De schouw in de Compagnieszaal

Een reconstructie

De mooiste ruimte in het West-Indisch Huis is de zaal, waar in 1625 de bewindhebbers van de West-Indische Compagnie aan de ingenieur Crijn Frederiksz. opdracht gaven om op het eiland Manhattan een fort te bouwen, genaamd Amsterdam.

Die zaal, de kraamkamer van New York, voert de bezoeker terug in de sfeer van de vroege 17de eeuw, toen Amsterdam het centrum was van de wereldhandel ter zee. Onder het roodgeschilderde plafond van moerbalken en kinderbinten hangen koperen luchters, nieuw gemaakt naar het originele model. Tegen de korte oostwand, tegenover de toegang, staat, zoals dat hoort, een schouw. Het daar destijds brandende houtvuur moest de Heren XIX verwarmen tijdens hun vergaderingen. Nu zitten onder de ramen radiatoren, de schouw is een sierstuk geworden, een reconstructie, maar blijft in de ruimtelijke ervaring het brandpunt van de zaal.

De schouw in de Compagnieszaal van het West-Indisch Huis

Mag dat eigenlijk wel volgens de "Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken", die in 1917 werden opgesteld door de Nederlandsche Oudheidkundige Bond (nu KNOB), en die nog altijd als een soort Grondwet van de monumentenzorg in ere worden gehouden? Kort samengevat luidt het 'eerste gebod': "Behouden gaat vóór vernieuwen". Dat ging destijds tegen de praktijk van de eerste generatie monumentenzorgers in, die in middeleeuwse kerken onbekommerd wijzigingen uit de 17de en 18de eeuw sloopten en vervingen door in hun ogen stijlzuivere reconstructies van een onvolledig bekende oorspronkelijke toestand. Sindsdien woedt de strijd tussen restauratiebeginselen en restauratiepraktijk, tussen rekkelijken en preciezen. Dr. W. Denslagen die in maart jl. in Utrecht werd benoemd tot bijzonder hoogleraar in de geschiedenis en de theorie van de monumentenzorg, gaf daarvan in zijn oratie "Nostalgie en modernisme in de monumentenzorg" een overzicht. Reconstructie van gebouwen en van delen van gebouwen die zijn verdwenen, wordt van twee kanten veroordeeld. Voor modernistische architecten is het een miskenning van hun eigentijdse creativiteit, voor de kunsthistorici is het vervalsing van hun studiemateriaal. Dat zijn de authentieke bouwsporen, die samen de geschiedenis van het gebouw documenteren. Die bouwsporen zijn toch al vervaagd, veelal verstoord, door elke opknapbeurt die het gebouw heeft ondergaan; wat nog over is moet zichtbaar blijven. In die gedachtengang is elke reconstructie waardeloos, zelfs bedrog. Wat is dan de drijfveer van die telkens opduikende reconstructievoorstellen? Daarvoor dient het woord 'nostalgie', volgens Denslagen in de monumentenzorg sinds het begin van de 20ste eeuw gebruikt als scheldwoord. In verlichte kringen, zo zegt hij, geldt dat als een degeneratieverschijnsel, een domme gemoedsaandoening, een valse vorm van heimwee, een ziekelijke angst voor de werkelijkheid, kortom: onbespreekbaar.

