Buitenambtelijke deskundigheid

Het thema van de 25ste Monumentenstudiedag, 26 maart in Utrecht, was: hoe kun je de cultuur-historische waarden, waar de Monumentenzorg voor staat, op een evenwichtige wijze tot gelding brengen in de ruimtelijke ordening?

In bestemmingsplannen moet met veel, soms tegenstrijdige zaken rekening worden gehouden: economie, volkshuisvesting, verkeer en nog veel meer. Elke sector vertegenwoordigt een stukje algemeen belang, waarachter een groter stuk groepsbelang schuilgaat, elke sector heeft zijn deskundige woordvoerders.
In dit kader werd door verschillende sprekers gewezen op de betekenis van de plaatselijke of regionale oudheidkundige verenigingen en restaurerende stichtingen. In die kringen is een veelzijdig potentieel van deskundigheid en belangeloze inzet beschikbaar, waarvan gemeentebesturen met vrucht gebruik maken. Dat gebeurt ook ... behalve in Amsterdam.

Het Bureau Monumentenzorg (BMZ) ontstond in 1953 op aandringen van de verenigingen KOG, Amstelodamum, Heemschut en Hendrick de Keyser. Het begrip Welstandstoezicht is afkomstig van de Bond Heemschut. Bij alle dempingsdiscussies in deze eeuw is het standpunt van deze verenigingen (achteraf) als juist erkend. Het spectaculaire herstel van de woonhuismonumenten is uit dezelfde hoek afkomstig, bepaald niet van de gemeentelijke diensten Publieke Werken, Volkshuisvesting of het Grondbedrijf. Nu wordt het Bureau Monumentenzorg gereorganiseerd. De directies van de restaurerende instellingen, die beter dan wie ook weten wat de stad van het BMZ mag verwachten, worden niet geraadpleegd. Buitenambtelijke deskundigheid schijnt ten Stadhuize zoiets te zijn als vroeger in nette burgerkringen een buitenechtelijke zwangerschap. Daar praat je niet over, je doet, of het niet bestaat kan!

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 176, mei 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.