Jan Roodenpoortstoren

Zichtlijnen over het water

In het jaarboek 1997 van het Genootschap Amstelodamum publiceerde mr. Goos van ‘t Hull een nauwkeurig verslag van de twee keer bijna geslaagde pogingen om de Jan Roodenpoortstoren te herbouwen. (Zie: De Jan Roodenpoortstoren herbouwd?.)
De verminkte zichtlijn over de Oudeschans op het Oosterdok

Niemand weet dat beter dan Van ‘t Hull die zich, eerst als wethouder en daarna als president-commissaris van Stadsherstel, meer dan wie ook heeft ingespannen om de stad deze schoonheid boven het water terug te geven. Zijn verhaal eindigt aldus: “In het jaarverslag over 1961 van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg wordt de herbouw van de toren architectuurhistorisch verantwoord en stedebouwkundig van grote waarde genoemd... De integrale restauratie van de Torensluis in 1962 wordt daardoor pas echt verantwoord voltooid. Fundering en onderbouw zijn nog in goede staat. Alle gegevens voor de bovenbouw zijn minitieus bekend. Een prachtig stuk Singel kan weer zijn oude bekroning krijgen. Afmaken die klus!” Wie over de Groenburgwal naar de Zuiderkerkstoren kijkt of over de Prinsengracht naar de Westertoren, weet ineens wat het woord ‘zichtlijn’ betekent. Zo’n mooie zichtlijn was er ook van de Sint Antoniesluis langs de Montelbaanstoren naar het Oosterdok vóórdat daar New Metropolis verscheen. Bij de bombastische propaganda vol opgeklopte bezoekerscijfers, waarmee de weg voor die mislukking werd gebaand, behoorden ook ‘simulatietekeningen’ die moesten aantonen dat het uitzicht over de Oude Schans niet zou worden geschaad. De weerspiegeling van de Montelbaanstoren in de Oude Schans blijft verstoord door het schuin daarachter oprijzende groene gevaarte, dát kan iedereen zien.

Voor de miljoenen die in New Metropolis werden gepompt, had aan het Singel een juweel van Amsterdam kunnen herrijzen. De Jan Roodenpoortstoren was, net als de Montelbaans, een middeleeuwse vestingtoren die door de meesterhand van Hendrick de Keyser, als een vlinder uit de cocon, was omgetoverd van een bars verdedigingswerk tot een markant punt in het stadsbeeld. Vele prenten en tekeningen tonen hoe prachtig die spits uitstak boven de huizen en de scheepsmasten, en hoe de toren weerspiegeld werd in het water.

Gezicht op de Janroodenpoortstoren uit de Atlas van Fouquet

Na de Franse Tijd was de gemeente zo arm dat het geld ontbrak om één door houtrot aangetaste stijl van de torenspits te vervangen. Afbraak zou goedkoper zijn. Bijna was ook de Waag toen in de puinschuit verdwenen: een huurcontract voor het theatrum anatomicum heeft dat voorkomen. Waarom heeft in die barre tijd de stadsbouwmeester Abraham van der Hart de tot sloop veroordeelde Jan Roodenpoortstoren zo zorgvuldig opgemeten en getekend? Misschien wel met de gedachte dat die opmeting eens weer zou dienen als bouwtekening. Gelukkig zijn die bladen bewaard gebleven, en dat zou een belangrijk gegeven zijn in de geschiedenis die begon toen in 1955 de brede Torensluis die in gebruik was als parkeerterrein, moest worden afgesloten wegens verzakkingen. Restauratie of vervangen door een brug ‘volgens eigentijdse architectonische beginselen’ ? De bestaande Torensluis is 43 m breed, het is de oudste en de breedste gewelfbrug van de stad. Een nieuwe brug hoefde maar 20 m breed te worden, en zou goedkoper worden. Zeer tegen de zin van wethouder van ‘t Hull besloot het college tot die variant. Dat besluit werd echter niet uitgevoerd. Ook de andere gewelfbruggen stonden ter discussie, die zijn nu eenmaal niet berekend op vrachtauto’s. Dat de brug over de Leidsegracht bij de Herengracht , die aan herstel toe was, zou worden vervangen door een modern ontwerp, was echter ook voor botte bezuinigers ondenkbaar. Dus werd de toen nieuwe methode van funderingversterking door betonsegmentpalen toegepast, zonder sloping van de brug. Het succes van die operatie was de aanleiding voor een nieuwe studie over de Torensluis. Bij nader onderzoek bleek tot ieders verrassing dat onder het wegdek de voet van de toren, onderdeel van de 15de eeuwse vestingmuur, nog gaaf aanwezig was, en dat deze op een solide paalfundering staat, steviger dan die van de twee eeuwen later tegen de toren aangebouwde gewelfbrug. Voor dat onderzoek werden uit het archief de opmetingstekeningen van Van der Hart te voorschijn gehaald. En uit die twee ontdekkingen ontsprong de gedachte om de constructief noodzakelijke restauratie van de brug te bekronen door reconstructie van de toren. Uit het verhaal van van ‘t Hull blijkt dat de directeuren van de dienst PW, van de Rijksdienst, en van het gemeentelijk bureau Monumentenzorg, Walraven, Meischke en Weller, de reconstructiegedachte eendrachtig steunden. Er werd door particulieren een stichting opgericht, Burgermeester en Wethouders gingen, zij het niet eenstemmig, accoord, de raadscommissie eveneens. Voor de financiering was gerekend op de toen gebruikelijke bijdragen van het rijk, de provincie en de gemeente: 40%, 2,5% en 40% van de op fl. 825.000,- begrote subsidiabele kosten. Het restant zou van particulieren komen. Staatssecretaris Scholten, die net de eerste Monumentenwet door de Kamer had heengeloodst, had veel lof voor het plan, maar meebetalen, dat zou ten koste gaan van andere restauratiewerken, dat zou niet verantwoord zijn. Toen haakten ook Burgermeester en Wethouders af, het reconstructieplan verdween in het archief.

