Oude Kerk

Monument als museumstuk

Op 3 juni 1992 vond in de Sint Sebastiaans- of Handboogschutterskapel van de Oude Kerk een merkwaardige bijeenkomst plaats. Aan tafel zaten daar bestuursleden van de Stichting de Oude Kerk met hun architect prof. J. van Stigt, ambtenaren van de Rijksdienst, leden van de Amsterdamse Raad voor Monumententorg (ARM) en belangstellenden die bezwaar hadden gemaakt tegen het plan van het stichtingsbestuur om de exploitatiemogelijkheden van het gebouw te vergroten, onder meer door het aanleggen van een vloerverwarming.
De wonderlijke sfeer van de Oude Kerk onder de houten gewelven, gedragen en bijeengehouden door ijle kolommen, trekbalken en door grote ramen doorbroken muren.

Vooral tegen dat laatste onderdeel van het plan richtten zich de bezwaren. De Oude Kerk is een van de weinige gotische kerken in ons land die niet alleen nog haar complete middeleeuwse kapconstructie met houten gewelven heeft, maar ook haar oude vloer van los in zand gelegen hardstenen zerken, waaronder eeuwenlang werd begraven. Bij kerkrestauraties is het gebruikelijk geworden om moderne voorzieningen aan te brengen die als het buiten koud is, een gebruik, of medegebruik, voor concerten, tentoonstellingen en niet-kerkelijke bijeenkomsten mogelijk maken. Hoe dat kan functioneren toont de Nieuw Kerk, daar is ononderbroken zomer en winter een programma gaande van de meest uiteenlopende evenementen. De exploitatie van de Nieuwe Kerk is zonder meer een succes, maar dat komt niet vanzelf. Hoewel het gebouw bijzonder gunstig is gelegen, en de aanloop gestimuleerd wordt door een café met terras en vergaderzaal, moet de directeur de halve wereld afreizen om belangrijke tentoonstellingen, zoals de kerkschatten van de San Marco of de Indonesische beeldhouwkunst, naar Amsterdam te halen. Een uitzonderingspositie heeft de Nieuwe Kerk verder door een vast jaarlijks onderhoudssubsidie van f 200.000, en zo'n bedrag is wel nodig om het enorme gebouw in goede staat te houden.

Al die voordelen ontbreken in de Oude Kerk. Die is gelegen in de hoerenbuurt, waar het publiek van de Walletjes andere interessen heeft dan tentoonstellingen. Voor de omringende cafés geldt hetzelfde. De Oude Kerk is niet verwarmd, heeft geen eigen vergaderzaal, en ligt niet in de loop. Bovenal: de Oude Kerk krijgt geen jaarlijks onderhoudssubsidie, hoewel het gebouw zowat even groot is en een veel ingewikkelder dakenpatroon heeft. De Oude Kerk heeft echter kwaliteiten die De Nieuwe Kerk nooit zó heeft gehad, en in elk geval niet meer heeft als multifunctioneel gebouw voor culturele evenementen. Die kwaliteiten van de Oude Kerk zijn niet precies te omschrijven. Ze hangen samen met de wonderlijke sfeer van de ruimte waar de bezoeker de geschiedenis van de stad bijna tastbaar orn zich heen voelt: de middeleeuwse gilden-devoties, de Habsburger landsheren Maximiliaan en Philips de Schone, de kerkelijke armenzorg, de "grote schoonmaak" van de Alteratie verwoord in het bekende opschrift op het koorhek, daarna de strenge predikanten en hun bezwaren tegen het gebruik van een orgel bij de kerkdiensten, de orgelconcerten door Sweelinck, de gedenktekens voor gesneuvelde vlootvoogden, de zerken van grote regentenfamilies; het verhaal dat de kerk vertelt kan uren duren, en telkens ontdekt men nieuwe, boeiende details.

