden liggen voor het grijpen. Wie zou nu nog de Reguliersgracht willen dempen? Wie kan er nu nog staan achter de plannen, die eens gemaakt zijn voor de Sint Antoniesbreestraat en omgeving, waar destijds alleen, dankzij het de Pintohuis, een stokje voor kon worden gestoken? De meest treffende waarschuwing in dit verband was voor de toehoorders het nog weer eens in herinnering roepen van de oude slopingsplannen voor de Jordaan. De les hiervan, in beeld en woord, in groot overzicht en in detail toegediend, kwam duidelijk over. Inderdaad: wie bij de planning voor en in een historisch stadsgezicht de historie te zeer veronachtzaamt, loopt gevaar zelf door de geschiedenis te worden ingehaald en veroordeeld.

Modieuze voorkeur voor hoogbouw

Uitdrukkelijk is bij de nabeschouwing dan ook nog eens gewezen op het gevaar van modieusheid. Momenteel bij voorbeeld een zekere modieuze voorkeur voor hoogbouw, waardoor onherstelbare schade zou kunnen worden toegebracht aan het Amsterdamse stadsgezicht. In het algemeen kan gesteld worden, dat het gebruik van de stad, en de ideeën daarover, wisselen, maar dat een historisch stadsgezicht maar één keer kan worden vernield.

Begrenzing van het te beschermen gebied

Een ander punt dat, zij het meer impliciet, aan de orde kwam, was dat van de begrenzing van het in Amsterdam te beschermen gebied. Concentratie van de aandacht op de binnenstad zal zeker niet met zich mee mogen brengen, dat er te laat wordt gekeken naar hoogst waardevolle stadsdelen uit latere tijd. Met name het op grondslag van Berlages plan gebouwde Amsterdam-Zuid is in dit verband onder de aandacht gebracht, maar het is natuurlijk niet het enige voorbeeld buiten de oude stad. Gelukkig zijn stedebouwkundige en bouwkundige kwaliteit, in samenhang, op allerlei plaatsen in Amsterdam te vinden.

Wat kan het 'beschermd gezicht' voor de binnenstad inhouden?

Natuurlijk wilde het Symposium oproepen tot nadenken over de vraag: wat kan het 'beschermd gezicht' voor Amsterdam - voorlopig dan dus de binnenstad - inhouden? Het is van belang dat de bevolking geïnformeerd wordt waar de overheid bij de voorbereiding van het gezicht in dit opzicht van uitgaat. Eén ding is duidelijk, ook gezien de strekking van de wet en de toepassing tot op heden: er wordt geen 'bevriezing' van het beeld beoogd, en evenmin uitsluiting van moderne bouw. Bij de ontwikkeling en de daarmee verband houdende regelmatige vernieuwing behoeft contrast niet te worden geschuwd, maar op de juiste onderlinge relatie van nieuw tot bestaand dient te allen tijde te worden gelet. Zeker mogen van het beschermd gezicht bepalingen worden verwacht op het gebied van parcellering, schaal en maat. Maar ook andere bepalingen die tot strekking hebben respect voor de bestaande omgeving af te dwingen - mocht dit bij de directies en architecten van bankgebouwen, of zelfs van een Hogeschool voor de Kunsten, niet in voldoende mate aanwezig zijn. Voor de gebouwen valt te denken, behalve aan de al genoemde maat en schaal, aan aspecten van vormgeving, materiaal en kleur. Voor de omgeving aan groen, water, en, in het algemeen, de leefbaarheidsgraad. Het is duidelijk dat, net als bij individuele monumenten, ook bij conglomeraten de bescherming die wetsartikelen bieden, niet meer kan zijn dan een hulpmiddel. Zij is geen panacee, geen tovermiddel dat veiligheid waarborgt. Voor een werkelijke veiligheid is heel wat meer nodig. Bij voorbeeld een nuttig dagelijks gebruik, dat niet de oorspronkelijke bestemming behoeft te zijn, maar dat wel aan het fungeren van het historisch overgeleverde een maatschappelijke en sociale basis geeft. Verder: geld, om de extra kosten met de instandhouding gemoeid te kunnen betalen. Men zou hier aan kunnen toevoegen: een zekere luwte. Er moet een interesse zijn voor het historische, waardoor het zijn kansen krijgt in de concurrentieslag met andere belangen, ook als die van een zodanig zwaar gewicht zijn, dat het onredelijk zou zijn om aan het monumentale aspect het primaat te geven. Alleen dan zal dit laatste de risico's die commercialisering van de samenleving, gepaard met economische opleving en grootschaligheid van de toeristenindustrie, opleveren, het hoofd kunnen bieden. Het is een mentaliteitskwestie, mogen we misschien zeggen. Dit aspect stelde de gastheer van het Symposium, de heer Filedt Kok, directeur van het Rijksmuseum, bij de begroeting al aan de orde, toen hij vertelde dat enige jaren geleden de hoofddirectie besloten heeft om de historische en artistieke kwaliteit van het gebouw, en van het gebouw in zijn omgeving, te laten prevaleren boven uitbreiding.

