Schortjes-architectuur

Het misprijzende woord "schortjes-architectuur" dateert, voor zover ons bekend, uit de jaren twintig. De woningnood was groot, er lag een inspirerend uitbreidingsplan klaar, woningcorporaties en particuliere ondernemers wilden graag bouwen, en gingen daarbij uit van de vertrouwde schema's van woningindeling. Vóór- en achterkamer 'en suite', met diepe kasten ter weerszij van schuifdeuren, als motief afkomstig uit de 18de-eeuwse herenhuizen, vormden een standaardelement. De gemeentelijke diensten en de architectengeneraties van de Amsterdamse School en van het Nieuwe Bouwen wilden verder gaan: gevel en interieur horen bij elkaar, gebruiksfunctie en gezicht aan de straat moeten uit één idee voortkomen.

Overwegingen van bouwproductie en kostenbesparing hebben toen geleid tot het loslaten van dat principe: architecten ontwierpen fraaie gevels van huizenblokken, maar mochten zich niet bemoeien met wat achter die gevels gebeurde. Dat was een zaak van de opdrachtgever en de aannemers, zolang het maar voldeed aan de strenger wordende voorschriften. Die op zichzelf aanvechtbare taakverdeling bleek geen beletsel te zijn voor de reputatie die Amsterdam toen verwierf als het "Mekka van de volkshuisvesting", en evenmin voor de huidige waardering voor de "gordel 20-40". In architectenkringen groeide echter kritiek. Ontwerpers voelden zich beperkt tot het tekenen van sierschortjes voor gebouwen, waarmee zij het in functioneel opzicht niet eens waren. "Schortjes-architectuur" werd een vonnis, dat deugt niet.

Vreemd genoeg is dat woordgebruik selectief in zwang gebleven, terwijl de praktijk een andere kant opging. Na de wederopbouwperiode die sterk onder de invloed stond van de traditionele Delftse School, overwon het functionalistische principe op alle fronten. Geen suites meer met daarnaast een smal keukentje voor het huishoudelijk bedrijf, maar ruime eetkeukens, zithoeken en doorzon-plattegronden. In kantoorgebouwen geen monumentaal benadrukte ingangspartijen, maar een onopvallende opening op de begane grond in de uniforme ramenrijen, toegang gevend tot een balie en liftdeuren in een verder lege ruimte. De gevel werd niet meer dan de omsluiting van wat er binnen gebeurde, met veel glas voor het daglicht, maar geen ramen die open kunnen. De toepassing van vliesgevels accentueert een radicale wijziging in het bouwkundig denken. Gevels hebben geen constructieve functie meer voor de beton- of staalskeletten van het gebouw, ze zijn een kledingstuk geworden dat kan worden vervangen. In dat geval wordt het gebouw 'gestript', het skelet blijft staan, vooral als er een dure parkeerkelder onder zit, het wordt opnieuw aangekleed en zo nodig opnieuw ingedeeld. Kortom, de gevels zijn schortjes geworden, doorzichtige schortjes zelfs. Dat alles is een in de huidige bouwindustrie onafwendbare ontwikkeling.
Vanwaar dan het afkeurende gebruik van de term "schortjes-architectuur" tegen voorstellen om in de oude stad achter een bestaande, eventueel herbouwde gevel een nieuw gebouw op te richten?

In de binnenstad, maar ook daarbuiten - zeker in de "gordel 20-40" - is naast de gebruikseisen nog een andere factor van belang, namelijk de zelfstandige waarde van het stadsbeeld als geheel, waarvan het enkele blok of gebouw deel uitmaakt. Een in zijn historische vorm herstelde of herbouwde gevel zal - mits het met kennis van zaken gebeurt - die stadsgezichtwaarde versterken. Daarbij doen zich knelpunten voor, met name in de verdiepinghoogten, maar die zijn met enige soepelheid bij het hanteren van de voorgeschreven standaardmaten wel op te lossen. Het zou regel moeten zijn om in herbouwde gevels een goed gehakt jaartalsteentje te plaatsen, dan is ook het schijnargument 'geschiedvervalsing' van tafel geveegd. Waar het om gaat is, of de opdrachtgevers, architecten en overheden die stadsbeeldwaarde erkennen en beschermen, dan wel veronachtzamen.

Een plek om daarover na te denken is het Weesperplein en omgeving. Daar botst het 19de-eeuwse beeld van de Sarphatistraat op het als "de doodkist" bekende kantoorgebouw langs het Weesperplein en op de recente "Sarphatistaete", die beide de 19de-eeuwse maat en schaal nadrukkelijk ontkennen. Vlakbij staan stevig gestut enkele gevels van de Sarphatistraat. Achter de gevels gaapt een gat, de huizen zijn totaal gesloopt. Het is een bizar gezicht, dat in ieder geval beduidt dat het de bedoeling is om die gevels, onderdeel van een waardevolle rij, te handhaven als coulisse, als gezicht naar buiten van een eind-20ste eeuws gebouw. Het zou de eigenaar kostenbesparing en rendementsverhoging hebben opgeleverd als hij de gevels had meegenomen in de sloop. ledere Amsterdammer die van zijn stad houdt, zal dankbaar zijn dat het niet gebeurde, ondanks de gangbare leuterpraat over de schortjes- architectuur en geschiedvervalsing.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 168, januari 1998)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.