Mais où sont les neiges d'antan?

Op 17 november vorig jaar werd in Amsterdam een aantal kraakpanden ontruimd. Volgens 'Het Parool' had de M.E. haast heimwee naar de roerige dagen van rond 1980, zo tam ging het toe, en 'NRC Handelsblad' citeerde een omstandster die verbaasd had gezegd: "Kraken is toch uit?", met gebruikmaking van de zegswijze 'in' en 'uit', die op haar beurt ook al 'uit' is. Toch kunnen velen zich nog de tijd herinneren, dat de kraakbeweging werd gezien als de speerpunt voor een sociaal woonbeleid.

Wat kan het geestelijke klimaat in zo'n stad binnen de tijd van één leven radicaal veranderen. Wanneer je, zoals wij van de redactie en ook u, lezer, een levendige relatie met Amsterdam onderhoudt, kan je soms met verbazing op het achter je liggende traject terugkijken.
Ik geloof, dit vooraf, dat het velen zal vergaan zoals mij, dat er in je leven een soort 'gat' is: een tijd dat je niet met de maatschappij bezig bent. Na de jonge jaren van de wilde dromen komt immers de trits werk-huwelijk-kinderen, die je volledig opslokt. Het is de tijd van het kwartetspel "als ik de kinderen naar school breng - op de fiets, een stoeltje op de bagagedrager en een aan het stuur - bel jij dan de loodgieter" of (onder academische tweeverdieners): "Kan ik de auto krijgen, want ik moet naar Hilversum, dan haal ik op de terugweg het kind van paardrijles...".

Weesperstraat in 1953 (Bureau Monumentenzorg)
Deze foto bewijst dat de Weesperstraat na de oorlog wel degelijk had kunnen worden hersteld.

Als je wakker wordt uit die roes, is de wereld zo'n vijftien jaar verder en je herkent soms zelfs de taal van je kinderen en de muziek waar ze wild van worden, niet meer. Zo zei mijn vrouw in 1963, heel even opkijkend uit de roes: "Nu hebben ze die hele leuke Weesperstraat onder onze neus weggesloopt, en we hebben er niet eens foto's van gemaakt." Dat was een schok-ervaring, maar de roes van introvert werken en opvoeden was toen nog niet ten einde.

Het buurtideaal

Na 1966, eerst aarzelend, na 1970 met steeds meer energie, begon onze tweede jeugd, die de veranderingen in de stad wilde helpen sturen. Daarbij plonsden we midden in de alles overheersende strijd tussen de grootschaligen en de kleinschaligen. Dat waren magische strijdnamen die je deed denken aan de Hoekse en Kabeljauwse twisten uit de geschiedenisboekjes op de lagere school.
Opgegroeid met het ideaal van kosmopolitisme -'Zodra de oorlog over is verlaat ik het land waar De Ballade van de Boer werd geschreven', was een van mijn favoriete jeugdfanfaronnades- moest ik leren dat de nieuwe correctheid bestond uit het buurtbewustzijn. Ik had nog ergens een jeugdvriendin, met wie ik de gedachte van alleen maar te verkeren op de Boul' Miche', de Newsky Prospekt, Oxford Street of in Greenwich Village had gedeeld. Toen ik haar niet zonder ironie vertelde dat ik me nu met 'de buurt' bezighield, snapte zij de clou niet. Ze antwoordde dat dit vanzelfsprekend was, want je buurt is het dichtst bij je. Zie je, zij had het gat van de kinderen niet gehad en was geleidelijk meegeëvolueerd met de tijd. Haar verleden was waar het hoorde, in de vergetelheid.
Van de afstand van bijna het jaar 2000 zie ik mezelf verdwaald en opgenomen in de Twintigjarige Stadsoorlog (1965-1985). Twee opvattingen bestreden elkaar: de stad-als-woonplaats en de stad- als-produkt. Cityvorming, die de identiteit van de buurt bedreigde, was nu de vijand van de stad-als-woonplaats. Als ooit geschoold marxist herkende ik natuurlijk de eeuwige strijd tussen de vlijtige man en het kapitalistische piratendom achter de leuzen van de dag. Het kraakwezen gold als de extreme vleugel van de kleinschalige woonstad-aanhangers.
Wat ik toen echter niet wist, was dat tijdens de Twintigjarige Stadsoorlog het inwonertal van Amsterdam met 200.000 achteruit ging, een getal dat het saldo was van winst en verlies. Dit houdt in, dat veel meer dan 200.000 inwoners - en juist de koopkrachtigen - de stad verlieten. Was er een oorzakelijk verband?
Normaal leven we in een mengsel van de twee stadsbeelden, maar toen was er een polarisatie ontstaan. Small is beautiful, het leven kan compact per buurt worden samengevat. De school binnen loopafstand, de buurtwinkel terug en de auto's aan de buitenrand: dat was het overzichtelijke kabouterideaal. Als er een boom aan de gracht moest verdwijnen, omdat hij oud was en de reparatie van de wallekant niet zou overleven, verzetten de bewoners zich met de woorden: "Het is toevallig wèl mijn leefomgeving". De ambtelijke voorzitter van de informatieavond zei na afloop: "Ricardo, wat heb jij een lieve buurt." De boom werd voor tonnen ingepakt en gekandelaberd, en de protesterende bewoonster vertrok toch, zij het om heel andere redenen.
Daartegenover stond de dynamische productiestad met sanering van kleine straatjes, met grote kantoren en grote scholen, goedkope supermarkten, een vlotte doorstroming van het verkeer en gericht op goed geld verdienen. Beide levensbeelden waren kinderen van de welvaart, die geld leek over te hebben zowel voor de kleine idylle als juist voor het gigantische spookbeeld. De monumentenzorg heeft haar eigen doelstelling; haar belang was niet gelijk aan dat van de kleinschaligen, maar viel er wel vaak mee samen.

