'Het stadhuis gelooft zijn eigen clichés'

Vincent van Rossem: Nieuwbouw Kolk misdadig

Dr. Vincent van Rossem, docent architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, heeft systematisch gelopen door alle straten en stegen van Amsterdam. Hij kent, zegt hij voorzichtig, de stad beter dan de doorsnee-Amsterdammer. Ik ben geneigd dit feit te memoreren met een geestige gevelsteen op de noordzijde van zijn woning in de Palmstraat.

We staan voor het raam en kijken naar het fraai gerenoveerde woonblok aan de overzijde van de 'Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse', dat anno 1866 door architect Hamer werd gebouwd.
Dan gaat de blik opzij naar renovatie-architectuur anno 1979 door het architectenbureau Aldo van Eyck (Theo Bosch).
"Rampenproject", zegt dr. Van Rossem, "slecht gebouwd, vraagt permanent onderhoud en herstel, de opzichter raakte er overspannen van en moest vervroegd met pensioen". En hij vervolgt: "Men maakt bij de oplevering bij fraaie zon de mooiste foto's, maar kom tien jaar later: geen gezicht, overal mos en lekkage". Zijn conclusie: er wordt slecht gebouwd en veel gebabbeld in de architectuurwereld. Nog eens de blik op het Hamerblok aan de overzijde.
"Had Hamer in 1866 een royaler budget dan Bosch in 1979? Waarom is zijn metselwerk dan een lust voor het oog en dat van onze tijd niet om aan te zien?" De Palmstraat ligt, om precies te zijn, in de noordpunt van de Jordaan bij de Willemsstraat. Ruim een eeuw geleden de beruchtste buurt van heel Amsterdam. De Willemsstraat, toen nog Goudsbloemgracht, was een sloot met krotten ernaast. Daar begon de stadsvernieuwing van de vorige eeuw, waarvan de resultaten nu met respect worden bekeken.
Wat we nu beleven, zegt dr. Van Rossem, is dus de tweede stadsvernieuwing, waarvan de nieuwbouwresultaten niemand vrolijk maken.
Een stad slijt. Een intens gebruikte plek als de Amsterdamse binnenstad slijt enorm en de moderne stadsbewoner gaat beroerd om met zijn stad.
Zoals die jongeren door de stad 'rausen' op hun brommers. En de rotzooi bij de snackbars. Leren de jongeren dan niets meer van de ouderen? Het is zorgwekkend. Natuurlijk begint iedereen over het bekladden van muren. De graffiti. Maar het kan niet genoeg gezegd worden, dat de ergste vorm van vandalisme de auto is en blijft. Duizendmaal erger dan graffiti. Wat het laatste betreft kan men bijna van uitlokking spreken door de vele blinde muren die de moderne architectuur produceert. Dr. Van Rossem heeft om principiële redenen geen auto en om praktische redenen wel een rijbewijs.
Hij studeerde kunstgeschiedenis, eerst in Utrecht en later in Amsterdam, waar hij in de hoogleraar en Berlagekenner Manfred Bock een leermeester vond, met wie hij het goed kon vinden. Vorig jaar promoveerde hij bij hem op het proefschrift 'Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, geschiedenis en ontwerp', waarvan onlangs een z.g. handelseditie is verschenen als deel II in een serie van vier boeken over Cornelis van Eesteren, architect, urbanist, en Amsterdammers wellicht beter bekend als het hoofd van Stadsontwikkeling in de bloeijaren van Amsterdam. Een typografisch voorbeeldig verzorgde editie, waarmee het Architectuurmuseum in Rotterdam debuteerde als geschiedschrijver van de Nederlandse architectuur.
De studie verklaart, waarom in het gesprek met dr. Van Rossem de aandacht vooral gaat naar de stedebouwkundige zaken van de stad. Natuurlijk vindt hij het complex stadhuis-muziektheater, dat hij gemakshalve stopera noemt, een schandaal, slecht gebouwd. Maar minstens zo erg vindt hij dat daarvoor een complete joodse wijk van de stad (Vlooienburg) moest worden afgebroken. Die wijk was de oorlog bijna onbeschadigd doorgekomen, bekijk de luchtfoto's maar van die tijd. Zonder protest werd een gaaf stuk stad geëlimineerd.
Maar het allerergste, en nu wordt hij echt boos, noemt dr. Van Rossem het IJ-tunneltracé Wibautstraat/Weesperstraat, de Amsterdamse Stalinallee, die het oostelijke stadsgebied onherstelbaar heeft verminkt. Dat kan niet genoeg gezegd worden, voegt hij eraan toe, de treurige jaren vijftig en zestig, toen de hoogmoed van de plaatselijke PvdA op zijn ergst was. Hij nodigt me uit met hem plaats te nemen op de brug over het Open Havenfront naar het Centraal Station en de blik te wenden naar het westen. Ja, daar staat het omstreden hoofdkantoor van Wagon Lits naar het ontwerp van Benthem-Crouwel.
Er klinkt aanvankelijk enig gemopper op het zuinig bemeten bouwterrein, maar dat gaat over in tevreden geknor: hondsbrutaal om het gebouw dwars op de as te plaatsen, en dan komt de stedebouwkundige aan het woord: het complex corrigeert het onduidelijke, wijkende perspectief van het grote stedelijke ensemble aan deze zijde. Er moest daar iets komen om de blik houvast te geven en die rol vervult het gebouw uitstekend.
Nu we er toch staan somt hij alle architectonische delicatessen van het gebied op, inclusief de torens van de Posthoorn, die door de waakzaamheid en vechtlust van de omwonenden werden gered uit de klauwen van enige slooplustige beleggers. De goede tijd van Wonen/TA BK, verzucht dr. Van Rossem, was toen het nog een lekker vechtblad was en geen glossy blad zoals nu.