De oude vloer van los in het zand liggende grafterken is een van de kostbaarheden van de Oude Kerk.
Ook de Nieuwe Kerk vertelt haar verhaal. Dat bestaat uit heldere, duidelijk omlijnde hoofdstukken: de bouwtijd in de eerste jaren van de 15de eeuw, gevolgd door brand en herbouw in 1452, daarna opnieuw brand in 1645 en herinrichting, en tenslotte de laatste restauratie en het nieuwe gebruik. Het verhaal van de Oude Kerk heeft geen duidelijk begin, er is eeuwenlang aangebouwd en veranderd, en vooral: het is niet afgesloten. De Oude Kerk is geen tentoonstellingszaal, maar is een kerk gebleven. Het is een ruimte waar de mensen hun christelijk geloof beleven en belijden, vanaf het schemerige begin in de 13de eeuw tot nu toe en verder, in een ononderbroken continuïteit, ondanks de Alteratie van 1578 en de secularisatie van de tweede helft der 20ste eeuw. Die in woorden niet vatbare, maar voelbare sfeer is wezenlijker nog voor de Oude Kerk dan alle kunstwerken en historische bijzonderheden, ook voor bezoekers- de meerderheid waarschijnlijk - die geen binding meer voelen met welk kerkgenootschap dan ook. Het betreft immers ook voor de onkerkelijken hun eigen culturele erfgoed. Dat gevoelen bewoog een groep monumentenliefhebbers en musici om bezwaar tegen het verbouwingsplan te maken. In de discussie op 3 juni bleek merkwaardigerwijs dat de voorstanders van het plan dit gevoelen eigenlijk delen. De Oude Kerk is een kostbaarheid, een architectonisch museumstuk, dat moet je zorgvuldig behoeden en onderhouden, en verder met rust laten, niet meer veranderen.
Waarom dan toch een restauratie- en verbouwingsplan van rond 7 miljoen, waarvan 3 miljoen uit eigen fondsenwerving moet komen? Omdat, zo stelt het stichtingsbestuur, er geen geld meer is om het gebouw te onderhouden, zoals nodig zou zijn. Dat geld moet eerst verdiend worden met een winstgevende exploitatie, en daarvoor moet de accommodatie gemoderniseerd worden, onder meer door de omstreden vloerverwarming. Die redenering past bij de huidige denktrant van de overheid - zie het kunstenplan van minister d'Ancona. Culturele objecten en activiteiten moeten zoveel mogelijk zelf geld opbrengen, dan doet de overheid er, mondjesmaat, wel een schepje bij. Is die gedachtengang wel juist, zo vragen de opposanten, komt men dan niet op een hellend vlak, waar zó veel energie en aandacht wordt geïnvesteerd in het middel dal het doel op de achtergrond raakt, misschien zelfs schade lijdt? Restauratie wordt gesubsidieerd; laat men het normale onderhoud noodgedwongen achterwege, zoals nu gebeurt, dan kweekt men verval om het herstel in subsidiabele posten op te nemen, en dat komt het monument niet ten goede.
Maar hebt u een alternatief, zo antwoordt het stichtingsbestuur, om de voor goed onderhoud nodige middelen bij elkaar te krijgen? Exploitatiesubsidies worden in alle sectoren afgeschaft of ingekrompen. De regeling voor onderhoudsubsidie die geldt voor grote kerken, kastelen en hofjes, is op zichzelf heel nuttig, maar verplicht de eigenaar wel om jaarlijks een aanzienlijk bedrag zelf op te brengen- en dat geld is er niet!

Onwillekeurig gaan dan de gedachten weer naar de situatie van de Nieuwe Kerk, waar een actief bureau erin slaagt, geholpen door de gunstige ligging en de moderne accommodatie, een sluitende exploitatie te bereiken - zonder de onderhoudskosten, want die worden apart gesubsidieerd, omdat het gebouw een nationale functie heeft. Zou het dan, in de zoveel gunstiger situatie van de Oude Kerk, lukken om daar, behalve de kosten van het bureau dat voor een intensiever gebruik onmisbaar is, óók nog een paar ton te verdienen voor het onderhoud? En als dat niet lukt? Dan zijn er allerlei ingrepen verricht die, met hoeveel voorzichtigheid en vakmanschap ook uitgevoerd, volgens de bezwaarmakers onomkeerbaar tijn, ten behoeve van een professionele exploitatie, waarvan het een open vraag is, in hoeverre deze in harmonie is met de sfeer van de kerk.
Na de restauratie die tientallen jaren heeft geduurd verkeert de Oude Kerk bouwkundig in redelijk goede staat. Er worden nog kerkdiensten gehouden, al is de gemeente niet groot meer. Concerten op het beroemde kerkorgel horen er thuis, kenners prijzen de akoestiek. Maar verder?
Een der deelnemers aan de discussie op 3 juni haalde het voorbeeld aan van een kasteel in Zweden met een kostbare inrichting en een oude bibliotheek. Dat gebouw wordt niet verwarmd, het is vier maanden per jaar open voor het publiek, en de inventaris verkeert in perfecte conditie, dankzij het ontbreken van verwarming. Ook iets om over na te denken.
De Oude Kerk is, laten wij dat niet vergeten, van oorsprong een stedelijk gebouw, bekostigd door het stadsbestuur, en door de gilden. In de Franse tijd werd de eigendom van de kerkgebouwen overgedragen aan de kerkgenootschappen, behalve de torens die ten behoeve van de brandwacht stadseigendom bleven. De gemeente zorgt goed voor haar - en onze! - torens, en daarbij wordt de eis dat die gebouwen geld moeten opbrengen, niet gesteld. Terecht, want dat is een eis die niet thuishoort bij het beheer van waardevol cultuurbezit Het is een misplaatste manier van denken, die tot rampen leidt - zie de Waag. Wat dan wel? Stel dat er op het reis- en aankoopbudget van het Stedelijk Museum twee ton wordt gekort om het onderhoud van de Oude Kerk te betalen - óók een museumstuk nietwaar? - en van groter waarde dan het voor acht ton door een Amerikaanse "restaurateur" overgeverfde doek van Newman. Dan blijft het Stedelijk niet meer "bij" in de modernste internationale stromingen! Je hoort het gejammer al opstijgen uit de Paulus Potterstraat. Nou, is dàt zo erg? Die modernste stromingen kan men overal vinden, er is echter maar één Oude Kerk van Amsterdam ....

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 135, aug. 1992)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.