Bouwkundige reconstructie van het Rembrandthuis voltooid

Zelden zal een restauratieproject zozeer de gemoederen onder monumentenzorgers en kunsthistorici hebben verdeeld als de reconstructie van het zeventiende-eeuwse interieur van het Rembrandthuis. Voor- en tegenstanders voerden vorig jaar een verhitte pennenstrijd, onder meer in de kolommen van Het Parool (zie ook: Rembrandthuis: Een mooi reconstructieplan), waarbij de reconstructie inzet werd van een allengs principiëler wordende discussie over restauratie-ethiek en authenticiteit. Was het plan om het interieur anno 1656 te reconstrueren ‘pure nep’, zoals de tegenstanders meenden? Was het geoorloofd om de eerdere restauratie van architect K.P.C. de Bazel deels ongedaan te maken en diens vroeg-twintigste-eeuwse museuminterieur te vervangen door een zeventiende-eeuws woonhuisinterieur?

Het Cuypersgenootschap startte een bezwaarprocedure tegen het verwijderen van het interieur van De Bazel, waardoor de restauratie op een jarenlange vertraging dreigde te stuiten. Uiteindelijk moest de rechter eraan te pas komen. Vanwege de principiële stellingname van beide partijen vormen de processtukken waardevol onderzoeksmateriaal voor toekomstige architectuurhistorici die willen weten, hoe verschillend er aan het eind van de twintigste eeuw over de restauratie van historische gebouwen werd gedacht. De uitkomst van het geschil is bekend: de rechter oordeelde dat aan alle zorgvuldigheidseisen was voldaan en gaf daarmee het Rembrandthuis het groene licht om de restauratie uit te voeren. Nu het bouwkundige deel van de reconstructie is voltooid, kunnen de eerste resultaten van de restauratie door iedereen worden bewonderd. En dat die alle verwachtingen blijken te overtreffen, moeten zelfs aanvankelijke tegenstanders van de reconstructie erkennen. Onder leiding van Henk Zantkuijl is het restauratieteam erin geslaagd, een overtuigend zeventiende-eeuws interieur te herscheppen. Zelfs nu het huis nog niet volledig is gestoffeerd en gemeubileerd (dat zal het komende jaar gebeuren), waant de bezoeker zich werkelijk in een woonhuis uit de tijd van Rembrandt.

Henk Zantkuijl in het Rembrandthuis

Dankzij de boedelinventaris die bij Rembrandts faillissement in 1656 werd opgemaakt, is bekend hoe de vertrekken van zijn huis waren ingericht. Ook de oorspronkelijke functie van elk vertrek kan uit dit - voor de reconstructie onmisbare - document worden afgeleid. Andere archivalia verschaffen belangrijke aanvullende informatie over de bouwgeschiedenis van het huis, zoals de boedelinventaris van de eerste bewoner, de koopman Pieter Belten, opgemaakt bij diens overlijden in 1626. Daarnaast geven tekeningen en prenten van Rembrandt ons een beeld van de aanblik die het interieur moet hebben geboden toen de kunstenaar er woonde en werkte. Van geen zeventiende-eeuws woonhuis in Amsterdam is de bouwgeschiedenis aan de hand van papieren getuigenissen zo grondig bestudeerd, hetgeen het reconstructieplan een stevig wetenschappelijk fundament verleende.
Maar uiteindelijk zijn het toch vooral de bouwhistorische inzichten van Henk Zantkuijl geweest, die een verantwoorde reconstructie mogelijk hebben gemaakt. Op basis van diens diepgaande kennis van de zeventiende-eeuwse woonhuisarchitectuur in het algemeen en de bouwgeschiedenis van het Rembrandthuis in het bijzonder, kon een reconstructieplan worden opgesteld dat in alle opzichten de toets der wetenschappelijke kritiek kon doorstaan. In overleg met Henk Zantkuijl maakte architect Maarten Neerincx de bouwtekeningen, op grond waarvan de firma’s Kneppers en Midreth de verbouwing konden uitvoeren.
Bij de restauratie is ernaar gestreefd, zoveel mogelijk authentieke zeventiende-eeuwse elementen in de reconstructie op te nemen. Zo kon voor de Sael, Rembrandts woonkamer in het achterhuis, een prachtige eiken schoorsteenkap worden verworven, geornamenteerd met hetzelfde vroeg-zeventiende-eeuwse rolwerk dat we aantreffen in het cartouche met het bouwjaar 1606 aan de voorgevel van het huis. Uit dezelfde periode dateren de fraaie stenen mannen- en vrouwenfiguren die aan weerszijden van de schouw de kap schragen. Blijkens een tekening die Rembrandt omstreeks 1641 maakte van Saskia in bed, werd de schouw door precies zulke hermen gesierd. Gekleurde tegels met florale motieven uit de jaren 1620 completeren dit indrukwekkende schoorsteenensemble.

