Hoogbouw in het Amsterdamse stadsbeeld

Onder deze titel heeft de Dienst Ruimtelijke Ordening een handzaam boekje samengesteld, dat ruime verspreiding en aandachtige lezing verdient. De reproduktie van de zwart-wit foto's had beter gekund, maar dat zal wel aan het beschikbare budget liggen. De kaarten die aangeven waar hoge gebouwen staan en waar deze worden geprojecteerd, en wat het visuele effect is op de omgeving, zijn daarentegen zeer instructief.

Hoogtens kan worden opgemerkt dat de zone "beeldbepalend op enige afstand" in werkelijkheid aanzienlijk groter is dan het kaartbeeld aangeeft. In een stuk van een gemeentelijke dienst is geen directe kritiek op het gemeentelijk beleid te verwachten, hoogstens een diplomatiek geformuleerde waarschuwing. Té algemeen wordt aangenomen dat het beleid - of wat de burgerij als beleid ervaart - in feite wordt bepaald door het ambtelijk apparaat. Het gangbare antwoord op een adres aan de Raad - volgens de Gemeentewet van Thorbecke nog altijd het hoofd van de gemeente - is immers dat het "in handen wordt gesteld van Burgemeester en Wethouders ter afdoening", en dan volgt na geruime tijd een omslachtig geformuleerd ambtelijk kluitje-in-het-riet. Wat de buitenwereld niet ziet zijn de degelijk doorwerkte interne adviezen die terzijde worden gelegd als het op beslissen aankomt. Dat kan gebeuren omdat het advies politiek "niet lekker ligt", of omdat lawaaiage actiegroepen dreigen of machtige bedrijven druk uitoefenen. De politieke kretologie is bovendien wisselvallig, wat het ene moment "principieel" wordt afgewezen, kan een paar jaar later als redding worden begroet. Dat het ambtelijk apparaat dan een grotere consistentie toont, heeft zijn v W- en nadelen. De laatste zijn het meest zichtbaar: dat zijn de bekende bemoeizucht en onverstoorbaarheid van de bureaucratie. De voordelen vloeien voort uit de in jarenlange praktijk en vakstudie opgebouwde deskundigheid. De vroegere afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken - S.O. - had in dit opzicht een grote reputatie, die door de huidige Dienst Ruimtelijke Ordening - R.O. - met veel geringere middelen zo goed mogelijk wordt gehandhaafd.

Hoge gebouwen moeten op de goede plek staan

Een van de standpunten van S.O. was dat de bouwhoogten niet bepaald mogen worden door prestigezucht of winstoogmerken van de bouwheer, maar door de functie die het individuele gebouw krijgt in het omringende stadsbeeld. Gebouwen die uitsteken boven de in het vooroorlogse Amsterdam gebruikelijke vijf lagen worden daardoor niet uitgesloten, maar zij moeten wél op de goede plek staan, zoals de "wolkenkrabber" in de as van de Vrijheidslaan, of de voormalige Rijksverzekeringsbank op de hoek van de Apollolaan en de Stadionweg in de as van het Amstelkanaal. In de jaren zestig toen in tal van Europese steden in de euforie van wederopbouw en economisch herstel lukraak her en der torengebouwen verrezen, was het gezag van S.O. groot genoeg om soortgelijke projecten uit de Amsterdamse binnenstad weg te houden. In diezelfde tijd werd bij de aanleg van de tuinsteden hoogbouw welbewust toegepast voor duidelijke accenten in het stedebouwkundig plan. Woontorens aan de Sloterplas en langs de Van Nijenrodeweg zijn daarvan voorbeelden. Ruimte en boombeplanting vullen het beeld aan, en het geheel heeft een evenwichtige samenhang. Het boekje van R.O. toont dit in tekst en illustratie, en zoiets is nuttig voor degenen die nu bezorgd zijn over de IJ-oeverplannen. Het heeft geen zin tekeer te gaan tegen het feit dat de techniek van staal- en betonskeletten en van liften de vroegere grenzen van baksteen, houten balklagen en trappen hebben doorbroken, maar het heeft wal zin om na te denken over het waarom en het waar, over beweegredenen en locatie. De publicatie van R.O. richt zich op één aspect van het fenomeen hoogbouw: het visuele. "Hoogbouw dringt zich op aan alle bezoekers, bewoners en werkers van de stad en daarom is het zaak ervoor te zorgen dat eventuele hoogbouw een verrijking is van de bestaande stadsstructuur... Overige aspecten zoals bereikbaarheid, dichtheid, parkeren, beganegrondfuncties en hinder voor de omgeving krijgen in het algemeen reeds voldoende aandacht bij de situering van een gebouw in de stad". Daaraan kan worden toegevoegd: de voor- en nadelen van het verblijven in ruimten waar men geen contact meer ervaart met wat zich verweg beneden op de grond afspeelt: een keuze tussen de attractie van een wijd uitzicht en het onaangename gevoel van duizelig makende ontworteling.