Als een argeloze provinciaal, zoals hij zegt, kwam hij in de wilde jaren uit Rhenen naar Amsterdam en betrok er, zeer tegen zijn zin, een verdieping in zijn huidige woning aan de Palmstraat. Toen nog een afgetakelde sneuvelbuurt. Hij had er zijn bed nog niet geïnstalleerd, of het huis stond te zwaaien van de dreunen van de heimachines voor het 'Rampenprojekt-Theo Bosch', waarvan in het begin van dit interview sprake was. De in die tijd zo populaire 'mars door de instituties' maakte hij in de praktijk als koper van het huis. Ongeveer alles wat hij deed bleek illegaal, maar geen notaris die een waarschuwend woord sprak. Een jungle. Men gaf hem het advies: kraak je eigen huis. Het einde was dat het gezin Van Rossem werd gedoogd in zijn eigen huis, dat wel werd belegd met een aanschrijving, die een mens hartkloppingen kan bezorgen. Maar toen ontdekte dezelfde 'illegaal' het renovatiesubsidie dat hem aan de middelen hielp voor een goede beurt van het oude, maar niet monumentale pand en na lang harrewarren zelfs heer en meester maakte over zijn huis.
Een strijd van tien jaren was geëindigd met de overwinning, maar toen deed zich een verschijnsel voor dat ook Komrij al heeft gesignaleerd: de overwinnaar vindt het welletjes. Hij wil eigenlijk wel verhuizen. Als het nu een kasteelachtige behuizing was, waarin de familie al van geslacht op geslacht haar zetel heeft, maar een Jordaanhuis zonder uitzicht op groen...
Waarheen? Hij heeft een lijstje gemaakt. Bovenaan Parijs. Alleen Parijs gaat Amsterdam te boven, maar het is voor een doorsneebeurs onbetaalbaar. Tweede plaats Londen, derde New York, vierde Los Angeles. Deze laatste eigenlijk, omdat zijn dochter zo met die stad van de auto, zonder centrum, dweept. Maar misschien wordt het gewoon: terug naar het dorp. Nee, geen stad: er is maar één stad in Nederland.
Voordat het zo ver is, willen we nog wel enige oordelen horen. Cees Dam op de Dam. Alles beter, natuurlijk, dan een plantsoentje. In een stad horen gebouwen. Maar dat gebouw deugt niet. Overigens deugt er niet veel van de Dam. De meeste gebouwen zijn van 1913. De Rode Loper van het Damrak.
Het nieuwe profiel is een enorme verbetering. Elke uitbanning van de auto moet men toejuichen. Zelfs de nieuwe lantaarnpalen zijn minder lelijk dan het gangbare model. Maar liever had hij de lantaarn van 1930 teruggezien. Maar wat hoor je, wanneer je zoiets zegt? "Dat is kinderachtig historiseren". Dr. Van Rossem: "Bij de Monumentenraad is men erg bang beticht te worden van historiseren".
Hij zat nog niet in de Monumentenraad, of het grote bebouwingsplan voor De Kolk kwam op tafel. Een combinatie van hotel, kantoren en overvloedig penthouses, die de buurt dreigt te verpletteren. Een misdadig ontwerp. Er zijn geen woorden voor, zegt het nieuwe lid, en dreigt meteen met aftreden. De tegenpartij gooit het woord 'eigentijds' in de strijd. Dr. Van Rossem ziet zich genoodzaakt, Wim Hartman de les te lezen, want die waagt het te beweren dat Amsterdam zal afsterven, wanneer Van Berkel zijn troep daar niet mag bouwen. Zulke ranzige clichés zijn toch uit de tijd. Maar wat dan?
Gewoon terugbouwen, zegt dr. Van Rossem, de samenhang herstellen. Wat hem vreselijk stoort is het heilige geloof van de mensen op het stadhuis in de eigen clichés. De ernst waarmee dat soort onzin nog steeds wordt uitgeslagen in de discussies, de gemeenteraad, vergaderingen.
Onlangs is voor de zoveelste keer zijn fiets gestolen, hetgeen hem noopt om de stad te voet te doorkruisen. "Ik kan het iedereen aanraden", zegt hij, "een wonderbaarlijke ervaring. Zo van nabij gezien gaat het toch wel goed met Amsterdam".
Ten slotte nog even het Zuid van Berlage, dat geruime tijd zijn studie heeft beheerst. Hij zegt: "Als monument uniek in de geschiedenis van de stedebouw. Ik geef er als historicus hoog van op. Maar verder een vervelende wijk. Men wijt het weleens aan het feit dat Berlage geen woningen heeft mogen ontwerpen voor Plan Zuid. Maar dan was het nog saaier geworden. Nu hebben al die weinig bekende architecten van die tijd er nog wat levendigheid in gebracht. Berlage was een saaie architect en massawoningbouw is nu eenmaal saai. Daar valt niets aan te veranderen. Zodra je meer dan honderd keer hetzelfde doet, wordt het saai. En Zuid bevat niets anders dan woningen. Berlage zag de Minervalaan als een soort Champs d'Elysées met een Place de l'Opéra, maar kijk wat het geworden is". Het geheim van de aantrekkelijke binnenstad is allereerst dat elk pandje verschilt van zijn buurman. En dan natuurlijk het wonderbaarlijke gevarieerde winkelaanbod. Altijd weer verrassend. Een van de redenen om te voet door het Centrum te gaan.
Gezelligheid, luidt de slotboodschap, wordt gemaakt door factoren die niemand in de greep heeft. Amsterdam is de enige stad van Nederland die na negen uur nog leeft. Zelfs zijn eigen Palmstraat.

Ben Kroon

(Uit: Binnenstad 142, okt. 1993.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.