Vroege pleziervaart en woonboten in Amsterdam

In 1762, vlak voor zijn overlijden, vierde de havenmeester van de Amsteljachthaven bij de Hoge Sluis zijn 25-jarig jubileum. Ter gelegenheid van dit festijn maakte John Inigo Greenwood (1727-1792) een portret van de jubilaris, waarop het volgende gedicht te lezen was:

“Men leest de deftigheid in 't Mannelijk gezicht
Van de eer der Amstelhaven knechten,
Die vijf en twintig jaar betoonde zijne plicht,
Op Schuit en Boeyer paste, en waakte voor hun rechten
Zeilminnaars ! heeft zijn aart, of Trouw u ooit voldaan,
Bedankt des konstnaars hand voor t'beeld van Klaas Verlaan.”
(1)

Plezierjachtje aan de Amsteloever,
detail uit een schilderij van
Gerrit Berckheyde circa 1670
(Six-collectie)

Deze Amsteljachthaven, waar de turfdrager Klaas Verlaan als havenmeester zo lang de scepter had gezwaaid, was een van de drie jachthavens die Amsterdam toen rijk was. De oudste was al sinds 1622 gevestigd bij de Stadsherberg, iets ten westen van de Haarlemmerpoort, de andere lag vanaf 1658 bij Kattenburg. (2) De boeiers, waarvan in het gedicht melding wordt gemaakt, waren al aan het eind van de zeventiende eeuw als pleziervaartuig zeer in trek. Deze schepen, die met hun ronde vorm afstamden van oudere kustvaarders, konden zowel als pleziervaartuig dienst doen, als voor werkdoeleinden. (3) De populariteit van de boeier blijkt ook uit een belastingkohier uit 1742, waarin 12.655 personen, behorend tot de gegoede tot zeer gegoede kringen werden aangeslagen. Van de veertig bezitters van pleziervaartuigen beschikten er 23 over een overdekte boeier. De anderen bezaten overdekte speeljachten, trekjachten of zeiljachten. Een persoon had een groot jacht. Onder de bezitters van de boeiers komen uiteenlopende beroepen voor. Er zijn relatief eenvoudige onder, zoals een pakkastenmaker uit de Korte Dijkstraat. Anderen , zoals de koopman George Cliffort, woonachtig aan de Herengracht, hebben een groot inkomen, een buitenplaats, een karos, vier paarden en rijpaarden. Een aantal van de eigenaren van boeiers woont vrij dicht bij het IJ: de (Korte) Dijkstraat, Kleine Kattenburgerstraat, de Herenmarkt, de Houttuinen, de Haarlemmerdijk, het Prinseneiland en het begin van het Singel. (4)

Abraham Storck, Het Spiegelgevecht op het IJ
onder commando van vice-admiraal G. Schey
ter ere van tsaar Peter de Grote op 1 september 1697
(Amsterdams Historisch Museum)

Slechts twee personen bezitten een speeljacht. Dit type pleziervaartuig was juist in de zeventiende eeuw het meest geliefd geweest bij welgestelden. Behalve de schepen van particulieren, lagen er in de jachthavens ook allerlei boten als zeil-trek- en speeljachten, die gehuurd konden worden om een tochtje mee te maken. (5) Vooral het admiraalzeilen langs het IJ en op de Amstel was heel populair. Bij deze gelegenheid kozen de jachthavens een admiraal, een vice- admiraal en een schout-bij-nacht. De boten werden fraai toegerust met vlaggen en zijden wimpels. De grotere boten voerden wat klein geschut, dat bij tussenpozen werd afgevuurd. Muzikanten zorgden voor een vrolijke begeleiding. (6) Ook bij feestelijke intochten van belangrijke personen, zoals de ontvangst van Maria de Medici in 1638, of bij het spiegelgevecht dat speciaal voor tsaar Peter de Grote in 1697 op het IJ werd gehouden, was een vloot van grotere en kleinere speeljachten aanwezig. Zij waren dikwijls heel fraai uitgevoerd, met kunstig verguld snijwerk en kleurige schilderwerk.

Behalve deze pleziervaartuigen moeten er al een soort woonboten in de stad zijn geweest. In 1652 verordonneert het stadsbestuur dat niemand in “leggers, schepen of toegemaeckte schuyten (mag) wonen, kachels of vuyrsteden (mag) stellen, of vertrecken afschieten om te bewonen”. Het gaat in deze wettelijke bepaling met name om vreemdelingen die vanuit hun woonboten glazen en kannen clandestien willen verkopen. (7) Dat dergelijke verbodsbepalingen weinig hielpen blijkt wel in 1682, toen opnieuw een wettelijke bepaling hiertegen werd uitgevaardigd. Het stadsbestuur moest constateren dat nog steeds dagelijks veel mensen het stadswater belemmeren met schepen en schuiten, die tot woningen en leggers worden gebruikt. Van hieruit verkoopt men allerlei handelswaar, zoals potten, pannen, stro en eetbare waren. Dit is schadelijk voor allerlei neringdoenden, die aldus concurrentie worden aangedaan, en bovendien maakt dit het aanleggen van aankomende schepen en schuiten aan de wallekant erg moeilijk. Niemand, zo wordt uitdrukkelijk gesteld, mag een schip voor gebruik als woning of ander gebruik op een plaats aanleggen die niet hiertoe door het stadsbestuur is aangewezen. (8) Deze vroege “woonboten” waren het stadsbestuur duidelijk een doorn in het oog.

Renée E. Kistemaker
Historica / Plaatsvervangend hoofd Amsterdams Historisch Museum

Voetnoten
(1) B. Bakker e.a. red. De verzameling Van Eeghen. Amsterdamse tekeningen 1600-1950. Zwolle/Amsterdam, 1988. no. 154.
(2) J. Van Beylen, Schepen van de Nederlanden. Van de late middeleeuwen tot het eind van de17e eeuw. Amsterdam, 1970. p. 201-202.
(3) Van Beylen, p. 203.
(4) Mr. W.F.H..Oldewelt, Kohier van de Personeele Quotisatie te Amsterdam over het jaar 1742. Amsterdam 1945. Deel II passim.
(5) Jan Wagenaar, Amsterdam in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen[...], 4dln., Alphen a/d Rijn en Amsterdam 1971-72 ( oorspr. Amsterdam 1760-67, 3 dln ), dl.2, p. 546.
(6) Wagenaar, dl.2, p.67.
(7) H. Noordkerk, Handvesten, ofte Privilegien ende octroyen mitsgaders willekeuren, costumen, ordonnantien en handelingen der stad Amstelredam, dl.1-3. Amsterdam 1748. Dl.III, p.787.
(8) Noordkerk, dl. III, p. 765.

(Uit: Binnenstad 181, maart/april 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.