Binnen Brouwersstraat 2

De hardnekkige knager

Op 21 oktober 1993 werd in de Binnen Brouwersstraat een door Stadsherstel herbouwd 18de-eeuws huis opgeleverd. Trompetten schetterden, er werd een gevelsteen onthuld en vier studenten aan het Sweelinck Conservatorium verheugden zich op een appartementje met extra-geluidsisolatie. Het was, kortom, feest voor de betrokkenen.
Binnen Brouwersstraat 2: vóór en na de restauratie

De door Hans 't Mannetje gehakte gevelsteen stelt een bever voor die aan een tak knaagt: Castor tenax, de hardnekkige bever. Bevers bouwen dammen, en dat verwijst naar het verhaal van deze restauratie. In het juni-nummer 1990 van 'Binnenstad' is hierover al het een en ander verteld onder de titel "Stadsvernieuwing onder het vergrootglas". Nu de oplevering eindelijk is bereikt, leek het de redactie de moeite waard om er nog eens op terug te komen.
Elke restauratie van een monument in de binnenstad versterkt de dam die het belangrijkste gebouwde cultuurbezit van ons land moet beschermen tegen verval, verloedering en verminking. Als dat werk niet in het vereiste tempo doorgaat, vallen er steeds grotere gaten. In het begin van de jaren tachtig liep het restauratievolume bedenkelijk terug. Dat was voor het Bureau Monumentenzorg aanleiding om een "Herstelplan bedreigde monumenten" op te stellen. De lijst van bijna 200 panden gaf van elk een korte beschrijving met een raming van de herstelkosten. In enkele gevallen was de conclusie: afvoeren uit het register; dan was er echt niets meer over. Binnen Brouwersstraat 2 kreeg geen hoog rapportcijfer, maar het moest wel behouden blijven, in de eerste plaats ter wille van zijn waarde in de verder gave gevelwanden van deze verbindingstraat tussen de Haarlemmerstraat en de Brouwersgracht. Het betreft een ondiep pand met een hoge pui, drie ramen breed onder een rechte kroonlijst. Enkele jaren vóór het 'Herstelplan' had er een zware brand gewoed; de kap was weg, de bovenste balklagen aangetast, Bouwtoezicht had de gevel ingepakt en beneden dichtgemetseld. De Vereniging Vrienden van het Jan Pietersz. Huis kocht het pand van een Turk die er vóór de brand een pension voor landgenoten had geëxploiteerd. Een maand na de aankoop, op 22 oktober 1986, werd bij het Bureau Monumentenzorg een voorlopig restauratieplan met subsidieaanvraag ingediend. Die datum is van belang, omdat in het gemeentelijke apparaat de richtlijn gold dat voor panden die volgens een besluit van Burgemeester en Wethouders gesloopt moesten worden ten behoeve van de stadsvernieuwing, geen restauratieplannen in behandeling zouden worden genomen, en zo'n besluit was voor Binnen Brouwersstraat 2 nog niet genomen. Het restauratievoornemen wekte de ontstemming van de ambtelijke projektgroep Gouden Reael die in de Haarlemmerbuurt druk bezig was met onteigenen, slopen en bouwplannen voorbereiden. Volgens de projektgroep moest Binnen Brouwersstraat 2 worden vervangen door nieuwbouw, gecombineerd met Haarlemmerstraat 95 dat er achterwaarts aan grenst.
Nieuwbouw betekent in dit kader alleen woningwetbouw, te realiseren door een toegelaten corporatie, volgens de "Wenken en Voorschriften", toe te wijzen door Herhuisvesting. Met waarde voor het stadsbeeld, restauratieplannen en huisvesting van een speciale categorie, zoals muziekstudenten, kan dan geen rekening worden gehouden; dat is geen volkshuisvesting, maar elitair gedoe. De vorige wethouder Volkshuisvesting, Jan Schaefer, had botweg geweigerd, in het programma sociale woningbouw jaarlijks een klein contingent z.g. HAT-eenheden voor de muziekstudenten op te nemen.
De projektgroep Gouden Reael had over dit onderwerp nog een ander appeltje te schillen, nu met de aan Jan Pietersz. Huis verwante stichting Diogenes, die in 1976 op dringend verzoek van Monumentenzorg Vinkenstraat 160-162 had aangekocht, bouwvallig maar wel met belangrijke resten van de oudste schuilkerk van Amsterdam. Ook voor Vinkenstraat 160-162 lag een herbouw/restauratieplan ten behoeve van de muziekstudenten klaar, waarvoor een contingent HAT-eenheden nodig was. De projektgroep vond dat onzin, en liet de onteigeningsprocedure van start gaan. Daartegen was Diogenes op grond van de wet AROB in beroep gegaan en zoiets kan jaren duren.