"Een aantal hoogbouwinitiatieven is tot nu toe terecht tegengehouden. Andere echter zijn, soms helaas, zonder noemenswaardige discussie accoord bevonden. Een structureel uitgangspunt ontbreekt. Reeds 3 jaar geleden is een poging gedaan om tot een beleid te komen echter zonder tastbaar resultaat". (biz. 6). Bij incidentele hoogbouw in een bestaande omgeving "kunnen vooraf van gemeentezijde uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld worden met betrekking tot de toelaatbare functies, bouwhoogte en te verwachten neveneffecten. Deze randvoorwaarden blijken in de praktijk echter steeds weer voor onderhandeling vatbaar zodra de projectontwikkelaar met een concreet voorstel komt. Het komt vrij vaak voor dat het gemeentebestuur kiest voor het belang van vestiging van een bepaald bedrijf op een bepaalde plaats, ook al levert dit in ruimtelijk opzicht een ongewenst beeld op... Het bestuur dient zich bewust te zijn van de verantwoordelijkheid die het neemt door af te wijken van een stedebouwkundigadvies. Hoogbouw is zo in het oog springend dat voorbijgangers en gebruikers er jarenlang plezier aan kunnen beleven of er zich jarenlang aan kunnen ergeren", (blz. 10).

Duidelijke taal

Dat is, met gepaste voorzichtigheid, duidelijke taal. Minder diplomatiek gesteld zou de tekst kunnen luiden: Burgemeester en Wethouders rommelen maar wat aan met hun bouwvergunningen, er wordt gemarchandeerd met bouwhoogten die uiteindelijk door beleggersbelangen en opschepperij worden bepaald, de hoge gebouwen komen op verkeerde plekken en verknoeien het stadsbeeld, de grote stedebouwkundige traditie van Amsterdam, vastgelegd in de grachtengordels, Berlages plan-Zuid en het Algemeen Uitbreidingsplan, wordt te grabbel gegooid. Niet voor niets verwees de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het vorige jaar naar die traditie in een waarschuwing tegen "ad-hoc planologie".

Versterking stadsbeeld

De Dienst R.O. laat het niet bij een signaal dat het verkeerd gaat. In de paragraaf "Voorstel voor versterking van het stadsbeeld" wordt, aan de hand van een analyse van de in opeenvolgende perioden ontstane zones die samen de stad vormen, nagegaan waar hoge gebouwen zouden kunnen komen. "Door nu zorgvuldig te werk te gaan, vergroot men de kans op behoud van het waardevolle van nu, en versterkt men het stadsbeeld door hoogbouw op de juiste plaatsen te ontwikkelen". Als mogelijkheid van dit laatste wordt de omgeving van het Olympisch Stadion genoemd, een voorbeeld van volstrekt foute situering biedt het Okura-hotel. "De geplande hoogbouw aan het Oosterpark (OLVG) is zeer discutabel, evenals extreme hoogbouw op het WG-terrein". Een misgreep is ook het plan om aan de Omval kantoortorens van 125,100 en 75 m neer te zetten. Voor ons als "Vrienden van de Binnenstad" is de meest klemmende vraag: "en de IJ-oevers?" Op dit punt is R.O. terughoudend. "Op zorgvuldig gekozen plaatsen is hier ruimte voor hogere gebouwen. Een belangrijke vraag hierbij is in welke mate de uitstraling van deze nieuwe ontwikkeling in de oude binnenstad merkbaar of zichtbaar moet zijn.... Voor de verdere uitwerking van eventuele hoogbouw-voorstellen wordt verwezen naar de IJ-oeverplannen en de discussie daarover. Aan de architectuur zullen zeer hoge eisen gesteld moeten worden".

Ambtelijke behoedzaamheid

Om iets meer reliëf aan deze ambtelijke behoedzaamheid te geven volgt hier een citaat uit "Plan - Tijdschrift voor ontwerp en omgeving" van 1 februari 1989. "Door succesvolle resultaten, behaald in het verre Boston en Baltimore, lijken stadsbestuurders van zowel Amsterdam als Rotterdam er hierbij van overtuigd dat wijd en winderig water zo ongeveer de belangrijkste vestigingsvoorwaarde is voor projectontwikkeling van internationale betekenis. Zulk sjabloondenken is gevaarlijk. Op uiterst speculatieve gronden wordt de bestuurlijke aandacht en creativiteit gekluisterd aan dwangmatige wallekant-concep-ten, waarvan er internationaal zo langzamerhand dertien in een dozijn gaan. Rotterdam kan bij gebrek aan attractieve andere lokaties, net als veel Noordamerikaanse steden, weinig anders en is tot zo'n concept veroordeeld. Een veelzijdige stad als Amsterdam kan en moet zich echter de vrijheid permitteren om internationale concurrentiekracht te putten uit het (verder) accentueren van het (binnen)stedelijk functioneel en stedebouwkundig profiel". De tekst is van Marten Bierman en Martin Dijst van het Interuniversitair Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek (SISWO) en klinkt een stuk verstandiger dan propagandaverhalen over prestigieuze glamour-projecten op toplokaties... Wat R.O. bepleit is het toetsen van hoogbouwplannen aan een aantal criteria die verankerd liggen in een samenhangend stedebouwkundig beleid, zodat ieder, ook de projectontwikkelaars en ook de deelraden, weten waaraan zij zich moeten houden. Niet voor niets heeft het hier besproken boekje de ondertitel "Elk stadsdeel zijn eigen toren?"

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 123, okt. 1990)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.