Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen

Paas-os of gilde-os

De paas-os, in de gevelbekroning van Noordermarkt 17
Zo'n twee jaar geleden ontdekte ik dat de houten ossenkop van de gevel Warmoesstraat 66 was gejat. Onze vereniging heeft zich toen beijverd dit aan de grote klok te hangen via persberichten en een radio-interview.

In de kranten werd de kop wegens de bloemenkrans aangeduid als zijnde de kop van een 'paas-os'. Dit is echter onjuist. De 'paas-os' werd jaarlijks op paaszaterdag, begeleid door stadstamboers en pijpers, door het vleeshouwersgilde door de stad en naar de vleeshal gevoerd. Deze os was versierd met een fraai kleed over de rug en een soort gordijntje met franje tussen de horens. Zo'n versierde 'paas-os', met het jaartal 1765, is nog te zien in het fronton van de halsgevel Noordermarkt 17.

De bloemenkrans om de verdwenen ossenkop duidde erop dat het hier om een prijs-os van het schuttersgilde ging. De schutters hielden op 15 augustus hun jaarlijkse monstering van nieuwe leden. De zaterdag daarop werd de 'gilde-os' omgeleid, die omkranst met bloemen naar de slachtplaats werd gevoerd om als hoofdschotel te dienen voor de gildemaaltijd, de zondag daarop.

Het beroeps-uithangteken van slagers: een grote houten ossenkop. Dit exemplaar is gestolen uit de Warmoesstraat 66.

De grote, houten met lood beklede ossenkoppen waren de duidelijke beroepsuithangtekens van de slagers, de been- en vleeshouwers, zoals men vroeger zei. Tot voor enkele jaren hing een vrijwel identieke ossenkop uit op nummer 22 in de Warmoesstraat, waar ooit slagerij Coffeng zat. De onlangs gerestaureerde ossenkop van Nieuwendijk 24 werd in 1820 aangebracht door de schoenmaker Franciscus Wijsmullerdiende en heeft geen bloemenkrans.
In het Amsterdams Historisch Museum hangt een groot schilderij uit 1564 van een 'prijs-os' met bloemenkrans. Op de lijst staat: "DEES OS IS GEWONNEN SCUTTERLIC - VAN JACOP REYERSZOON BOON - DOE TEN TWIEDEMAELE DIE PAPEGAY - WAS GESET, VAST, SUVER, SCHOON". Dus zoals heden nog gebeurt met de houten Koningsvogel door de schuttersgilden in Limburg; toen werd een houten(?) papegaai op een staak gezet. Die moest er vanaf worden geschoten. Dat is Jacop blijkbaar met vaste hand, zuiver en mooi gelukt. Wagenaar noemt in zijn stadsbeschrijving (1765) het schilderij als aanwezig op de kamer van de Groot Kamersgilde in het Stadhuis en tekent erbij aan: "Uit eene oude rekening van dit Gilde, is mij gebleeken, dat het zelve, op de jaarlyckse Gildemaaltijd, eenen geheelen os plagt te slagten, nadat dezelve, voorgegaan van speelluiden, eerst de stad rondgeleid was".

Jos Otten

(Uit: Binnenstad 177, juli 1999)

[Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.