Reconstructietekening Janroodenpoortstoren Simulatiefoto (Bureau Monumentenzorg)

Tien jaar later dook het weer op. In 1975 zouden de 700ste verjaardag van Amsterdam, 100 jaar Monumentenzorg in Nederland, en het Europese Monumentenjaar samenvallen. Daarvoor waren ‘pilotprojects’ nodig, het gemeentebestuur vroeg voorstellen uit de burgerij. Stadsherstel, waarvan van ‘t Hull inmiddels president-commissaris was geworden, kwam met de Jan Roodenpoortstoren, de stichting de Pinto presenteerde haar project voor restauratie van het bijna gesloopte monument Sint Antoniesbreestraat 69 met reconstructie van het omringende bouwblok. Verder werd gesproken over verbouwing van het Entrepotdok tot woningen, en over een herstelfonds Jordaan, waar in 1972 een bestemmingsplan was vastgesteld dat de historische structuur handhaafde. Er zou een grote inzamelingsactie georganiseerd worden voor een ’verjaardagsgeschenk aan Amsterdam’. In de werkgroep die de actie voorbereidde, was men het erover eens dat de Jan Roodenpoortstoren de ‘lijsttrekker’ zou moeten zijn van de projecten waarvoor steun werd gevraagd. Ditmaal kwam de tegenwind niet uit Den Haag maar uit het stadhuis. Staatssecretaris Vonhoff was bereid subsidie te verlenen als de gemeente het plan zou steunen. Maar dat deed de gemeente niet, burgermeester Samkalden voelde er niet voor. Het verhaal over het gechicaneer, het telkens uitstellen en terugkomen op toezeggingen, biedt een beschamend voorbeeld van bestuurlijke onverschilligheid jegens de belangeloze inzet van burgers die iets voor de stad willen doen. In dit geval kwam de inspanning met name van dr A. Batenburg, commissaris van Stadsherstel en voorzitter van de Raad van bestuur van de ABN, die medewerking van de vijf grote banken, en van zijn Amerikaanse connecties in het vooruitzicht stelde. Niets hielp, het college was bang, bang voor rellen van krakers die ‘alleen bouwen voor de buurt’ eisten, bang voor de architecten kretologie van de eigentijdse accenten en de banvloek tegen ‘historiseren’. Van Meischke kwam de opmerking: “De Jan Roodenpoortstoren is het best bewaarde monument van Amsterdam, het kan nooit meer verzakken...”

Wij zijn weer een kwart eeuw verder. De binnenstad is aangewezen als beschermd stadsgezicht. De agressieve reclameteksten over baanbrekende eigentijdse accenten in een historische omgeving klinken sinds De Kolk minder luid. Zorgvuldige reconstructies worden niet meer weggejouwd als stoffig openluchtmuseum. De hoge prijzen voor appartementen in gerestaureerde monumenten en de nog steeds groeiende betekenis van het toerisme fluisteren ook een woordje mee. Als er één gebouw is waarvan de reconstructie de internationale uitstraling van Amsterdam als Monumentenstad zou versterken dan is het de Jan Rooden poortstoren. Terug van weggeweest, van twee kanten op een knik in het Singel in de zichtlijnen over het water. Wie neemt de klus over van van ‘t Hull?

Geurt Brinkgreve

[De Jan Roodenpoortstoren herbouwd?]

(Uit: Binnenstad 181, maart/april 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.