Het torentje van de Sint Olofskapel

Half december 1992 was het zover. Een bouwkraan hees de gereconstrueerde klokkentoren - zonder luidklok maar met uurwerk - hoog boven de daken van de Zeedijk en plaatste het gevaarte (10 meter hoog en 2,5 ton zwaar volgens de krantenberichten) op de herbouwde kap van de Sint Olofskapel. Voor de architect Van Stigt en zijn opdrachtgever (de Stichting Restauratie Monumenten Amsterdam) een mooi moment, letterlijk de kroon op het werk.
Het in 1992 gereconstrueerde klokkentorentje.

In februari '93 begint het volgende hoofdstuk in de bewogen geschiedenis van de uit circa 1450 daterende kapel, nu als "Barbizon Palace Congres Centrum". Door een gang onder de straat kunnen de gasten van het Barbizon Hotel de kapel bereiken, die ruimte biedt voor diners tot 200 personen, voor conferenties tot 300 en recepties tot 550 deelnemers. Zouden die congres- en receptiebezoekers zich realiseren dat achter de glitter en glamour van het vijf-sterren horecabedrijf een merkwaardig stuk Amsterdam schuilgaat? Op de vogelvluchtplattegrond van Cornelis Anthonisz uit 1545 ziet men een hoog kerkdak, evenwijdig aan het straatje dat nog steeds de Sint Olofspoort heet, naar de reeds lang verdwenen stadspoort, waartegen de blinde kapelmuur was aangebouwd. Aan de andere kant, naar de Oudezijds Kolk, sluit een lager bouwdeel aan. Dat moet de veelhoekige Jeruzalem-kapel zijn geweest, van een broederschap van Jeruzalem-vaarders. Na de Alteratie werd de kerkinventaris verkocht, het gebouw stond enige jaren leeg tot het in 1586 door het stadsbestuur aan de kooplieden als beurs in gebruik werd gegeven. In 1602 kreeg de kapel opnieuw een kerkelijke bestemming en dat werd het begin van een reeks verbouwingen en vergrotingen die in 1644 voltooid waren, in de vorm waaraan de fatale brand van 1966 een eind heeft gemaakt. De Sint Olofs- of Oudezijdskapel was een imposante ruimte op een onregelmatige plattegrond, met hoge ramen aan de Zeedijk en aan de Nieuwebrugsteeg. Van de vier kolommen die de kappen, de zware trekbalken en de houten gewelven droegen, was er één nog gotisch, de andere in dezelfde stijl toegevoegd. Het elegante daktorentje dat al op de kaart van 1545 voorkomt, verloor in 1820 door brand zijn uurwerk. Zelfs de onvolprezen "Historische Gids van Amsterdam" van d'Ailly-Wijnman, waaraan deze gegevens zijn ontleend, vermeldt niet, wanneer het torentje zelf werd gesloopt, maar het zal waarschijnlijk kort na die brand zijn gebeurd; de eerste helft van de 19de-eeuw was nu eenmaal een sloopgrage periode. Na de laatste kerkdienst in 1912 heeft de Sint Olofskapel, nog altijd eigendom van de Hervormde Kerkvoogdij, de meest uiteenlopende bestemmingen ondergaan. In de jaren vijftig werd er wekelijks kaasbeurs gehouden. In 1963 kocht de Stichting Kunstkontakt de kapel om er tentoonstellingen te organiseren, maar een jaar later sloot Bouwtoezicht het gebouw wegens instortingsgevaar; kort daarop brandde de majestueuze kapconstructie totaal uit. De Stichting Kunstkontakt was inmiddels failliet, de hypotheekhouder kocht de ruïne en droeg deze in 1967 over aan de Vereniging "Hendrick de Keyser" Bijna een kwart eeuw heeft "H. de K." het geschonden gebouw beheerd, verdedigd tegen bouwplannen van projectontwikkelaars, noodvoorzieningen laten uitvoeren en geprobeerd de restauratie aan de gang te krijgen, wat keer op keer afsprong op onvoldoende subsidiesteun.

Troosteloze ruïne na de brand in 1966. Huidige toestand.

Redding kwam in 1991 door een driehoekstransactie: de gemeente kocht de Sint Olofskapel voor een symbolische gulden, en gaf het perceel in erfpacht met restauratieverplichting aan de Stichting Restauratie Monumenten die een gebruiksovereenkomst na voltooiing sloot met Barbizon. Twee conclusies kan men uit dit verhaal trekken. De eerste is dat geduld en vasthoudendheid onmisbaar zijn voor monumentale gebouwen, waarvan de oorspronkelijke bestemming verloren is gegaan. Ook een bouwvallig of door brand gehavend en zelfs geheel of ten dele afgebroken monument ver- dient bescherming, in afwachting van een mogelijkheid tot herstel-herbouw.
De tweede is dat reconstructie van een in het stadsbeeld waardevol bouwelement dat, zoals het torentje van de Sint Olofskapel, generaties lang is weggeweest, een goede zaak kan zijn voor wat tegenwoordig heet de "cultuurhistorische kwaliteit van de ruimtelijke orde". Het is een feest voor het oog, de sierlijke spits boven de daken te zien uitrijzen.
Kortom: het taboe tégen reconstructie houdt niets meer in dan benauwd geschoolmeester van sommige kunsthistorici of hypocriete camouflage van hun modieuze geldingsdrang bij bouwers die weten dat hun eigen ontwerpen géén feest voor het oog zijn. Het torentje op de Sint Olofskapel laat zien dat reconstructie kan, en soms moet.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 138, febr. 1993)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.