Interview met Piet Kranenberg

Het mooiste uur van een Amsterdamse doorzetter

Mei volgend jaar gaat het gerestaureerde Olympisch Stadion open. Het is een klein wonder, want eind jaren tachtig was het vrijwel zeker dat ‘de pisbak van Roffel’ gesloopt zou worden. Piet Kranenberg leek een hopeloze strijd voor het behoud van het stadion te voeren, maar ‘de redelijk doortastende’ Amsterdammer bewees opnieuw zijn faam.

Het was 1959 en president-directeur Verrijn Stuart van de Amstelbrouwerij had de vier directeuren van zijn bedrijf ‘s avonds bij hem thuis uitgenodigd. Natuurlijk ging het gesprek over het bedrijf en hoe dat geleid moest worden. Aan het eind keek Verrijn Stuart het viertal, onder wie de kersverse directeur Piet Kranenberg, streng aan en zei: “Een van u vieren moet iets aan het sociale aspect van de samenleving doen.”
Piet Kranenberg: “Toen we weer buiten stonden, keken we elkaar aan en zeiden: Wat zou hij daarmee eigenlijk hebben bedoeld?”

De president-directeur zou nu buitengemeen tevreden zijn over de manier, waarop zijn advies werd opgevolgd. ‘Artis moet blijven’, was de eerste actie, waarin Kranenberg zich stortte; de bouw van het Hiltonhotel aan de Apollolaan, de restauratie van de Westerkerk en de Noorderkerk waren slechts enkele van de andere activiteiten, waarbij hij betrokken raakte. De grote klapper was natuurlijk de redding van het Olympisch Stadion. Maar ook bij het Marie Heinekenplein was de nu 82-jarige actief.

De groep, waarvan Heineken deel uitmaakte - toen al gefuseerd met Amstel, had besloten, de brouwerij aan de Stadhouderskade-Ferdinand Bolstraat te sluiten. Een deel van het complex zou gesloopt worden en de 10.000 m2 die vrijkwam wilden de brouwers aan de stad teruggeven. Een prijsvraag onder aanenemers leverde plannen op die varieerden van een enorme woontoren met zeer dure appartementen tot een plan voor sociale woningbouw. Van den Ende kwam met zijn idee voor de bouw van een musicaltheater. Kranenberg zat in de overleggroep die met de deelraad De Pijp en bewoners overlegde over alle plannen. Meer dan veertig, vaak woelige vergaderingen maakte hij mee; uiteindelijk werd besloten tot de bouw van winkels en woningen. Maar toen moest er nog een naam worden gevonden. Piet Kranenberg: “Op de dag dat Nelson Mandela uit de gevangenis kwam, hadden we weer een bijeenkomst. Er waren vertegenwoordigers uit de bevolking bij, een paar ambtenaren en twee deelraadwethouders. Daar viel de beslissing, het plein het Nelson Mandelaplein te noemen. De deelraad nam echter geen beslissing, bij de wethouders kwam een stemming van: “We hebben het wel gezegd, maar....”

MIEZERIG

Een nieuwe vergadering van het beraad was nodig. Kranenberg: “Het Comité Zuid-Afrika was er ook en eiste dat het eerdere besluit werd uitgevoerd. De manier waarop dat gebeurde, wekte weerstand en ik heb toen gezegd: “Mag ik eens even stilte, we hebben te maken met een figuur van enorme importantie. Zouden we niet eens nadenken, of we het Leidseplein of het Rembrandtsplein naar hem moeten vernoemen? Waarom moet zijn naam bij zo’n miezerig pleintje in de Pijp komen? “Nou, dat sloeg wel aan”.
De deelraad dook in het verleden om na te gaan, of er geen vrouw was naar wie het plein kon worden vernoemd. Een ambtenaar kwam met schilderessen en daar zat Marie Heineken bij. Van haar hangen een paar stukken in het Stedelijk. Ik heb toen meneer Heineken gebeld en gevraagd, of hij het goed vond dat het plein haar naam kreeg en Ferry zei: ‘Prima’.

