Ricardo en het water

De dichter J.C.Noordstar schreef ‘De zwanen moesten zonder zorgen kunnen leven’. Als ik ‘s ochtends rechtsaf uit mijn raam kijk, groet ik mijn buren-op-afstand van wie ik de huizen aan de overkant van de Amstel kan zien: Jan Six en Coenraat van Beuningen, zwanen in de zin van de dichter, die desondanks niet voor zorgen gespaard bleven. Soms drijft er een echte zwaan of een kleine vloot zwanen voorbij. In Spiegel van Sem schreef ik

ZWANEN
De gracht weerspiegelt
de zwanen
tezamen met
de oude huizen.
Zij zijn voornamer dan
de auto’s,
door hen krijgt de stad
één traag moment.

Het is een gedachtenwimpel, anders dan mijn gebruik van telefoon, computer en auto, maar mijn oude buren begrijpen het. Zij wisten wel, dat wij allen kinderen van onze tijd zijn. Maar wij hebben wat de dieren niet hebben, herinnering en toekomstdroom, waardoor wij de verbondenheid met onze voorgangers ervaren.
Toen ik pas in dit blad begon, in 1984, heb ik al verteld over de schepen met hun wonderbaarlijke namen, die hier af en aan varen. In 1874 is bepaald dat de route van de binnenscheepvaart niet meer zou gaan door de Zwanenburgwal, maar door de Nieuwe Herengracht. We hadden in het begin nog ouderwetse bedrijvigheid op de gracht, zoals je kan zien aan het hijskraantje van onze toenmalige buurman, Natuursteenhandel Hessels. De lading van dekschuiten werd via rails in de straat door het buurhuis naar de reusachtige tuin gevoerd. Hessels verkocht de natuursteen op monster in de verlangde hoeveelheden per telefoon van het ene verre land naar een ander ver land. In 1975 is Hessels naar Amsterdam-Noord vertrokken, waar ze meer ruimte hadden.
Zo vlak bij het Hortusplantsoen en Artis heb je hier vogels in overvloed. In het voorjaar, als ze kleintjes bij zich hebben - de fuut draagt zijn jong op z’n rug - ga je de jongen tellen, want je weet dat er meestal maar een paar van overblijven.
De reiger, die laag over het midden van het water vliegt, is nog altijd niet alledaags. En de zwanen die zich een eindje buiten hun bakermat Waterland wagen, trekken altijd je aandacht. Zeldzaam zijn ze niet, maar wel zeldzaam mooi. Ze zijn niet altijd zo voorbeeldig stil. Laatst liep ik langs de Amstel, waar drie zwanen dobberden. Ineens vlogen ze op. Maar het was een half opvliegen, ze bleven wel honderd meter klapwiekend over het wateroppervlak rennen, tot ze de Magere Brug zagen opdoemen en wel moesten stijgen, de Rembrandttoren tegemoet. Een paar stratenmakers stonden van hun werk op om te kijken en eensgezind verbaasden we ons hoe lang hun half-vlucht had geduurd.
Vroeger lagen er voor het Amstelhof wel drie rijen dik de dekschuiten, waarvan ik me als lading vooral de vaten sherry herinner. De kelders van Amstelhof dienden voor drankopslag. “De oudjes leven daar op sterke drank,” was een gangbaar grapje. Een foto uit 1950 toont zo’n dekschuit tijdens een zondagochtendwandeling met onder anderen de jeugdige Gerard van het Reve, die bevriend was met de buren in ons huis. De achtergrond, de westoever van de Amstel, is nog onveranderd. Nu liggen er (niet lelijke) woonschepen, een paar rijen dik.

De Amstel-westoever heeft vier ronde bruggen over de dwarsgrachten, die ik terugvond in een gedichtje, een veertig jaar oude Ricardo:

TUSSEN ONS
Tussen ons is het water
en de kademuren
en de bomen
en de ronde bruggen

en tussen ons de schepen
zo zwart en het versierde roer
en de vertrouwde lading
en 's nachts de hartslag

tussen ons de stad
dat zijn de meeuwen
en de carillons
en zomaar de straat

waar zijn wijzelf
de stad schoof zich tussen ons
met alles wat zij
aan hartbrekends heeft

Jongetjes springen van een noodbruggetje in het water
van de Nieuwe Herengracht
(Richter Roegholt 1965)

Bij Amstel 1 kon je over de borstwering leunen en kijken naar het geheimzinnig zwarte, brede waterplein dat wordt gevormd door Amstel en Zwanenburgwal. Rechtsaf moest je naar de Zwanenbugerstraat over een trap die ons een Parijs gevoel gaf. Toen ik van 1979-1985 lid was van de Commissie Omgeving van het Stadhuis/Muziektheater in wording, wisten we dat de woonschepen tussen Blauwbrug en Zwanenburgwal mochten terugkeren. Om het contact met het water te behouden pleitte ik ervoor dat er een steiger zou komen. Het kostte moeite, want ik wilde ook banken op de steiger en dat impliceerde verlichting... maar het is gelukt. Nu legt daar de Museumboot aan. Echt drammen moest ik om de borstwering op het bastion terug te krijgen, want de ambtenaar uit wiens budget dat moest komen, beweerde dat die er nooit was geweest. Gelukkig had ik er oude foto’s van. “Zo was het vroeger” is een argument dat een vergadering kan krijgen. Ja, er was nog een stuk borstwering in voorraad, maar helaas, er was geen budget voor het boren van de gaten. Toen heeft de voorzitter, een zachtmoedig en eindeloos geduldig man, met de vuist op tafel geslagen. Soms moet dat. Het hielp.
Tot 1980 loosden we nog niet op een riool, maar op de gracht. Aan mijn overkant zag je op gezette tijden een vuilwitte wolk aan de oppervlakte van het water komen. Het kwam van een fabriek in een huis dat later bij Amstelhof is getrokken. Wat wist je toen - ik spreek van rond 1960 - van milieuverontreiniging? ‘s Zomers zwommen de kinderen in de gracht alsof het schoon water was. We hadden van 1964 tot 1969 een noodbruggetje vlak bij ons huis omdat de brug bij de Amstel werd vernieuwd. Daar sprongen ze vanaf in het water. Dat zal je nu niet meer zien, ook al hebben we nu keurige riolering.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 181, maart/april 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.