Saskia in bed. Tekening Rembrandt, circa 1641

In hetzelfde vertrek kon een zeventiende-eeuwse bedstee worden geplaatst, die door het Rijksmuseum in bruikleen werd gegeven. Op Rembrandts tekening is goed te zien dat zich hier vroeger een vergelijkbaar exemplaar bevond. De classicistische ornamenten wijzen op een datering die correspondeert met de verbouwing van het huis door Jacob van Campen in 1628. De monumentale bedsteewand was zo groot, dat de helft daarvan kon worden gebruikt voor de bedstee in de Sijdelcaemer, de kamer naast de hal aan de straatzijde. In dit vertrek, waar Rembrandt waarschijnlijk zijn klanten ontving en dat dus een voornaam, representatief voorkomen moet hebben gehad, wordt de schoorsteenkap gedragen door imposante zeventiende-eeuwse zuilen en halfzuilen, vervaardigd van roodgeaderd marmer. De gereconstrueerde kap werd van een marmerschildering in dezelfde kleurstelling voorzien, evenals de omlijsting van de deur die vanuit het Voorhuijs toegang geeft tot dit vertrek.
Het Voorhuijs onderging eveneens een spectaculaire metamorfose. De achtermuur in de entreehal werd teruggeplaatst, voorzien van twee rechthoekige raampjes met classicistische lijsten en een ovaal raampje boven een poort, die wordt omlijst door een - volgens klassieke principes vormgegeven - geboste triomfboog. Door de knappe beschildering wordt de suggestie gewekt dat deze poortomlijsting van wit marmer is vervaardigd. In de zeventiende eeuw was het marmeren van houten deurlijsten en schouwen een veel gebruikte methode om zulke beeldbepalende elementen een duur aanzien te geven.
Niet minder beeldbepalend zijn de vloeren in het huis. De - reeds door De Bazel gelegde - zwarte en witte marmeren vloertegels in het Voorhuijs en de Sijdelcaemer passen goed bij het representatieve karakter van deze vertrekken. In de Sael en in de vertrekken op de bovenverdiepingen werden oude grenen vloerdelen aangebracht, zoals die in privé- vertrekken gebruikelijk waren. De geglazuurde groene plavuizen in de kamertjes achter het Voorhuijs en de Sijdelcaemer zijn afkomstig uit een vergaan zeventiende-eeuws schip, waarin ze als ballast lagen opgestapeld. De balkenzolderingen op de begane grond werden in het sfeervolle en in zeventiende-eeuwse huizen gangbare ossenbloedrood beschilderd. Een van de meest ingrijpende veranderingen die bij de restauratie in de ruimtelijke structuur van het huis zijn doorgevoerd, is de vervanging van de anachronistische rechte trap door een gereconstrueerde spiltrap. Door het beklimmen van deze smalle houten trap, die van de kelder tot de zolderverdieping doorloopt en onverwachte doorkijkjes biedt in het Voorhuijs, de Sael en het kantoortje in de hangkamer, raakt de bezoeker geheel opgenomen in de intieme sfeer die in dit deel van het huis heerst.