“Ik ben overigens dolgelukkig dat het idee voor een groot musicaltheater niet is doorgegaan. Het zou een ramp zijn geworden met al dat verkeer. Maar laten we eerlijk zijn: het plein, zoals het er nu uitziet, behoort niet tot mijn favorieten.Maar ja, de bevolking wilde indertijd dat plan uitvoeren, maar ik geloof dat het plein zelf nu iets beter begint te draaien.”

STADION

In het begin van de jaren zestig kwamen Kranenbergs eerste bemoeienissen met het in 1928 door Jan Wils gebouwde Olympisch Stadion. Als directeur van de Amstelbrouwerij onderhandelde hij met de stadiondirectie over het bier dat in het stadion geschonken zou worden: natuurlijk moest dat Amstel worden. In 1968 kwam hij in de Raad van commissarissen en vanaf 1989 werd hij adviseur. Heeft hij ‘s nachts nooit gedroomd over het stadion?
Kranenberg: “Nee, nooit. Maar ik kan U wel zeggen dat het een geweldige voldoening geeft als in mei 2000 het gerestaureerde stadion opengaat. Voor mij is dat mijn ‘finest hour’.”

De bijna onmogelijke strijd van Kranenberg om het Olympisch Stadion te behouden, begon in 1985 na de mislukte poging om de Olympische Spelen in Amsterdam te krijgen. Over het stadion werd geschreven als ‘De pisbak van directeur Roffel’, de buurt was het vandalisme van de voetbalsupporters zat en in de gemeenteraad werd een motie van Rita Weeda (PvdA) aangenomen om te onderzoeken, of woningbouw op het terrein mogelijk was. Stadion-adviseur Kranenberg zorgde ervoor dat het ene alternatieve plan na het andere op het stadhuis kwam. Een van de plannen voorzag erin om het veld te laten zakken en de tribunes te verhogen, een ander plan hield de sloop van het stadion in en de bouw van een nieuwe arena op de bijvelden, plus de bouw van kantoren. Ze werden op het stadhuis nauwelijks serieus genomen. Kranenberg: “ We hadden het plan om in het stadion bioscopen te maken, maar elke keer zei de gemeente: ‘nee’. Wat wil je, politiek Amsterdam had zich verbonden om dat ding omlaag te halen en voor Ajax een nieuw modern stadion te bouwen.”

PARIA

Kranenberg die door gemeentebestuurders altijd was bejubeld en op wie ze nooit vergeefs een beroep hadden gedaan, werd een soort paria op het stadhuis. “ Ik had niet meer de goeie reputatie die ik had”, zegt hij er nu glimlachend over. De eerste doorbraak voor Kranenberg en zijn medestanders kwam, toen mr. Mulder, president-directeur van de rechtbank, zich afvroeg, of het stadion niet in aanmerking hoorde te komen voor een plaats op de rijksmonumentenlijst. Kranenberg wreef in zijn handen. De onderzoeken wezen uit dat het stadion recht had op die lijst. De monumentenstatus werd dus aangevraagd en in 1991 maakte minister d‘Ancona van het stadion een rijksmonument. Op het stadhuis en in de deelraad Zuid schrok men wel, maar de wanhoop sloeg niet toe. Het stadion zou immers gesloopt kunnen worden, als er voor het rijksmonument geen goede exploitatie was te vinden.

Voor Kranenberg werd het er niet prettiger op. “Wij werden aangewezen als degenen die de gemeente tegenwerkten en de bouw van 1850 woningen tegenhielden en wij moesten nu in korte tijd aantonen dat het monument te exploiteren was.”
Maar als Kranenberg ergens, aan begint dan gaat hij door, en hoe meer problemen er komen, hoe beter hij zich gaat voelen. De Stichting tot behoud van het Olympisch Stadion gaf architect André van Stigt opdracht te onderzoeken, of restauratie en hergebruik van het stadion mogelijk was. Het kon, het kon zelfs voor 24 miljoen gulden. De tweede betonnen ring die in 1938 op het stadion was gekomen, zou gesloopt worden en onder de tribunes zouden aan de sport gelieerde kantoren en bedrijven komen. Een makelaarskantoor controleerde, of de ruimtes onder de tribunes inderdaad goed te exploiteren waren en toen ook dit onderzoek positief was, voelde Kranenberg dat de behoudacties op het punt stonden om succesvol te worden. Deelraad, gemeentebestuur, en provincie Noord-Holland konden niets anders meer doen dan akkoord gaan met de plannen.

