Interview met Vincent van Rossem:
Monumentenlijst wordt aangevuld

"Tussen 1850 en 1940 zijn veel juweeltjes gebouwd"

Amsterdam krijgt er waarschijnlijk duizend monumenten bij. Dat is mede te danken aan een voettocht van Vincent van Rossem en Han van der Zanden.

In zijn kamer van het Bureau Monumentenzorg maakt Vincent van Rossem een breed armgebaar in de richting van een grote tafel. Daarop liggen stapeltjes papier. Elk velletje toont een foto van een binnenstadspand, daaronder volgt in enkele zinnetjes de beschrijving. "Dat zijn ze," zegt Van Rossem, "de duizend nieuwe monumenten die wij hebben voorgedragen."
In oktober 1997 is hij met zijn collega Han van der Zanden aan de selectie begonnen op grond van criteria die het gemeentebestuur had vastgesteld. Straatje voor straatje, gracht voor gracht, bekeek het tweetal alle panden die tussen 1850 en 1940 waren gebouwd. Niet alleen de richtlijnen van het gemeentebestuur waren een ruggesteuntje, maar ook de lijst Dooijes. Die lijst was in de jaren zeventig en tachtig door de commissie Dooijes vastgesteld en vermeldde alle panden die volgens haar in aanmerking kwamen om op de rijks- of gemeentelijke monumentenlijst te komen. Ook de lijst beeldbepalende panden uit dezelfde periode vormde voor Van Rossem en Van der Zanden een handvat. Op de zogenaande Waarderingskaart Beschermd Stadsgezicht die in mei door de gemeenteraad werd vastgesteld vallen zij nog onder de Orde 2-panden, gebouwen die een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld, maar binnen twee jaar promoveren zij tot Orde 1: bouwwerken die op de gemeentelijke monumentenlijst staan. Op de gedetailleerde bijlagen die van de Waarderingskaart zijn gemaakt, zijn ze met een tekentje aangegeven.
Voor Vincent van Rossem zit de klus er nog niet op. De duizend panden moeten nu nog worden beschreven, maar het in opdracht speurend door de binnenstad lopen, is voorbij.
Een groot deel van de panden van de lijst Dooijes, zal een officiële monument-status krijgen, maar niet allemaal. Vincent van Rosseum: "Toen we er achter kwamen dat onze lijst kleiner was dan die van Dooijes zijn we alles nog eens nagegaan. Het bleek dat bij de stadsvernieuwing een aantal Dooijespanden naar de bliksem was geholpen, onder andere door het te heftig reinigen van de gevels. Een ramp is die gevelreiniging soms. Van der Zanden en ik hebben vaak tegen elkaar gezegd: 'Hadden ze dat maar nooit gedaan.' Ook door nieuw voegwerk is veel verpest. Dan zagen we dat het oude voegwerk hardhandig was verwijderd. En als je op zo'n manier die dunne oude voegjes weghaalt, dan krijg je spleten. Nou daar wisten die moderne voegers wel raad mee. Zij kennen alleen een raar soort knipvoeg en die wordt er dik ingesmeerd. Je ziet dan alleen maar voegwerk, dat gaat domineren in de gevelwand. Doodzonde. Als er toch iets aan het voegwerk moet gebeuren, zou ik zeggen: laat alleen reparaties uitvoeren en haal niet overal het voegwerk weg. Bovendien kost dat veel minder geld. Overal zie je verschrikkelijke voorbeelden. Het reinigen is doorgaans rampzalig. Niet voor niets heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg nu geadviseerd om deze behandeling alleen toe te passen als de aard van de vervuiling een bedreiging is voor het gebouw. Ik zou dat reinigen het liefst verbieden, ook voor de Orde 2-panden."

Het beoordelen van de binnenstadsgebouwen was voor Van Rossem een openbaring. De buitenkant van de stad kende hij zeer goed. Die kennis had hij onder andere gekregen door zijn proefschrift over het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam dat in 1993 werd gepubliceerd. De binnenstad was voor hem eigenlijk een onbekend gebied. "Het was een openbaring voor mij. Amsterdam staat bekend als een zeventiende-eeuwse stad, maar je vergeet bijna dat die binnenstad in hoge mate ook modern is. Wij bekeken de panden die tussen 1850 en 1940 waren gebouwd en het is niet te geloven wat voor een juweeltjes daar te vinden zijn. Daar heeft bijna niemand aandacht voor gehad."
Bij de beoordeling keken Van Rossem en Van der Zande alleen naar de buitenkant. Het bestuderen van de interieurs zou te veel tijd vragen en bovendien zijn die interieurs vaak vrij schraal. Van Rossem: "Dat heeft het voordeel dat je tegen de bewoners die hun interieur willen veranderen soepeler kunt zijn dan bij oude monumenten."
Van Rossem heeft veel geleerd. "Als ik nu baksteentjes zie, weet ik precies uit welke tijd ze zijn; ik kan het ook zien aan de voordeuren en aan het prachtige metselwerk."
Verrassingen waren er genoeg tijdens de speurtocht. "In de negentiende eeuw was men zeer modebewust. Mensen vervingen voorgevels uit de zeventiende eeuw, ja, dan was je pas modern. Maar dan kom je binnen en dan zie je een prachtige achtergevel uit de zeventiende eeuw. We hebben dat een keer meegemaakt toen we bij het bekijken van de voorgevel het gevoel kregen: hier klopt iets niet. Toen zijn we het pand ingegaan. Prachtig."

