Onze vereniging bestaat 25 jaar

Op 6 maart 1975 werd onze vereniging opgericht, na ontbinding van twee verenigingen met een beperkter doelstelling: de Vrienden van Diogenes, een steunvereniging voor de stichting, en Levend Monument, die de belangen van monumenteneigenaren behartigde.

Onder de talrijke evenementen in de sfeer van de monumentenzorg in dat jaar zal de geboorte van de nieuwe vereniging buiten de eigen kring nauwelijks aandacht hebben getrokken. 1975 was het Europese Monumentenjaar, de monumentenzorg in Nederland was een eeuw geleden begonnen en onze stad vierde haar 700-ste verjaardag. Voor de leden die van de ontbonden verenigingen overstapten in de nieuwe, was het eerst zichtbare verschil dat het driemaandelijkse bulletin de Lamp van Diogenes, waarvan toen al 31 nummers waren verschenen, voortging als de Lamp zonder meer. Dat bescheiden begin is uitgegroeid tot het volwassen tijdschrift Binnenstad; van het begin doorgeteld is dit het 179-ste nummer.

Ons tijdschrift

Binnenstad beperkt zich niet meer tot hetgeen zich binnen de Singelgracht afspeelt. Het statutaire werkterrein van de vereniging is verruimd tot aan de gemeentegrenzen, al blijft de aandacht in het bijzonder gericht op het nu officieel, maar lang niet altijd feitelijk beschermde stadsgezicht. Ons tijdschrift heeft een eigen plaats verworven naast de landelijke bladen Heemschut en Monumenten, het wetenschappelijk historische Amstelodamum en het informatieve familieblad Ons Amsterdam. In het laatste nummer dat onder de oude naam de Lamp van Diogenes verscheen, februari 1975, wordt als doel genoemd: "De vereniging zal een krachtige stem moeten laten horen tegen ontluisterende plannen, zowel van de gemeente als van particuliere ontwikkelaars". Dat voornemen heeft de redactie 25 jaar lang nagestreefd, onafhankelijk en zonder aanzien des persoons.

Andere uitgaven

De doelstelling "verbreding van de kennis van Amsterdam" is de drijfveer geweest voor het standaardwerk Bouwen in Amsterdam door Henk Zantkuijl dat eerst in afleveringen bij ons blad verscheen, en in 1993 in samenwerking met de uitgever Architectura et Natura gebundeld werd tot een imposant boekwerk van 757 bladzijden. Het laatste deel vormde tevens de dissertatie, waarop de auteur in Delft promoveerde. Een ander initiatief van de vereniging was het in 1997 bij de uitgeverij THOTH verschenen boek Amsterdam verdient beter door Geurt Brinkgreve, Wiek Röling en Max van Rooy, fotoredactie Maarten Brinkgreve. Specials van Binnenstad hadden onder meer het Claes Claesz. Hofje, de Bethaniënbuurt, het West-Indisch Huis en Nieuwe Gevelstenen in Amsterdam tot onderwerp.

Prenten

De eerste van onze serie prenten van Amsterdam: "Gouden Eeuw", houtgravure door Lou Strik

Een heel apart, maar nog te weinig bekend project van de vereniging is de uitgave van de reeks Prenten van Amsterdam. Van weinig steden in Europa zijn in de 17de en 18de eeuw zoveel prenten, meestal kopergravures, gemaakt als van Amsterdam. De trots van de burgerij op hun weergaloze stad spreekt uit werken zoals het Grachtenboek van Caspar Philips en de Atlas van Fouquet. In de periode van verval, tussen de Franse tijd en de opleving na de opening van het Noordzeekanaal, verflauwde die grafische productie, maar in het laatste kwart van de 19de eeuw waren er weer kunstenaars die hun motieven vonden in de oude stad, Breitner en Willem Witsen zijn onder hen de meest bekende, maar niet de enigen geweest. De praktische functies van de grafiek, de reproduceerbare, visuele documentatie, werd in die tijd overgenomen door de fotografie. Wie nu de toeristenstromen gadeslaat, krijgt soms de indruk dat het plaatjesschieten de plaats heeft ingenomen van zelf kijken. Onder de lawines van fotoboeken over Amsterdam liggen echter ook uitgaven die aantonen dat het kunstenaarsoog zich zowel van een camera kan bedienen als van een tekenstift. De camera wordt dan als artistiek uitdrukkingsmiddel een aanvulling, maar geen vervanging van de vanouds bekende grafische technieken, die een grotere vrijheid bieden ten aanzien van de door ieder waarneembare realiteit; de prenten zijn echter beperkter in hun oplage. Om toch de vraag naar originele grafiek met Amsterdam als onderwerp in leven te houden, besloot het verenigingsbestuur in 1978 om elk jaar aan een grafisch kunstenaar de opdracht te verlenen, een ets of litho te maken in een oplaag van 150 genummerde en gesigneerde exemplaren die bestemd zijn voor de donateurs- leden. De ontwerper is vrij in de keuze van zijn techniek en van zijn onderwerp, het kan een stadsbeeld zijn of een eigen uitbeelding van de actualiteit of van de geschiedenis. De enige omschrijving van de opdracht is ‘herkenbaar Amsterdam’. De serie begon met een houtgravure door Lou Strik, getiteld ‘Gouden eeuw’. Aan de twintigste - maar uiteraard niet de laatste - is Nicolaas Wijnberg bezig. Zijn onderwerp is een van de laatste scheepswerven op het Prinseneiland.
Ter gelegenheid van het 25-jarige bestaan van onze vereniging wil het bestuur een special doen verschijnen: Twintig prenten van Amsterdam. Een inleiding van Nicolaas Wijnberg bevat een uiteenzetting over de verschillende grafische technieken, hun geschiedenis en hun toepassing. Ook voor de niet- vakman wordt daarin het verschil duidelijk tussen ets, litho, houtsnede, zeefdruk en zo meer.

(Uit: Binnenstad 179, nov. 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.