Achteraf bezien

In september 1993 werd het 40-jarig bestaan van het Bureau Monumentenzorg gevierd met een symposium in het Bethaniënklooster. Als inleider was, tot veler verbazing, de projectontwikkelaar G.W. Bakker uitgenodigd, wiens projecten aan de Nicolaas Witsenkade en het Amstelveld juist toen een storm van protesten hadden veroorzaakt. Nu de Résidence Amstelveld is voltooid en voor het complex Nicolaas Witsenkade door een andere eigenaar een restauratieplan wordt voorbereid, biedt het verslag van dat symposium stof voor enkele opmerkingen achteraf.

Bakker hield een goed opgebouwd betoog, hij wees op een reeks door hem gerealiseerde projecten in de binnenstad en besloot uiteraard met een vinnig weerwoord op de kritiek. Die kritiek acht hij onterecht. De panden Nicolaas Witsenkade stonden, toen hij deze aankocht, niet op een monumentenlijst, de Bouw- en Woningdienst was van oordeel dat ze niet rendabel hersteld konden worden, het Bureau Monumentenzorg had laten weten geen geld voor restauratie te hebben, de Schoonheidscommissie was vol lof over het plan-Soeters en wees behoud van alleen de gevels af. Dat was "coulissen-architectuur" en zoiets mocht niet. Alleen de gemeenteraad ging schuiven. Bakker vond dat de zorg voor monumenten misbruikt wordt voor politieke doeleinden. "Het is gewoon goedkoop scoren", zei hij, "als er panden bij zijn waar mensen voor f 50,- per maand wonen, dan is er een partij die vindt dat ze niet weg moeten, of de panden goed zijn of niet".
Ook over de Résidence Amstelveld was de kritiek volgens Bakker misplaatst. "Men scheldt, tiert, heeft allerlei kritiek op het plan, maar ik denk dat als het er staat de kritiek verstomt en er een heel rustig, normaal appartementengebouw zal zijn gerealiseerd". Cees Dam, Sjoerd Soeters, Patrice Girod, dat zijn voor Bakker de goede architecten, zij hebben de steun van de Schoonheidscommissie en van het ambtelijk apparaat. Van Ab Vos, directeur Bouw- en Woningdienst en ambtelijk voorzitter van de Schoonheidscommissie, citeerde hij de uitspraak: "De politici moeten beslissen, hoe ze het willen hebben".

Dat laatste is natuurlijk formeel juist. Het gemeentebestuur moet de bouwvergunningen afgeven, bestemmingsplannen vaststellen (en handhaven!), het gemeentebestuur benoemt de leden van de Schoonheidscommissie op grond van hun vakbekwaamheid, maar ook met inachtneming van hun opvattingen over het bouwen in de oude stad. Het gemeentebestuur is in laatste instantie verantwoordelijk voor het gezicht van de stad. Dat die formele verantwoordelijkheid niet altijd en overal klopt met de werkelijkheid, weten we allemaal, maar dat is geen reden om een ingeslopen praktijk zonder meer als de juiste te accepteren.

G.W. Bakker handelt als een bekwame ondernemer. Hij grijpt zijn kansen en wanneer hij een plan moet loslaten dan zorgt hij ervoor dat hem de schade wordt vergoed, zowel bij de Vietnamweide als aan de Nicolaas Witsenkade. Wat hij wil is niet laakbaar: goed verkoopbare appartementen. Dat hij zich bij de architectenkeuze en de vormgeving richt naar de zich wijzigende voorkeuren van het ambtelijk apparaat en de Schoonheidscommissie, valt hem niet te verwijten. Dat is altijd de kortste weg om het beoogde doel te bereiken. Waken voor het effect dat zijn projecten in positieve of negatieve zin op het omringende stadsbeeld zullen hebben, is de zaak van de gemeente, haar ambtenaren en adviseurs. Het is verhelderend de lijn te volgen van zijn eerste projecten uit de jaren zeventig: de hoek Looiersgracht-Eerste Looiersdwarsstraat, Egelantiersgracht 178-186, Prinsengracht 407-409, die nog zichtbaar verband houden met de omgeving. Daarna komt de hoek Elandsgracht-Eerste Looiersdwarsstraat, waarvan Bakker het nu jammer vindt dat er niet duidelijk het bouwjaar 1982 uit blijkt. Die bedoeling, een nieuw gebouw te doen passen in de omgeving, wordt radicaal losgelaten in de Résidence Le Jardin, ter plaatse van de vroegere dropfabriek Kiene op de hoek Looiersgracht-Lijnbaansgracht, door dezelfde architect B. Loerakker die enkele jaren tevoren de hoek Looiersgracht-Eerste Looiersdwarsstrsaat had ontworpen. Dan komen de werken van Cees Dam: Kerkstraat 395-401 en Nieuwezijds Voorburgwal 77-85, die nadrukkelijk de houding demonstreren: met dat historische stadsbeeld van de omgeving heb ik niets te maken, hier sta ik als man-van-deze-tijd, zie je wel, hoe vernieuwend en gedurfd ik ben!
Bakker had alle aanleiding om verbaasd, en zelfs boos te zijn over de onverwachte weerstand tegen zijn projecten Nicolaas Witsenkade en Amstelveld. Die zetten toch gewoon de lijn voort van vorige projecten, waarvoor hij van de Bouw- en Woningdienst en de Schoonheidscommissie alle medewerking had ervaren? De Gemeenteraad kan zich toch niet gaan bemoeien met de honderden bouwplannen voor de binnenstad die jaarlijks de revue passeren? Daarvoor dient immers de Schoonheidscommissie, die Burgemeester en Wethouders adviseert bij het verlenen van bouwvergunningen.
Dat is allemaal waar, wanneer men de hoofdzaak uit het oog verliest of wegschuift achter hypocriete praatjes over coulissen-architectuur, historiseren en dergelijke taboe-termen. Die hoofdzaak blijft namelijk de zelfstandige waarde van het architectonische en stedebouwkundige karakter van de binnenstad als geheel, een waarde die de som van de individuele monumenten samenvat en te boven gaat. Bakker heeft in zoverre gelijk dat veel mensen wennen aan gebouwen die zij eerst als storend ervaren. De herinnering aan een vroegere situatie vervaagt, je hebt foto's nodig om nog te weten, hoe het was. Dat neemt niet weg dat de lijn die de Schoonheidscommissie nu al jaren volgt, leidt tot het afbrokkelen - project na project, nu hier, dan daar - waar zich een mogelijkheid voordoet, van de Amsterdamse binnenstad als cultuurmonument van wereldwijde betekenis. Dat is niet de schuld van de projectontwikkelaars, zij verdienen er alleen maar aan.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 152, juni 1995)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.