Rokin 114

Omstreeks 1850 kocht de toen al bijna honderdjarige Maatschappij tot Redding van Drenkelingen het pand Rokin 114. Rechts daarvan had zich de in 1839 opgerichte vereniging van beeldende kunstenaars Maatschappij Arti et Amicitiae gevestigd in het voormalige café-chantant 'Grand Salon'.

Tussen dat huis en het nog ongedempte Spui stond het niet al te best bekend staande logement 'Het Wapen van Utrecht', ook eigendom van Arti, maar voorlopig nog verhuurd. De notulen van de eerste ledenvergaderingen vermelden klachten van de kunstenaars dat zij 's avonds bij het verlaten van hun sociëteit, lastig werden gevallen door onbeschaamde vrouwspersonen uit dat logement. Het was de tijd van de geklede jassen en de hoge hoeden, decorum werd hoog in ere gehouden. Men moet zich de leden-kunstenaars en de kunstlievende leden van die jaren niet als armlastige bohémiens voorstellen: de lening, waarmee de gebouwen waren betaald, werd in korte tijd binnen de vereniging voltekend. In 1854 was de ergernis voorbij: de architect J.H. Leliman kreeg de opdracht de twee panden te verenigen achter een nieuwe gevel. Het jaarverslag meldt: "Op een allergelukkigste plaats gelegen, zodat het van beide kanten reeds op grooten afstand een uitmuntend effect maakt, zal volgens het plan van den Heer Leliman ons gebouw herrijzen. De breede gevel, welks plaats thans door de beide gebouwen wordt ingenomen, modern doch edel van stijl, in eene lichte kleur opgetrokken, zal de Maatschappij tot eer, der stad tot sieraad strekken". Dat zou, minder hoogdravend, nòg gezegd kunnen worden.
Dat "herrijzen" moet echter niet te letterlijk worden opgevat. Bij de ontmanteling, voorafgaand aan de grondige restauratie van het Arti-gebouw in 1962-1964, kwamen de gedecoreerde muren van de 'Grand Salon' te voorschijn, en, wat erger was, toen bleek dat er nauwelijks funderingspalen onder zaten.

Een dergelijk verhaal heeft het buurpand nr. 114 verteld tijdens de recente restauratie. De stichting Maatschappij tot Redding van Drenkelingen is, evenals het Nut van het Algemeen, Teylers Genootschap en de Maatschappij Felix Meritis, ontstaan uit de verlichtingsidealen van de 18de eeuw. Maatschappelijk hulpbetoon, bevordering van kunsten en wetenschappen en, in het algemeen, van burgerzin, stond de leden van deze notabele genootschappen voor ogen. Het gebouw Rokin 114 werd ingericht tot vergaderzaal met enkele bijruimten en een woning voor de huismeester in het achterhuis. Op de oudste afbeeldingen die we hebben, uit 1856 en 1860, had de gevel al zijn huidige indeling met drie hoge ramen op de hoofdverdieping en drie lage ramen daarboven, onder een rechte kroonlijst. De nadrukkelijk omlijste ingang zat in het midden met een raam links en een rechts. Bij het verwijderen van de pleisterlaag op de gevel werd echter zichtbaar dat de ramen van de hoofdverdieping verlengd zijn in veel ouder metselwerk. Achter het stucplafond van de beganegrond-ruimten kwam een stevige balklaag met een hoekprofiel te voorschijn, die uit omstreeks 1700 zou kunnen dateren. Van oudere datum nog was in het achterhuis de ontdekking van halfvergane eiken muurstijlen met de aanzet van korbeels. Daar zijn we terug in een constructie van vóór 1600. Duidelijk is de bouwgeschiedenis pas vanaf het midden van de 19de eeuw, toen de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen hier haar zetel vestigde. De zaal werd verhoogd tot ruim vijf meter. Waarschijnlijk had het huis voordien een trap- of halsgevel. De kapconstructie zit nog grotendeels op haar oorspronkelijke plaats. Van de spanten en sporen werd echter een paar meter aan de onderkant afgezaagd, zodat de ingekorte kap kwam te rusten op een nieuwe, veel hogere balklaag. Om de gevel het gewenste deftige gezicht onder een kroonlijst te geven werd aan de voorzijde de oude kap vervangen door een kamer onder een eigen dwarskapje. Die kamer was echter alleen te bereiken over de dakplatten, een trap binnenshuis ontbrak.