Ook bij het historiserend bouwen kunnen deskundigen soms op een verkeerd been worden gezet. "Als dat goed is gebeurd, dan vliegen collega's er in. Ik heb het meegemaakt bij het Claes Claesz Hofje in de Jordaan. Dat is in 1968 gerestaureerd en vernieuwd. Je trapt er in als je niet heel goed uitkijkt. Je denkt dan echt dat het alleen om panden gaat die eeuwen geleden hun gevel hebben gekregen. Maar je kan het vaak zien aan de kozijnen. Die werden vroeger niet gelijmd maar nu wel. Hoewel het gemeentebestuur de criteria voor het beoordelen van de gebouwen had vastgelegd, was er wel vrijheid voor Van Rossem en Van der Zanden. Van Rossem: "In de Jordaan, die in principe een achterbuurt was, is de kwaliteit van de architectuur minder. Daar hebben we dan ook iets minder streng geoordeeld dan bijvoorbeeld aan de Herengracht.. En natuurlijk zijn maatstaven niet objectief. Ik vind dat je bijvoorbeeld moet oppassen met een criterium als schoonheid. Ikzelf kan daar niet veel mee. Ik vind een negentiende-eeuws huis meestal niet mooi. Geef mij maar glas en beton. Maar een goed en prettig criterium is gaafheid. Neem de Martelaarsgracht. Als je de oostkant ziet, is je reactie: "Wat leuk." Maar kijk je wat beter dan kom je tot andere conclusies. Bij het ene pand is de pui kapot, bij het andere is het balkon niet gaaf. Ga zo maar door. Ernstige verminkingen hebben we in geen enkel geval voor lief genomen. Gaafheid was voor ons een duidelijk criterium en heel wat panden hebben de lijst niet gehaald omdat die gaafheid ontbrak."
Van Rossem is tevreden. "Ik heb niet het beklemmende gevoel dat we gebouwen zijn vergeten en ook niet dat we eigenlijk vijfhonderd panden meer op de nominatielijst hadden moeten zetten. Het werk is echt af. We zijn voorlopig klaar met het inventariseren van monumenten. Ik kan me voorstellen dat het over vijfentwintig jaar anders is, dat we dan nog behoudzuchtiger zijn geworden en zeggen: "Waarom staan die en die panden niet op de lijst. Dan is het niet uitgesloten dat er nog eens een ronde komt."
Van Rossem is gelukkig met het feit dat b. en w. niet hebben gezeurd over de lijst van duizend, dat er niet werd gevraagd of er geen tweehonderd panden van die lijst geschrapt konden worden. Van Rossem: "Het is inderdaad goed. Wat er op de monumentenlijst moest, staat er nu ook echt op."

Van Rossem kent nu alle panden in de binnenstad, maar bekeerd is hij nog niet. "Ik houd nog steeds meer van glas en beton. Van veel van de architectuur die ik de afgelopen jaren heb bekeken, begrijp ik niet waarom het zo is ontworpen. En ik vind iets pas leuk als ik het ook begrijp. Bij de nieuwe en de oude architectuur zie je de logica wel, maar dat mis ik vaak bij gebouwen die in de periode daartussen zijn gebouwd. Maar de ogen zijn me wel redelijk geopend voor het bijzondere dat ook bij die architectuur is te vinden."
Van Rossem is nog een jaar of, twee bezig met het beschrijven van de panden die op de monumentenlijst komen. En ergens in zijn achterhoofd pruttelt het idee om nog meer met die panden te doen. "Ik ben architectuur-historicus en eigenlijk zou ik wel een boek willen maken over de architectuur tussen 1850 en 1940. Maar dan ben je wel een jaar of drie aan het werk en wie kan dat betalen? Maar zo'n boek zou wel mooi zijn."

Frans Heddema

(Uit: Binnenstad 183, juli 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.