TRUC?

Even dreigde het mis te gaan. Wethouder Stadig van het stadsbestuur vond dat een nationale reddingsactie zoveel geld moest opleveren dat duidelijk was dat onder de burgerij een stevig draagvlak bestond voor het behoud en de restauratieplannen.

Was dat een truc van de wethouder om de slopers toch nog te kunnen inschakelen? Kranenberg haalt zijn schouders op. “Ik ga er vanuit dat mijn medemens redelijk betrouwbaar is. In ieder geval hebben wij gezegd dat we zouden zorgen vijf miljoen gulden binnen te halen.”

Vraag aan Kranenberg voor een of ander goed doel een grote som geld bijeen te brengen, en het lukt. Hoe flikt -ie dat altijd?
Weer haalt Kranenberg zijn schouders op: “Ik heb twee eigenschappen. Ik ben redelijk vasthoudend en ik kan me niet herinneren dat ik mensen ooit heb beduveld. Bovendien was ik razend enthousiast voor het plan van Van Stigt, dat plan gaf me een absoluut vertrouwen in de goede afloop.” Het geld kwam er natuurlijk en 1996 kwam de beroemde 3 decemberavond op het stadhuis, toen Stadig de opbrengst van de actie accepteerde. Hij zei ook dat er nu een belegger gevonden moest worden die de plannen zou realiseren. Hij adviseerde het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB). Kranenberg: “Ik vroeg aan Stadig, of ik aan zijn hand er naartoe mocht gaan. Het antwoord was: ‘Niks ervan, ga maar alleen.’ Dat heb ik gedaan, ik heb een presentatie van de plannen gehouden en het SFB was enthousiast.” En nu is het nieuwe stadion bijna klaar. De betonnen ring bovenop en vóór het stadion die door architect Jan Wils in 1938 werd gebouwd om de capaciteit te vergroten is gesloopt, zodat de oorspronkelijke schoonheid van het stadion te voorschijn kwam. De restauratie door Van Stigt zorgde ervoor dat de verwaarloosde Assepoester een prinsesje werd. De kantoorruimtes zijn allemaal verhuurd en de stichting Sportstad zal zorgen voor de evenementen die worden gehouden.
Kranenberg: “De atlethiekverenigingen AHC en Sagitta gaan naar het stadion en de KNAU organiseert er in 2001 de Europese jeugdkampioenschappen. Bovendien zal de Atlethiekunie er haar grote wedstrijden houden. Daarover overleggen we nog met Hengelo, waar die wedstrijden nu worden gehouden, we moeten de plannen met die gemeente goed afstemmen. We gaan in het stadion ook de schoolvoetbalwedstrijden houden. Het moet een ontoetingsplaats voor de jeugd worden. Nee, geen profvoetbal. Er komen uitsluitend activiteiten die buurtvriendelijk zijn. Ajax komt er dus niet meer in. Ik heb vroeger de klachten uit de buurt wat overdreven gevonden, maar ik moet toegeven dat er op de Stadionkade veel vandalisme plaatsvond. In het stadion zelf hebben we nooit problemen gehad, daar zorgde directeur Roffel met zijn hondenbrigade wel voor, maar de buurt heeft veel last van supporters gehad. Dat mag niet meer gebeuren.”
Na de opening in mei aanstaande zal Kranenberg zich niet meer intensief met het stadion bemoeien. “Voorlopig ga ik net doen, alsof er in Amsterdam niets meer te doen is.” Het klinkt onwaarschijnlijk!

Frans Heddema

(Uit: Binnenstad 179, nov. 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.