'Een goed en modern gebouw is soms niets'

Met groeiende verbazing las ik het interview van Frans Heddema in "Het Parool" van zaterdag 14 augustus 1993 met drie leden en de secretaris van de Schoonheidscommissie tezamen met de heer Ab Vos, directeur van de Bouw- en Woningdienst van Amsterdam. Met verbazing, al ben ik als oprichter en voorzitter van de overleggroep van wat men wel de oudheidkundige verenigingen noemt, heel wat gewend op het gebied van wat door "bevoegde" instanties betreffende het behoud van onze stad gedaan en beweerd wordt.
Bouwplan voor het Amstelveld.

Een bloemlezing met (soms wellicht overbodig) commentaar moge volgen. Hans Borkent (voorzitter) over het Amstelveld:
"Het is niet waar dat we pas nadat we het hadden goedgekeurd, het bouwmateriaal hebben gezien".
Waarna Ab Vos: "Wat nu gebouwd wordt is niet het mooist denkbare plan, het is de onderkant".
Vervolgens Borkent: "Bij het Amstelveld hebben we een experiment aangedurfd. Misschien hebben we ons verkeken op het effect van de witte stenen". Ab Vos, een beetje geïrriteerd: "Het is een goed modern gebouw, maar dat mag je kennelijk niet zeggen. Dat gebouw ernaast... Het had de kwaliteit dat het goedgekeurd kon worden. Nu het klaar is, zie je dat het niets is".
Nu is het verrassende dat "De Schoonheidscommissie Amsterdam" in maart jl., nota bene met medewerking van twee der geïnterviewden, een indringend rapport heeft uitgebracht "De Schoonheid van Amsterdam, een kader voor het Welstandsbeleid". Hierin vindt men gedetailleerde aanwijzingen, zoals betreffende het kleur- en materiaalgebruik: "Bij voorkeur baksteen in aardkleuren met een niet te diepe negge en geen kunststoftoepassingen, soms een gestucte gevel in dito kleuren". Maar natuurlijk valt een architect meer op als hij contrasterende steen of roze graniet gebruikt. Het resultaat is er dan naar; zie bijvoorbeeld het Rokin, maar ook de Vijzelgracht. Men kan toch stellen dat al die moderne architecten wel voldoende plekken hebben voor experimenten. Zodra echter zorgvuldig in- respectievelijk aangepast wordt (een wens van het genoemde rapport zelf), wordt al spoedig de als denigrerend bedoelde term "historiserend bouwen" gebruikt. Dit denigrerende gebruik komt extra absurd voor, nu ook de 19de-eeuwse neo-stijlen voor monumentenbescherming in aanmerking komen. In de binnenstad wil het een negatieve lading geven aan het betonen van respect en zorgvuldigheid jegens de ongeving. Ik wijs overigens in dit verband op het nog altijd niet gefiatteerde "Beschermd Stadsgezicht" en binnenkort misschien wel de aanwijzing tot "World Heritage".
Edo Spier, zelf architect, verweet de Welstandscommissie onder meer "vriendjespolitiek".
Antwoord: "Onzin, beneden alle niveau".
De term "vriendjespolitiek" kan ook m.i. niet door de beugel, maar er is wel degelijk een probleem, waarvoor "collegialiteit" een betere titel is. Ik weet uit ervaring op ander gebied, bij beoordeling van wetenschappelijke projecten, waarbij men overigens anoniem is, hoe moeilijk het emotioneel is, een plan van een goede vriend of gewaardeerde collega af te keuren. In dit geval reden om vaak toch maar een buitenlander die wat meer buiten het "circuit" staat als toetssteen te nemen. Mede om dit soort van argumenten zou het grote aanbeveling verdienen de invloed van niet-architecten die deskundig zijn op het gebied van stadsbeeld en -ontwikkeling, aanzienlijk te vergroten.
Een ander bloempje uit het interview, Borkent: "Je weet van Cees Dam dat hij een goede architect is, en dat is Girod van het Amstelveld ook". Vraag van Heddema: "Is dat misschien de reden dat ze de nieuwbouw van Cees Dam naast de Bijenkorf hebben goedgekeurd?". Men kan de reacties nauwelijks geloven: De handen van de voorzitters gaan omhoog: "Toen zaten we nog niet in de commissie". Maar Ab Vos was wél al directeur van de Bouw- en Woningdienst!
We springen over naar de Jordaan. Hans van Heeswijk: "De samenstelling van de bevolking is daar ook ingrijpend veranderd, dat werkt ook door in de nieuwbouw". Dat vindt Uw commentator ook; als er veel Grieken komen gaan we over tot de Antieke Orden etc. Ab Vos: "Het gevelbeeld in de Jordaan verandert, dat is het kenmerk van de tijd, ik heb daar geen moeite mee". Alsof we daar zelf niet bij zijn; het lijkt wel wat de Engelsen noemen "Act of God".