In 1902 werd het huis opnieuw verbouwd. De ingang verschoof naar links, zodat aan de rechterkant, naast Arti, een kamer kon worden geformeerd voor kantoorgebruik. Achter die kamer bevond zich een halruimte, vanwaar een brede trap voerde naar de vergaderzaal. Die zaal bleef ongerept in haar midden-19de-eeuwse vorm en inrichting. Dat is nog altijd de mooiste ruimte van het gebouw: hoog, strak en statig, met mahoniehouten kasten en wandborden, waarop de namen staan van alle bestuursleden sinds de oprichting. Toen enkele jaren geleden de huismeester overleed nam het bestuur contact op met de buren van Arti et Amicitiae. De Maatschappij tot Redding van Drenkelingen wilde wel haar zetel en haar vergaderzaal behouden, maar niet langer de zorg dragen voor het gebouw dat zichtbaar aan herstel toe was. In 1997 werd Rokin 114 gekocht door de stichting Arti Monumenten, die hetzelfde bestuur heeft als het Fonds voor Weduwen en Wezen van leden-kunstenaars van Arti. De verkoper behield volgens een niet overdraagbaar erfpachtcontract het uitsluitende gebruiksrecht van de zaal, en de bekende naamaanduiding boven de voordeur. Uiterlijk is er weinig veranderd, alleen het dwarskapje boven de voorzijde van de zaal is verhoogd achter een attiek, zodat daar bruikbare en toegankelijke woonruimte ontstond. De belangrijkste wijziging van het interieur is de vervanging geweest van de onoverzichtelijke trappen en doorgangen door een nieuwe spiltrap in het verbindingslid tussen voor- en achterhuis. Het gebouw staat weer stevig, nu op betonpalen, en alle ruimten zijn bruikbaar en goed toegankelijk. De zaal blijft, zoals zij anderhalve eeuw geleden werd ingericht, in het achterhuis en boven de zaal is een aantrekkelijke woning tot stand gekomen; de begane grond kan worden verhuurd als winkel of kantoor. Met een toekomstige doorbraak naar de sociëteit van Arti is rekening gehouden. Het architectenbureau Rappange en de aannemer Schakel en Schrale hebben eer van hun werk, en de bouwhistorische speurzin van de opzichter Nieuwenhuis heeft tijdens het werk heel wat raadsels opgelost.

Het verhaal van Rokin 114 is in het klein een verhaal van de Amsterdamse binnenstad in het groot. In stand houden vergt voortdurend vernieuwen aan de hand van wat voorgangers nalieten. Wie in Rokin 114 binnenkomt bevindt zich in de verbouwing-1902, dat vertellen de vloertegels en de detaillering van de deuren. Gaat de bezoeker rechts de bedrijfsruimte in, dan staat hij onder het twee eeuwen oudere balkenplafond. Doorlopend naar de achterkamer, waar de teruggevonden marmeren vloertegels zijn aangevuld, ziet hij de schouw van de vroegere stookplaats en de eiken muurstijlen op hardstenen neuten die verwijzen naar de oudste bebouwing op deze plek. Terug naar de gang-1902 kan hij kiezen tussen de statige trap naar de zaal-1850 en de nieuwe spiltrap naar de woning, waar hij, boven gekomen, uitkijkt over het Rokin. Het wonderlijke is dat alle hoofdstukken samen één verhaal vormen, dat dankzij de restauratieverbouwing 1998-1999 niet is geëindigd.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 176, mei 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.