Het Van Beuningenhuis
Eeuwenoude graffiti van tragische burgemeester

Het brede pand Amstel 216, dat dateert uit 1671, is een van de weinige goed bewaard gebleven huizen van Adriaan Dortsman. Het heeft de voor hem karakteristieke voorname stijl: een vlakke geve, uit grote rechthoekige blokken natuursteen opgetrokken; een bescheiden ingang zonder stoep; geen versierde middenpartij, alleen een klein balkon op de eerste verdieping. De gevel is van boven recht afgesloten, bekroond door een eenvoudige borstwering, die in het midden half-cirkelvormig terugwijkt om ruimte te maken voor een familiewapen.

Het is een huis, waar je licht voorbijloopt, het heeft geen opvallende versiering met pilasters, festoenen en guirlanden, maar wie er een gewoonte van maakt het rustig te bekijken, voelt de prachtige kalmte van deze gevel.

Bij de tekeningen: In mei 1953 maakte Hugh Jans, destijds de vaste illustrator van Het Vrije Volk, op verzoek van Richter Roegholt deze tekeningen van de inscripties op het Van Beuningenhuis.

En er was nog iets. Er was een reden om er speciaal even langs te lopen als je in de buurt was. Het huis droeg op zijn trotse huid de merktekenen van de waanzin. Dit is immers het beroemde huis van Coenraat van Beuningen, de tragische burgemeester die zich hier in 1683 vestigde en die zijn sporen op de natuurstenen gevel had achtergelaten. Daar zag je in roestkleurige letters en lijnen - de volksmond sprak van ‘bloedvlekken’- de namen Van Beuningen en Jacoba (zijn vrouw), verscheidene Hebreeuwse letters en kaballistische tekens, zoals octogrammen, gevormd door de diagonalen van een regelmatige achthoek, en tenslotte enkele driemasters; Oost-Indiëvaarders met vlaggen op de boeg.

Mystieke sekte

Coenraat van Beuningen (1622-1693) was de zoon en kleinzoon van burgemeesters van Amsterdam. Hij was ook zelf burgemeester geweest en bovendien een van de belangrijkste diplomaten van zijn tijd. In hem zien we de verschillende factoren van onze Gouden Eeuw met elkaar om de voorrang strijden. In zijn studententijd in Leiden raakte de rijke Amsterdamse regentenzoon in de ban van de Rijnsburger Collegianten, een vrome sekte die eiste dat je in strikte armoede zou leven en van elke wereldse eer zou afzien. Bij hen liet hij zich dopen. Toch werd hij op 21-jarige leeftijd pensionaris (secretaris van het stadsbestuur) van Amsterdam, een zeer wereldse functie. In 1650 trok hij zich opnieuw terug voor meditatie onder de Collegianten, maar twee jaar later, tijdens de ongelukkig verlopende Eerste Engelse Oorlog, werd hij gezant van ons land aan het Zweedse hof. Hij was toen al een beroemde Europeaan, schatrijk, een teugelloos prater in moderne en oude talen, verzot op manische woordspelingen en, zo wordt verteld, een machtig charmeur van vrouwen. In Zweden moest Van Beuningen de vaart door de Sont naar het Oostzeegebied voor de Nederlanders - lees: Amsterdammers - veilig stellen. De handel in graan, hout en bont uit het Oostzeegebied was de “moedercommercie”, die de grondslag van Amsterdams welvaart was. Als Zweden de Deense oever van de Sont in zijn macht zou krijgen, zou het die zeeëngte kunnen afsluiten. Van Beuningen sprak toen het gevleugelde woord: “De sleutels van de Sont liggen in de haven van Amsterdam”. Bij een aanval op Denemarken zou Amsterdam een oorlogsvloot sturen om de Denen te helpen. Eens werd hij als gezant aan het hof van Lodewijk XIV aangediend met de titel “marquis de Buningen”, want aan dat hof kon je het niet maken geen adellijke titel te hebben. Maar de trotse Amsterdammer was wel méér dan zomaar een markies. Hij zei: “Non pas marquis, Sire, je suis bourgmestre d’Amsterdam”.