Even er tussendoor, Paul Jongen: "De mensen willen laagbouw, dat ettert maar door". Of wel: wij bouwen ten slotte niet voor "de mensen", maar voor onze eigen glorie, niet waar?
Betreffende het Oudekerksplein zegt Hans van Heeswijk: "Je kan dit werk als lid van de Welstandscommissie alleen doen als je gelooft in de architectuur van deze tijd. Je moet er ruimte voor maken, maar je moet natuurlijk wel de schaal van de omgeving in de gaten houden". "De architectuur van deze tijd": het is moeilijk voor te stellen wat hiermee bedoeld wordt; de leden van de Schoonheidscommissie moeten wel kameleonachtige eigenschappen hebben; alles wat gebouwd wordt is ten slotte architectuur van zijn tijd. In "De Schoonheid van Amsterdam" valt te lezen dat ook mislukkingen en vergissingen zonder veel moeite kunnen worden opgenomen in het algemeen aanvaarde beeld van de stad. Daar valt nog wel het een en ander over te zeggen, maar in een noot staat in ieder geval afdoende kritiek te lezen op de Weesperstraat, het IJ-tunneltracé, de ABN, het Maupoleum en... de Stopera: "een witte donkere vlek in het hart van de stad". Is dit eigentijdse architectuur of niet?
Borkent stelt vervolgens dat het moderne gebouw van architect Soeters voor het Oudekerksplein veel beter is dan alles wat Stadsherstel heeft kunnen bedenken.
Tot zover zou dit persoonlijke oordeel mij nog niet tot verder commentaar aanleiding hebben gegeven, maar Ab Vos generaliseert dan: "Stadsherstel wil panden in historische stijl bouwen, met oude en nieuwe materialen worden oudlijkende gebouwen aan de stad toegevoegd". Jongen weer: "Dat is geschiedvervalsing". Zo, het zal je maar gezegd worden na honderden restauraties, waarvan vele op strategische punten weer een gaaf stadsbeeld tot stand hebben gebracht, mede door hun inspirerende werking op particulieren. Ook Zantkuijl wordt erbij gehaald. Fenna Oorthuys: "Het ging over historiserend bouwen. Hij zei toen dat de mensen denken dat aan de grachtengordel zeventiende-eeuwse panden staan, maar in werkelijkheid is het grootste deel negentiende-eeuwse bebouwing". De ietwat merkwaardige conclusie hieruit door Borkent is:
"Moderne architectuur moet kunnen".
Deze stelling raakt wellicht een kernpunt van het probleem. Hij is ideologisch van aard en heeft natuurlijkerwijs een tijdgebonden neerslag, vertaal maar: Delftse School moest kunnen;... functioneel bouwen moest kunnen...;... post-modern bouwen moest kunnen...; maar als het vermaledijde "historiserend bouwen" modern zou worden (dit is eerder in de geschiedenis gebeurd!), dan moet dat ook kunnen, enzovoort. Zou men zich niet liever als hoofdtaak stellen om ieder ontwerp zonder vooringenomenheid op zijn eigen merites te beoordelen en dan speciaal: past het wel in het stadsbeeld of liever nog, herstelt of verrijkt het dit?
Overigens ontbreekt het Borkent niet aan zelfbewustzijn. Hij laat weten: "Als je een bouwtekening openvouwt, weet je binnen vijf seconden of je verbijsterd bent of dat het een goed ontwerp is" (sic). Als je dit leest, dan lijkt het meer dan noodzakelijk dat alle beschikbare moderne technieken om een realistisch beeld van een (belangrijk) ontwerp te krijgen, en die zijn er in steeds volmaaktere vorm, toegepast worden. Allereerst ten dienste van de Schoonheidscommissie, maar zeker ook voor de "gebruiker", de Amsterdamse burger die geconfronteerd wordt met de gevolgen van zijn beslissingen. Ten slotte hoeft niemand een schilderij dat hij lelijk vindt aan zijn muur te hangen, maar architectuur kun je niet ontlopen.
Het geheel culmineert misschien wel in de slotopmerking van Ab Vos: "We gaan de discussie (met de politiek, V.d.T.) graag aan, de politici moeten beslissen hoe ze het willen hebben". Alsof degenen die zich willens en wetens in de Schoonheidscommissie laten benoemen niet hun eigen verantwoordelijkheid dragen.
Blijft het raadsel, hoe de eigenlijk uit dezelfde bron komende uitspraken in het besproken interview en "De Schoonheid van Amsterdam" met elkaar zouden zijn te verzoenen.

prof.dr. L.H. van der Tweel

(Uit: Binnenstad 142, okt. 1993.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.