De ergernis van de voorzitter van de projektgroep Gouden Reael werd gedeeld door zijn collega in de Nieuwmarkt- en Bethaniënbuurt. In diens domein stond, sinds 20 jaar dichtgetimmerd en gestut, een vleugel van het verder verdwenen 15de-eeuwse Bethaniënklooster. In dat karkas, als het dan met alle geweld moest blijven staan, konden 21 kleine wooneenheden worden gepropt, natuurlijk binnen de eigen invloedssfeer van de projektgroep. En warempel, wéér kwamen daar diezelfde eigenwijze particulieren met een plan om het Bethaniënklooster als monument te restaureren. Er zouden dan een muziekzaaltje en 9 wooneenheden voor conservatoriumstudenten in komen. Beide projektgroepvoorzitters waren het eens: dergelijke initiatieven van buitenstaanders "doorkruisen het gemeentelijk beleid". Samen stelden zij een rapport op voor de pas opgetreden wethouder Genet, waaruit alle niet met hun inzichten overeenkomende gegevens waren weggelaten. De conclusie luidde: geen enkele medewerking van de gemeente. Nu was in 1986 nog een directeur Openbare Werken in functie, die andere opvattingen huldigde over behoorlijk bestuur. Ook hij schreef een rapport; daarin werden de omissies en onjuistheden van de projektgroepvoorzitters rechtgezet en werd geconstateerd dat het werk van de restaurerende instellingen onmisbaar is voor de instandhouding van het monumentenbestand en dat Jan Pietersz. Huis er nog een extra-dimensie aan toevoegt door het specifieke huisvestingsdeel.
Op 12 december 1986 zaten bestuursleden van Jan Pietersz. Huis samen met de voorzitter van de projektgroep Gouden Reael aan tafel bij wethouder Genet, en op die tafel lagen de tegenstrijdige ambtelijke rapporten. Misschien dacht de wethouder aan Koning Salomo, toen hij besloot: op voorwaarde dat Diogenes het project Vinkenstraat wilde opgeven en de AROB-procedure zou intrekken, was hij bereid de nodige gemeentelijke medewerking te verlenen aan de projecten Binnen Brouwersstraat en Bethaniënklooster. Ter wille van de goede zaak accepteerde Diogenes die op zichzelf onbillijke voorwaarde, en daarmee een flinke strop, want er was geen gemeentelijke begrotingspost om de kosten van dat op gemeentelijk verzoek ondernomen project-Vinkenstraat te vergoeden. De projektgroep liet het er echter niet bij zitten. Tegen de bouwvergunning en het restauratiesubsidie voor Binnen Brouwersstraat 2 konden zij niets meer ondernemen, maar in september '87 stond met kleine lettertjes in de krant dat de gemeenteraad (die uiteraard onkundig was gelaten van de voorgeschiedenis) had besloten tot onteigening van een aantal panden in de Haarlemmerbuurt, waaronder Binnen Brouwersstraat 2, met bestemming kantoor en woningwetwoning. Toen Jan Pietersz. Huis protesteerde kwam het antwoord dat de Onteigeningswet geen beroepsmogelijkheid bevat en dat het nu eenmaal een gemeentelijke beleidslijn was om sociale woningbouw, waaronder HAT-eenheden alleen toe te laten op erfpachtsgrond. Het perceeltje moest dus eerst worden onteigend en kon daarna aan de vroegere eigenaar in erfpacht worden uitgegeven. Tegen deze nieuwe pesterijen ging de stichting langs twee wegen in beroep: bij de Raad van State en bij de gemeentelijke ombudsman. Gedateerd 8 maart '88 verscheen een Koninklijk Besluit dat aan het besluit van de gemeente goedkeuring werd onthouden, omdat er geen noodzaak tot onteigening was gebleken. De ombudsman zocht de zaak grondig uit en oordeelde "dat het handelen van het Gemeentelijk Grondbedrijf in onteigeningszaken nauwelijks behoorlijk is te noemen". Er is namelijk nooit een beleidslijn vastgesteld dat sociale woningbouw alleen op erfpachtsgrond mogelijk zou zijn, er bestaan voorbeelden genoeg van woningwetbouw op eigen grond. Het volgende obstakel kwam niet van de projektgroep, maar van het Ministerie van VROM. De HAT-financieringsregeling was te duur geworden. In het vervolg mochten alleen woningcorporaties daarvan gebruik maken. Stichtingen als Jan Pietersz. Huis, zogenaamde NIWIS (niet winstbeogende instellingen), werden van deze regeling uitgesloten. Jan Pietersz. Huis vond de Amsterdamse Mij. tot Stadsherstel bereid, het pand en het restauratieplan over te nemen. Stadsherstel heeft wél de status van "toegelaten instelling" volgens de Woningwet, maar kwam na de nodige berekeningen tot een andere financieringsmethode: geen HAT-eenheden, maar premiewoningverbetering, samen met restauratiesubsidie. Architect Thijs Kaas heeft het aanvankelijk door zijn collega Henk Schröder ontworpen restauratieplan uitgewerkt en in opdracht van Stadsherstel laten uitvoeren door het aannemingsbedrijf F. Boer en Zn. Jan Pietersz. Huis gaat het pand beheren. En zo is het dan toch voor elkaar gekomen. De bever heeft doorgeknaagd tot dit kleine stukje van de dam hersteld was.
Wel doet deze geschiedenis twijfel rijzen aan de manier waarop de binnenstad wordt beheerd, een in de verkiezingstijd zéér actuele twijfel.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 143, dec. 1993.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.