Monolithische klonten

De strijd had zijn listen, belegeringen en veldslagen. De grootschaligen trokken een spoor van plannen voor verkeersdoorbraken en monolithische klonten door de stad. De kleinschaligen verloren de strijd tegen de bank in de Vijzelstraat (1967), een nederlaag die aan de wieg van onze vereniging stond, en wonnen de strijd om het behoud van het De Pintohuis en de kleinschalige structuur van de Nieuwmarktbuurt, mede dank zij onze vereniging. De Narwal op het Bickerseiland (1970) kwam als een monster uit een science-fiction invasie op een kleine buurt af; de buurt kon de Narwal niet tegenhouden. De Weesperstraat als een soort Stalinallee was het afschrikwekkende product van productiegerichte grootschaligheid; maar in de VA/RA-strook zie je de triomf van de kleinschalige, buurtgerichte woonstadidee bij de heling van de geschonden buurt.
In mei 1975 publiceerde 'Het Parool' een tekening van een hotel dat zou worden gebouwd op de plaats van Paradiso en de gevangenis, tot aan het Hirsch-gebouw. De architectuurmedewerker van 'Het Parool', Izak Salomons, had de maquette gezien, die niet mocht worden gefotografeerd. Salomons had de schets echter uit zijn geheugen gemaakt als vrije nieuwsgaring. Hier dreigde dus een grootschalige ontwikkeling, een 'gigantische, monofunctionele klont' en nog wel aan het Leidseplein, de 'huiskamer van Amsterdam'
Onmiddellijk kwamen de kleinschaligen in het geweer. Omdat het plan voor het hotel een initiatief was van Nicolaas Bouwes, noemden de tegenstanders zich 'Planbureau Bouw-es-wat-anders'. Paradiso werd snel door minister Harry van Doorn op de monumentenlijst geplaatst en de plangroep deed er alles aan om gemeenteraadsleden te overtuigen en een eigen alternatief te ontwikkelen. Het idee van het pleintje, nu Max Euweplein, als schakel tussen Vondelpark en binnenstad, leek zo lumineus; hoe bitter is het te ervaren dat falende architectuur hier een tweedeling van kitsch en eenzaamheid heeft voortgebracht.

De scheidslijn tussen grootschaligen en kleinschaligen is niet meer zo duidelijk als in die dagen van bevlogenheid. Kraken is 'uit'. Nu zijn de grote opgaven van Amsterdam: de Noord-Zuidlijn zonder kleerscheuren aan te leggen, IJburg op schema te houden en de Westelijke tuinsteden te herstructureren. Monumentenzorgers verwerpen de Noord-Zuidlijn. Maar die oude leuzen, die vertrouwde Hoekse en Kabeljauwse twisten, ik zie ze niet meer. De trein van de historie rijdt nu door een ander landschap.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 174, januari/februari 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.