Het ambacht in de Bethaniënbuurt

Het zal omstreeks 1960 zijn geweest dat ik voor het eerst aandachtig rondkeek in de smalle straatjes tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Nieuwmarkt/Kloveniersburgwal. Aanleiding was dat de kort tevoren opgerichte stichting Diogenes de aankoop overwoog van een dubbel 18de-eeuws huis in de Koestraat.

Zo neergeschreven lijkt dat heel wat, maar in werkelijkheid ging het om een wrak, versleten pand met zes kleine woningen, waarvan er nog maar één regulier werd bewoond door een Chinees echtpaar dat het woord "huur" niet verstond. Verder ontbraken de woningdeuren; hier en daar lagen matrassen en je struikelde over de lege drankflessen. Blijkbaar diende het pand als nachtasiel voor daklozen. Totdat Bouwtoezicht constateerde dat de keukenuitbouw van de achtergevel losscheurde: dat werd spoedontruiming wegens instortingsgevaar. Een schutting met prikkeldraad moest ongelukken voorkomen; daarachter kon de restauratie beginnen.

De eerste in de Koestraat was het niet. In 1958 had 'Hendrick de Keyser' de nrs. 10-12, het Wijnkopersgildehuis, dat in 1947 door de vereniging was aangekocht uit de nalatenschap van haar eerste voorzitter, grondig laten herstellen en inrichten tot twee kleine musea: een over de wijnhandel en een over de historie van de medische en farmaceutische praktijk. Die bestemming is inmiddels weer voorbij; het Wijnkopersgildehuis dient nu als woning met atelier.
Ging het daarbij om een enkel gebouw van museale kwaliteit, de restauratie van de nrs. 34-36 door Diogenes was het begin van een proces dat gericht is op de herleving van de buurt. Op initiatief van de stichting kwam een werkgroepje bijeen om voor de herleving ideeën te ontwikkelen. Ambtenaren van Monumentenzorg en Stadsontwikkeling deden eraan mee, samen met bestuurders van Hendrick de Keyser, Studentenhuisvesting, Stadsherstel en Diogenes. Zij bogen zich over de zes bouwblokken tussen de Oude Hoogstraat en de Bloedstraat, sindsdien aangeduid als 'de Bethaniënbuurt'.

In de eerste helft van de 17de eeuw was het daar, op de door de stad geconfisceerde kloosterreinen, een deftige woonbuurt. Sweelinck woonde er, de rector van de Latijnse school, Jan van der Heyden met zijn brandspuitenfabriek, en nog meer notabelen. In "De Engel van Amsterdam" heeft Geert Mak de historie verteld van het huis Grasveld aan de Oudezijds Achterburgwal dat nog altijd de allure heeft van de regentenhuizen aan de Heren- en de Keizersgracht. In de 19de eeuw deelde de Bethaniënbuurt in de algemene verarming. De economische opleving door de aanleg van het Noordzeekanaal ging, net als in de Jordaan, aan dit deel van de stad voorbij. Ook hier waren de huizen vaak eigendom van kleine middenstanders, als oude-dag-voorziening, wat leidde tot te zuinig onderhoud en te veel huurders per pand. Ambachtelijke en klein-industriële bedrijven brachten levendigheid, soms ook hinder door stank en lawaai.

De bebouwingsdichtheid van de Bethanienbuurt in 1968 Het inmiddels ingetrokken onuitvoerbare bestemmingsplan

