IJ-oevers

Raadsadres

Aan de Gemeenteraad van Amsterdam
Stadhuis
Amstel 1
1011 PN Amsterdam

Geachte Raadsleden,

Het Oosterdok

Nu de gedachten over de toekomstige gestalte van het Stationseiland en zijn omgeving in het overleg tussen de Gemeente, de Nederlandse Spoorwegen en de Amsterdamse Waterfront Financieringsmaatschappij vastere vormen aannemen, willen de aan het slot van deze brief genoemde organisaties u hun mening kenbaar maken over het Oosterdok.

In vele prenten en schilderijen is vastgelegd hoe indrukwekkend het profiel van het Amsterdamse waterfront geweest is vóór de aanleg van het Centraal Station en de spoordijken: het wijde watervlak als voorgrond van de monumentale gevelwanden en de torenspitsen.

Van dit weergaloze stadsbeeld is nog één fragment over: het Oosterdok, omrand door het Scheepvaartmuseum en de huizen van de Prins Hendrikkade. Het Scheepvaarthuis van architect J.M. van der Mey doorbreekt in beperkte mate de schaal doch verrijkt het geheel door zijn fraaie detaillering. Het watervlak is veel kleiner dan eertijds, het wordt doorsneden door de ingang van de tunnel, maar het is nog nét uitgebreid .genoeg om de ruimtelijke werking zichtbaar en voelbaar te maken.

Wij geven ons rekenschap van het feit dat deze stedebouwkundige kwaliteit niet kan worden uitgedrukt in cijfers van grondexploitatie en rendement van bouwinvesteringen. Slechts indirect, via het toerisme, hebben monumentale waarden ook een economische betekenis. Wanneer men echter een voorbeeld zoekt van wat de woorden "grootsheid", "allure" of zelfs "topkwaliteit" werkelijk betekenen, dan kan het antwoord zijn: zie het Oosterdok zoals het nu nog is.

Het voornemen om het Oosterdok opnieuw te verkleinen door een aanplemping aan de Oosterdoksdijk ten einde daar vijf torens van 55 meter hoogte te bouwen, en om de vaarweg naar het I] visueel af te sluiten met een daar te bouwen "Science Centre" getuigt van een fundamenteel gebrek aan inzicht en begrip voor stedebouwkundige allure. De kantoortoren van Wagon Lits aan het open havenfront demonstreert hoezeer een dergelijke bouwhoogte en massa de ruimtelijke werking verstoort. Het Oosterdok, de laatste herinnering aan het eens zo glorieuze waterfront dat zich "heerlijk opendeed" naar het IJ, zou door realisering van deze bouwvoornemens worden gedegradeerd tot een verfomfaaide vijver, behalve voor de bewoners van de geprojecteerde torens, zodat de plannen ten gevolge zullen hebben dat een kleine groep bevoorrechten een prachtig uitzicht op de Prins Hendrikkade ten geschenke zou krijgen ten koste van de waarde voor alle andere Amsterdammers en toeristen die nu nog genieten van wat er toch nog overgebleven is van voorheen.

Wat tenslotte het voorgestelde "Science Centre" betreft, moet worden opgemerkt, dat dergelijke instellingen in het buitenland in het algemeen over veel meer ruimte beschikken dan aan het Oosterdok kan worden gerealiseerd. Mocht zulk een instelling al succes hebben dan is te verwachten dat er onafgebroken druk uitgeoefend zal gaan worden voor uitbreiding, uiteraard alweer ten koste van het waterareaal. Om de concurrentie vol te houden zal immers, zoals de ervaring leert, de inhoud continu dienen te worden veranderd en aangevuld met de daarbij behorende faciliteiten voor het publiek.

De zwaarwegende bedenkingen tegen de bouwvoornemens aan het Oosterdok zijn herhaaldelijk naar voren gebracht. Zo heeft de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg reeds in oktober 1986 aan Burgemeester en Wethouders advies uitgebracht over de IJ-oevers en het Oosterdok, waarin sterk de nadruk gelegd werd op de noodzaak van het behoud van het water.
De Raad releveerde de bedenkingen die toen al bestonden tegen een mogelijke verkleining van het Oosterdok en tegen het realiseren van een bebouwingswand aan de Noordzijde.
Ook verklaarde de ARM zich tegenstander van de bouw van een museum buiten de bestaande oeverlijn en hij drong er verder op aan het parkeerterrein aan de kant van de Prins Hendrikkade, indertijd door aanplemping en aantasting van het Oosterdok tot stand gebracht, ongedaan te maken en 'te ontgraven. Hieraan kan worden toegevoegd dat de in aanbouw zijnde brug naar het "Nautisch Kwartier", andersluidende beweringen ten spijt, eveneens een pijnlijke aantasting veroorzaakt van de zichtlijnen over liet Oosterdok.

De toenmalige Amsterdamse Raad voor de Stedebouw bepleitte in zijn Nota Serie 1986 m. 13, gericht aan Uw Raad en aan Burgemeester en Wethouders, een uiterst voorzichtig handelen met betrekking tot het Oosterdok. De ARS drong erop aan zeer behoedzaam te werk te gaan en hij plaatste nadrukkelijk vraagtekens ten aan zien van eventuele aanplempingen en bouw van torens.

Resumerende verzoeken wij U met grote nadruk bij de verdere studies over de IJ-oevers, het Oosterdok en de omringende bebouwing ongemoeid te laten, een standpunt dat wij gaarne desgewenst zullen willen toelichten.

Met de meeste hoogachting,

Namens het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, het Genootschap Amstelodamum, de Bond Heemschut, de Verniging Hendrick de Keyser, de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, het Amsterdams Monumenten Fonds

prof.dr. L.H. van der Tweel,
voorzitter van het Amsterdam-overleg

Amsterdam, 26 mei 1992

(Uit: Binnenstad 135, aug. 1992)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.