Rembrandts eigen atelier

In tegenstelling tot de vertrekken op de begane grond, die niet wezenlijk verschilden van de interieurs in contemporaine herenhuizen zoals we die van Hollandse genretaferelen kennen, waren de functie en de inrichting van de kamers op de eerste verdieping specifiek door Rembrandts activiteiten als kunstenaar en verzamelaar bepaald. Aan de straatzijde bevond zich de Groote Schildercaemer, die zich over de hele breedte van het huis uitstrekte. Nu de sombere lambrizeringen van De Bazel zijn verwijderd en de muren, net als in de overige vertrekken, van een witte pleisterlaag zijn voorzien, valt pas goed op hoe licht en ruim Rembrandts atelier is geweest. De okergele beschildering die op de zoldering werd aangebracht, maakt het door de noordelijke vensters binnenvallende licht milder en verspreidt het gelijkmatig door het vertrek. De beide schouwen in het atelier zijn reconstructies. De renaissance-zuiltjes die de schouwmuren met zeventiende-eeuwse tegels flankeren, zijn afgegoten naar vroeg-zeventiende-eeuwse exemplaren in het Stedelijk Museum te Alkmaar. Op een tekening waarop Rembrandt een hoekje van zijn atelier heeft afgebeeld, is dit schouwtype duidelijk te herkennen. Ook de eiken schoorsteenkappen werden naar contemporaine voorbeelden gemodelleerd. De gietijzeren kachel vertoont sterke gelijkenis met een exemplaar dat Rembrandt op een van zijn prenten heeft weergegeven. Binnenkort zal de ruimte, die nu verder nog leeg is, met schildersgerei en atelierrekwisieten worden ingericht, waarmee de bezoeker de unieke gelegenheid krijgt te ervaren, in welke omstandigheden een zeventiende- eeuwse schilder als Rembrandt heeft gewerkt.
Op dezelfde verdieping vinden we in het achterhuis het enige vertrek dat wel al volledig is ingericht: de Kunstcaemer, waar blijkens de boedelinventaris van 1656 een omvangrijke kunst- en rariteitenverzameling was uitgestald. In de zeventiende eeuw bezaten verscheidene welgestelde Amsterdammers zo’n kunstkamer, maar nergens bleven er voorbeelden van bewaard. Op schappen langs de wanden en hangend aan de zoldering zijn nu dezelfde curiositeiten te zien die in Rembrandts inventaris worden beschreven. Daaronder vinden we exotische wapens, porseleinen voorwerpen uit het verre oosten, Venetiaans glaswerk, schelpen en andere ‘zeegewassen’, opgezette dieren en afgietsels van antieke sculpturen. Ook bewaarde Rembrandt hier zijn uitzonderlijke collectie papierkunst: bijna 8000 tekeningen en prenten van de beroemdste Italiaanse, Duitse en Nederlandse meesters. Rond deze verzameling houdt Museum het Rembrandthuis momenteel de schitterende tentoonstelling Rembrandts Schatkamer, die nog tot 9 januari 2000 te bezichtigen is. Via het - nog in te richten - leerlingenatelier op de zolderverdieping bereikt men de tentoonstellingszalen in de nieuwe museumvleugel, die vorig jaar in gebruik werd genomen.
De ingang van het museum is naar de nieuwe vleugel verplaatst. Van hieruit kan men nu het oude huis via een ondergrondse doorgang betreden. Het eerste vertrek dat men daar aantreft, is de keuken in het souterrain, waarvan alle bouwkundige elementen reconstructies zijn, van de balkenzoldering en de bedstee tot het aanrecht en de schouw. Bij de betegeling van de schouwmuur is hoofdzakelijk gebruik gemaakt van zeventiende-eeuwse tegels. De donkere plavuizen van Namense steen zijn eveneens zeventiende-eeuws. Net als in de andere vertrekken is al het zichtbare timmerwerk uitgevoerd met behulp van gesmede nagels met kop. Ook het hang- en sluitwerk is gesmeed naar zeventiende-eeuwse voorbeelden.
Omdat het om museale ruimtes gaat, diende in alle vertrekken van het Rembrandthuis klimaatbeheersingsapparatuur te worden aangebracht. Deze technische voorzieningen zijn in de schouwen weggewerkt. Ook de noodzakelijke lichtpunten in de plafonds zijn zo onopvallend aangebracht als maar mogelijk was. De beleving van het zeventiende-eeuwse interieur wordt er nergens echt door verstoord. De moderne verwarmingselementen bleken echter niet in de vloeren of de muren te kunnen worden verstopt en vormen helaas een dissonant in het ensemble. Hetzelfde geldt voor de - veel te opvallende - verlichte groene uitgangsborden die op last van de brandweer overal in het huis zijn opgehangen. Maar dit zijn slechts futiele puntjes van kritiek, die verbleken naast de ongelooflijke prestatie die het restauratieteam in een jaar tijd heeft geleverd: voor het eerst is de binnenhuisarchitectuur van een compleet Amsterdams woonhuis uit de Gouden Eeuw gereconstrueerd. Ed de Heer, de directeur van het Rembrandthuis, komt alle lof toe voor de moed en de visie die vereist waren om dit ambitieuze restauratieproject te entameren en het tot zo’n bewonderenswaardig einde te brengen.

Bob van den Boogert

(Uit: Binnenstad 179, nov. 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.