Toen de werkgroep in de jaren zestig de toestand van de buurt bekeek, was van die bedrijvigheid nog een restant over. Het bouwvallige Bethaniënklooster huisvestte een timmermanswerkplaats, daarnaast een constructiebedrijfje met aan de overkant zijn magazijn van ijzeren platen, buizen en hoeklijnen, aan de Achterburgwal vond je naaiateliers en een etuifabriek, op de hoek van de Barndesteeg een kapper, in de Koestraat, in de later door Diogenes gerestaureerde huizen nrs. 7 en 9, een handel in oude metalen die periodiek de hele straat blokkeerde. Hier en daar zat wel een vrouw achter het raam, maar de prostitutie was niet opdringerig aanwezig; die begon voorbij de Bloedstraat. Zuidwaarts vormde - en vormt nog steeds - de Oude Hoogstraat een grens; daar begon de invloedssfeer van de Universiteit. Aan de oostkant lag de door het kaalslag-plan bedreigde Nieuwmarktbuurt, naar het westen, twee burgwallen en stegen verder, de citydrukte van de Beurs en De Bijenkorf. De Bethaniënbuurt was een tussengebiedje, een soort eiland, betrekkelijk stil en nogal vervallen. De werkgroep presenteerde in 1962 aan wethouder De Wit een voorstel om dit kleine stukje binnenstad van 1,7 hectare als een voorbeeld-project voor rehabilitatie aan te pakken. Dat hield in: restauratie van de monumenten, meer licht en lucht in de dichtgeslibde binnenterreinen, minder verkeer, verbetering van de woningen, buurtvoorzieningen en zo meer. Uitwerking van dat voorstel tot een bestemmingsplan moest wachten tot het van kracht worden van de Wet Ruimtelijke Ordening in 1965. Drie jaar later verscheen het boekje "Nieuw leven voor een oude buurt", een mooi verzorgd drukwerk vol wetenswaardigheden, maar met een onuitvoerbaar bestemmingsplan. De afdeling Stadsontwikkeling had de gedachte meer licht en lucht binnen de bouwblokken zó rigoureus doorgevoerd dat vrijwel alle achterhuizen moesten verdwijnen, zodat een te ondiepe randbebouwing overbleef. Even irreëel was de verdeling tussen ruimte voor voetgangers en voor rijdend verkeer. Dat laatste was alleen toegestaan in de Oude Hoogstraat en de smalle Monnikenstraat. Bloedstraat, Barndesteeg, Koestraat en Bethaniënstraat met hun dwarsverbindingen moesten een onderling verbonden voetgangersgebied worden, samen met de tot plantsoen herschapen binnenterreintjes. Wat dat zou betekenen voor de nachtelijke rust en veiligheid voor de bewoners, laat zich raden. In plaats van de verhoopte samenwerking tussen de gemeente en de eigenaren om de Bethaniënbuurt in haar eigen historische gestalte te doen herleven, kwam er een stroom van bezwaarschriften, wat ten slotte leidde tot intrekking van de al te ingrijpende wijzigingsplannen.

Toch was er iets op gang gekomen: de Bethaniënbuurt is geen stil- vervallend eilandje meer. Diogenes verwierf en restaureerde in de Koestraat, na de nrs. 34-36, ook de fraaie drieling 7-9-11, verder Barndesteeg 15 en Oudezijds Achterburgwal 69-79. De pandenlijst van Stadsherstel vermeldt drie huisnummers in de Barndesteeg, acht in de Bethaniënbuurt en tien in de Koestraat. Het Diogenes-gebouw Oudezijds Achterburgwal 73-77, bij de aankoop een sinds vele jaren verlaten textielmagazijn, bevat 17 ateliers en evenveel studentenkamers. Het Bethaniënklooster dat twintig jaar als een scheefgezakte bouwval had staan wachten, bevat nu acht woningen voor muziekstudenten en een zaal voor kamermuziek en recepties die steeds drukker wordt bezocht. Minder verheugend is het opdringen van de prostitutie. Ook de Bethaniënbuurt ontkomt niet aan de stijgende onroerend-goedprijzen en tegen de koopkracht van het zwarte geldcircuit kunnen de non-profit instellingen, die betaalbare huurwoningen tot stand willen brengen, nooit opbieden. Dat laatste geldt evenzeer voor de ambachtelijke bedrijvigheid.
Om weer goed tot leven te komen heeft een oude binnenstadsbuurt, behalve woningen, ook werkgelegenheid nodig. Een enkele keer lukt dat. In het Stadsherstelcomplex naast het Bethaniënklooster is nu een ambachtelijke brouwerij gevestigd. Daartegenover, in Barndesteeg 13, kon Diogenes de parterre huren, toen het constructiebedrijf dat daar zijn opslag had, naar een industrieterrein verhuisde. Nu is in die ruimte het atelier gevestigd van de houtsnijder Kees van Mierlo en de meubelrestaurateur Ditmar Gedexnus, beiden oud-medewerkers van het helaas verdwenen restauratieatelier Uilenburg van Hans 't Mannetje.
Binnenkort voelt de bezoeker de weldadige sfeer van het echte ambachtswerk, het 'denken met de handen'. In ons vorige nummer stond in beeld en woord het verhaal van de deuromlijsting met de beeltenis van admiraal Cornelis Tromp. Wat zou er overblijven van ons culturele erfgoed zonder de mensen die het vak verstaan om dat in stand te houden?

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 175, maart 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.