Wat was de werkelijkheid in de Compagnieszaal na de fatale brand in december 1975? Het West-Indisch Huis was op dat moment in gebruik als textielmagazijn. De zaal werd horizontaal gedeeld door een metalen rooster, een tussenvloer, volgepakt met dozen ondergoed. Het plafond bestond uit latten en stuc, met een profiellijst. De ramen waren bij een 18de-eeuwse verbouwing, met gebruikmaking van de eiken kozijnen uit 1623, circa 30 cm verlaagd, zodat deze door de natuursteen band in de binnenplaatsgevels heenzakten en de ontlastingsbogen met sluitsteen en hoekblokjes geen visueel verband meer hadden met de ramen. In de kozijnen was op vier plaatsen de aftekening te zien van het fijn geprofileerde middenkruis dat was weggezaagd toen de originele indeling, van luiken beneden en glas-in-lood boven, werd vervangen door schuiframen. De zaal was toegankelijk gemaakt vanuit een later over de binnenplaats gebouwde gang, die de binnenplaats ruimtelijk verminkte; de vroegere toegang uit de westvleugel was dichtgezet. De rijksdienst oordeelde dat die interessante bouwgeschiedenis zoveel mogelijk zichtbaar moest blijven. Het stichtingsbestuur vond dat een onooglijke en onbruikbare verminking van de ook historisch belangrijke ruimte en ging in beroep bij de Raad van State. Vlak voordat het beroep zou worden behandeld, werd een compromis bereikt. De rijksdienst slikte de bezwaren in. Het stucplafond verdween, daarboven kwam, puntgaaf, een eiken plafond van moerbalken en kinderbinten te voorschijn. Het gangetje over de binnenplaats werd gesloopt, de zaal kreeg haar oude toegang terug. De ramen kwamen weer op hun plaats, zodat de binnenplaatsgevel zijn oorspronkelijke verhoudingen en indeling herwon. De zaal werd, bovenal, weer uitstekend bruikbaar, eerst voor trouwpartijen, nu voor vergaderingen en recepties. Op één punt gaf het stichtingsbestuur toe: de kruiskozijnen kwamen niet terug. Die reconstructie zou de zaak ook haar vroeg-17de-eeuwse lichtinval hebben teruggegeven, maar er waren argumenten om de 18de-eeuwse roedenramen in de binnenplaatsgevels te handhaven.

Het pentagram van de oostwand van de Compagnieszaal, waaruit de maten van de schouw-reconstructie werden afgeleid

Het meest extreme voorbeeld van reconstructie toont de schouw. Dat was een toevoeging die zonder rijkssubsidie mogelijk werd gemaakt door een schenking van American Express. De enige aanwijzing dat daar een stookplaats had gezeten was een roetbaan in het metselwerk. De beeldhouwer Hans 't Mannetje, die in het restauratieatelier Uilenburg veel studie maakte van historische maatsystemen, construeerde in de verhoudingen van de muur een gelijkzijdige vijfhoek, een z.g. pentagram, waaruit hij de hoofdvorm en de onderlinge proporties van de schouw afleidde. De eikenhouten kroonlijst van de schouw werd in het restauratieatelier gesneden naar voorbeelden in het Rijksmuseum. Van een haardplaat in het museum, met een voorstelling van de verovering van de zilvervloot door admiraal Piet Heyn, mocht een afgietsel worden gemaakt. De marmeren kolommen had de architect Gerard de Klerk gevonden bij een antiquair in Brussel. Mensen die een vraag stellen over de datering weten: de "getordeerde" kolom werd pas in de tweede helft van de 17de eeuw een door barok- architecten graag toegepaste vorm, naar het voorbeeld van het reusachtige bronzen baldakijn van Bernini in de Sint Pieter in Rome. Na 1647 was de West-Indische Compagnie al verhuisd naar haar eigen pakhuis aan de Prins Hendrikkade. Een tegeltje met de naam van de schenker maakt trouwens al duidelijk dat de schouw niet pretendeert een origineel uit de bouwtijd 1623 te zijn. Het is in elk opzicht een reconstructie, met twintigste-eeuwse stijlkennis en ambachtelijk vakmanschap en met gebruikmaking van 300 jaar oude onderdelen. Zonder de schouw zou de zaal iets leegs, iets onbestemds hebben gekregen. Een open haard volgens modern 'design' zou daar een belachelijke dissonant zijn geweest. De enige juiste oplossing op die plek was reconstructie van een schouw, zoals die er drie eeuwen geleden gestaan zou kunnen hebben. Dat heeft meer met de werkelijkheid van nu te maken dan doctrinair vasthouden aan "grondbeginselen", die nodig waren in 1917.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 177, juli 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.