"Monumenten breed bekeken'

Ter gelegenheid van de lang verwachte financiële injectie in de bijna drooggelegde restauratieactiviteit heeft de rijksdienst opnieuw een verzorgd drukwerkje uitgegeven. In '93 werden de "monumenten beter bekeken", in '94 "hecht gefundeerd", nu "breed bekeken". Natuurlijk komt de lezer die enigermate in de materie thuis is, in het ambtelijke proza passages tegen, waarmee iedereen het al sinds jaren eens moet zijn. Vaker stuit hij op beweringen die kant noch wal raken, die alleen te verklaren zijn uit een ambtelijkbestuurlijke behoefte zichzelf op te poetsen, ten koste van hun voorgangers en vooral om aan het woord "conservatief" te ontsnappen.

Dat in de jaren zestig nauwelijks gedacht werd aan functioneel hergebruik van monumentale bouwwerken, en dat daardoor vervreemding ontstond tussen gerestaureerde bouwkunst en nieuwe architectuur, kan alleen beweerd worden door iemand die altijd een veilige afstand tot de praktijk bewaard heeft. Functioneel hergebruik was al in 1918 het uitgangspunt bij de oprichting van 'Hendrick de Keyser', en het is de motor geweest van het herstel van woonhuismonumenten dat in tal van historische stadskernen het verkrottingsproces heeft omgebogen naar herwaardering.

"Het als halsstarrig ervaren, bijna museaal gerichte collectiebeheer van monumentenzorg bleek een dynamische progressieve ontwikkeling van stad en land dikwijls in de weg te staan". Interessante mededeling. De enige instelling die een museaal gerichte collectie historische bouwkunst vormt en beheert is, opnieuw, de particuliere vereniging Hendrick de Keyser, die daarmee een onvervangbare plaats in het Nederlandse monumentenbeheer inneemt. En die "dynamische progressieve ontwikkeling"? Dat is precies het soort reclametaal, waarmee projectontwikkelaars en op hol geslagen gemeentediensten de historische aanleg en bebouwing, overal waar ze de kans krijgen, proberen te vervangen door hun eigen projecten. Volgens de "brede kijk" van de rijksdienst heeft die tegenstelling conservatief-progressief in de jaren zestig en zeventig een eensgezinde visie op de behartiging van het belang van de historische omgeving in de weg gestaan. Alweer: kolder. Die eensgezinde visie bestaat niet tussen slopers en herstellers, heeft nooit bestaan. Wel bestond die eensgezindheid tussen vele eigenaren, particulieren en rechtspersonen, en de toenmalige monumentenzorgers op gemeentelijk en rijksniveau. Het Bergkwartier in Deventer, de Stokstraatbuurt in Maastricht, de honderden door de Amsterdamse Mij. tot Stadsherstel gerestaureerde woonhuizen zijn enkele voorbeelden van een consistente visie op het historische erfgoed. Volgens de brochure werden wel "opgezweept door het noodzakelijke naoorlogse herstel talloze restauraties verricht, maar het bleven doorgaans incidentele eenmalige ingrepen". Wie de moeizame weg kent van een eerste restauratievoornemen naar de oplevering van het werk, weet wat 'incidenteel' en 'eenmalig' betekent. Met verbijstering lezen wij: "Het beeld van een stil en kwetsbaar object van geschiedenis en kunst dat gesloten voor de buitenwereld, zijn cultuurhistorische ziel zichtbaar in lijdzaamheid bezit en totale afhankelijkheid van de goede gever uitstraalt, moet zeldzaamheid worden". Wat is dat voor een slap geleuter? Zo'n tekst past in het verhaal van de voorzitter van de BNA die met afgunst wees naar Tokio, waar men aan de tweede generatie nieuwbouw na de oorlogsverwoestingen toe is. Dat geeft werk en winst, opruimen de oude troep! Van monumentenzorg-zijde betekent die prietpraat zoiets als capitulatiegedrag bij voorbaat. Wel wordt dat verpakt in rozige verwachtingen. "Als het belang van de historische omgeving onze samenleving ter harte blijft gaan - en niets wijst er op dat we de beschaving de rug zullen toekeren -, vormt in de 21ste-eeuw het gerestaureerde monumentenbestand een substantieel deel van de inrichting van ons land". Er zijn helaas tekenen te over dat vele machthebbers de architectonisch-stedebouwkundige beschaving van de monumenten de rug toekeren: Hoog Catharijne in Utrecht, het Haagse Spuikwartier, de Kolk in Amsterdam, de schaalvergroting vreet overal verder. Het monumentenbestand - gerestaureerd dank zij de bewonderenswaardige inspanning van de jaren zestig en zeventig! - vormt een steeds kleiner en voortdurend bedreigd deel van de inrichting van ons land. Zo ergens, dan hoort dat besef te worden uitgedragen door de rijksdienst. De bezuinigingspolitiek van het ministerie van CRM, onder meer tot uiting gekomen in het schrappen van het monumentenaandeel in de stadsvernieuwing, heeft, samen met het afschuiven van de verantwoordelijkheid naar de gemeente, inderdaad geleid tot een isolement van de monumentenzorg in het stedebouwkundig beleid - voor zover aanwezig. Dat isolement wordt niet ongedaan gemaakt door flikvlooierig gewauwel over het marktgerichte denken dat de monumentenzorgers zich eigen dienen te maken. Moeten de Domtoren, het Markiezenhof, het Paleis op de Dam soms marktgericht worden geëxploiteerd? Als reclamemast en als gokhallen? Het is duidelijk dat de rijksdienst geen enkele beheersverantwoordelijkheid draagt voor historische gebouwen! Dat opent het perspectief voor een brede, vrijblijvende kijk op héél grote afstand, neerbuigend jegens voorgangers die het heel wat beter hebben gedaan. Er is nu eindelijk enige financiële ruimte gekomen om een begin te maken met het herstel van de schade door een 15-jarig wanbeleid. Heel wat gemeentebesturen en particuliere organisaties hebben zich daarvoor ingespannen.
De kosten van misselijk makende drukwerkjes kunnen daarbij wel bezuinigd worden.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 156, februari 1996)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.