'Dynamische ontwikkeling' voor rede vatbaar?

De discussie over de met elkaar strijdige belangen, en de afweging daarvan, dient continu plaats te vinden, en het is terecht dat verenigingen, zoals die het Symposium organiseerden, daarin hun woordje meespreken. De 'dynamische ontwikkeling', waarmee de historische stad als partner moet samenleven, moet tot praten bereid en voor rede vatbaar zijn. Dat 'dynamische ontwikkeling' geenszins een slechts voor één uitleg vatbaar begrip is, is op het Symposium ook nog weer eens duidelijk naar voren gekomen. Behoort groei van de woonfunctie, die op verscheidene plaatsen de voorheen schijnbaar onaantastbare kantoor- en bedrijfsfunctie verdringt, er ook niet toe? Voorts: kennen de oplossingen, die ten bate van de dynamische ontwikkeling worden aangedragen geen alternatieven? Verdient bij het, op zichzelf noodzakelijke, verkeers- en vervoersplan tegenover de idee van een doorbraak door de binnenstad die van een veel stadsvriendelijker metroring om de oude binnenstad niet te worden bekeken? 'Ten stadhuize' wordt het beleid vastgesteld en de uitvoering in de hand gehouden van de zorg voor zo diverse zaken als de inkomsten van de stad, het behoud van de monumentale waarden, de volkshuisvesting en de verblijfskwaliteit van openbare ruimten, om enkele in ons verband belangrijke punten aan te stippen. Het zou naïef zijn om de problematiek en de controversiële elementen die in die belangenbehartiging liggen opgesloten niet te erkennen. Maar juist ook daarom is - desnoods hinderlijk - begeleiden van de overheid in haar doen en laten stadsbelang. Ook hier geldt: de begrippen waarmee gewerkt moet worden zijn niet monoliet, niet eenduidig. Wat te verstaan onder volkshuisvesting?

De kleine zelfstandige burgers moeten ook aan hun trekken kunnen komen, en niet alleen de bewoners van volkswoningbouw of die van luxe appartementen. Om een ander punt te noemen: hoe ver reikt het belang van de begroting? De stad mag niet worden 'verkocht' ten bate van de stadsfinanciën.

Aspect van de welstand

Ten slotte: het kon moeilijk anders, of ook het aspect van de welstand kwam meer dan eens op het Symposium ter sprake. Het is nu eenmaal onlosmakelijk verbonden aan dat van de bescherming van de kwaliteit van het stadsgezicht. Trouwens, de grenzen tussen welstand en monumentenzorg zijn niet duidelijk te trekken. Ook hier dus weer het spanningsveld tussen 'dynamische ontwikkeling' en zorg voor het behoud van bestaande waarde. Nieuwe ontwikkelingen kunnen blijvend schade veroorzaken als er niet tijdig op wordt gelet, zoals het 'penthouse', maar ook schade van tijdelijke aard, zoals reclames en straat- en plein-opvulling en -verloedering, tot profijt van de enkeling en medeprofijt van de stad. Wat tijdelijk van aard is kan in continue wisseling het karakter krijgen van een permanente stadsvervuiling. Dat niet alleen handelen van stads-wege, maar ook nalaten het effect van veel goede bedoelingen en inspanningen kan verstoren, is op het Symposium nog eens gememoreerd naar aanleiding van de woonboten. En wat te denken van de resultaten van het gedogen van bouwen zonder de vereiste bouwvergunning? Het is al met al begrijpelijk, dat er bij de nabeschouwing voor gepleit is, het welstandstoezicht in een vroeg stadium in de plannen te betrekken.

Meedenken bevolking van grote betekenis

De verenigingen, die het Symposium in overleg organiseerden, hadden niet de bedoeling om voor hun eigen activiteiten reclame te maken. Toch heeft de voorzitter van de overleggroep er terecht op aangedrongen ze te steunen. In ons democratisch bestel is meedenken door de bevolking met de gemeenteraad, B. en W. en de diensten van grote betekenis. Hoe omvangrijker het terrein en hoe ingewikkelder de problematiek, hoe belangrijker de steun van de burger. Het is dan ook begrijpelijk en gelukkig dat juist Amsterdam op het gebied van verenigingen en actiegroepen meer te bieden heeft dan enige gemeente in ons land. Met het Symposium 'Het Stadsgezicht beschermd?' hebben een aantal ervan, bekend als 'oudheidkundige', getoond gezamenlijk hun verantwoordelijkheid voor heden en toekomst te verstaan. Zij nodigen alle inwoners van Amsterdam, die hun inzichten en hun optreden waardevol achten, uit, zich bij hen te voegen, opdat continuering van hun activiteiten en verjonging van hun ledenbestand en bestuursverband gewaarborgd zijn.

Prof.dr.C.A. van Swigchem

(Uit: Binnenstad 123, okt. 1990)

[Hoogbouw in het Amsterdamse stadsbeeld]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.