“Een burgerkoning” heeft de romanschrijver David de Jong hem genoemd, en in zo’n geval was hij dat ook. Steeds vertegenwoordigde hij het Amsterdamse machtsbewustzijn, wat zelfs Johan de Witt, die het hele landsbelang in het oog hield, wel eens te ver ging. Na de val van De Witt in het rampjaar 1672 kon de Oranjevorst Willem III deze “burgerkoning” niet naast zich dulden. Amsterdam saboteerde Willems geldverslindende oorlogen. Van Beuningen viel in ongenade en trad in 1686 af. Waanzin was het deel van zijn laatste jaren.

Te snelle bloei

De Republiek was in adembenemend tempo tot rijkdom en macht gekomen. Onder die uiterlijke pracht zat een wereld van onverteerde ideeënstrijd, overgebleven uit de gistende jaren van de hervorming. De intense vroomheidsbehoefte van de bewoners van de lage landen vond geen uitweg en liet zich niet integreren in de plotseling ontstane wereldmacht. Wat Van Beuningen dwarszat, was geen schuldgevoel ten gevolge van het rechtzinnige calvinisme. Hij was vrijzinnig, verfoeide het autoriteitsgeloof en was voorstander van vrije discussie over religieuze kwesties. Maar die wijze vrijzinnigheid kon niet op tegen de warboel van mystieke ideeën en wilde ketterijen, die wereldverzaking predikten en het Duizendjarig Rijk aankondigden. Met die dweepzieke ketterijen van half-geletterden onderhield de telg uit het schijnbaar zo stoere regentengeslacht nauwe betrekkingen. Zeker, de breuk met de stadhouder was een slag voor hem, en zijn op hoge leeftijd gesloten huwelijk met de ongunstig bekend staande Jacoba van den Heuvel was een ramp. Maar een diepere oorzaak voor de verduistering van zijn geest lag in de spanning tussen het innige, mystieke waarheidszoeken en het overweldigende wereldse succes. Esse, non videri was zijn devies: zijn, niet schijnen. Zijn manisch artistieke geest was echter sober én luxueus, mystiek én verlicht, nederig én machtig, verblindend succesvol in de omgang én steeds verlangend zich in afzondering terug te trekken. Hoe kon hij één van deze dingen zijn zonder het gevoel te hebben dat hij telkens onecht was? Moest hij zich niet steeds ontrouw voelen aan zijn devies, omdat hij maar schijnbaar zo was als hij zich voordeed? Zo was de pijlsnelle ontwikkeling van onze Gouden Eeuw in hem samengebald. In hem barstte zij ook uiteen. Van Beuningen speculeerde en verloor geld. Op de Dam smeet hij pakken aandelen van de VOC onder de mensen. Ondergegaan in waanzin, werd hij in dat grote huis opgesloten en mishandeld door zijn vrouw en door bedienden die hem aan het schrikken maakten door zich als duivels te verkleden. Toch stuurde hij nog reeksen stichtelijke zendbrieven de wereld in. ‘s Nachts ontsnapte hij aan zijn bewakers, rende in zijn nachthemd de straat op en waarschuwde de buren voor een “groot vuur boven Frankfort” dat het einde der tijden aankondigde. Heeft hij, ijlend in koortsdromen, die namen en tekens met zijn bloed op zijn huis geschreven? Hij stierf in 1693 en werd op 31 oktober in de Oude Kerk begraven.
In Het Vrije Volk van 23 mei 1953 schreef ik dat de tekens op het Van Beuningenhuis ten prooi dreigden te vallen aan brute vernielzucht. Want bij een schoonmaakactie had iemand die er niets van begreep zijn best gedaan dit menselijke document met de meedogenloze zandstraal te vernielen. Gelukkig met maar weinig succes.
De tand des tijds, de luchtverontreiniging, de natuurlijke slijtage: ze zijn er oorzaak van dat deze unieke getuigenissen van drie eeuwen geleden steeds meer vervagen. Laten de moderne graffiti worden opgeruimd, maar laten er mensen zijn die zich sterk maken voor het behoud van de tekens van Coenraat van Beuningen.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 180, jan. 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.