Het huis en ik

In mei 1945, direct na de bevrijding, vond ik een kamer in de oude Jodenhoek. Het huis lag in hetzelfde blok als het hoofdkantoor van de Gemeentelijke Waterleiding en had geprofiteerd van het feit dat de Waterleiding de hele hongerwinter elektrische stroom had gekregen. Oudere vrienden van mij, die ik door de oorlog had leren kennen, en die bevriend waren met de hoofdhuurder van dit huis, waren daarom de laatste oorlogsmaanden hier komen wonen. Nu gingen ze terug naar hun eigen woning en introduceerden me bij de hoofdhuurder, Jan Kolthek. Jantje,zoals hij werd genoemd, was een anarchist en redacteur van Socialisme van Onderop. Hij woonde met zijn Duitse vriendin Toelie (eigenlijk Tulli, van Gertrud) op de bel-etage, een lichtarme en doorrookte donkerbruin gesausde pijpenla met te veel poezen. Er was geen warm water en de keuken en wc bevonden zich in een vermolmde achter-aanbouw, waar het 's winters vroor.
Ricardo's huis in oktober 1950. Vr de stoep staat nog het hijskraantje van zijn buurman de natuursteenhandel Hessels

Alle deuren op de vier verdiepingen van het huis waren kapotgetrapt. Dat was gebeurd bij de inval, zomer 1944, toen de onderduikers Greet van Amstel met haar man Lo Lopes Cardozo en hun dochter Sonja waren opgepakt. Jantje had daarvoor in de gevangenis gezeten, zijn gezondheid had zwaar geleden. Greet kwam terug uit Auschwitz, alleen. Zij kreeg of vond een kamer aan het doodlopende stukje van de Nieuwe Keizersgracht tussen de Weesperstraat en de tuin van Amstelhof in een verschrikkelijk vervallen onderstuk. Deze huizen zijn gesloopt toen de Weesperstraat rond 1960 werd verbreed. Greet, die voor de oorlog tot de radencommunisten had behoord, kwam vaak bij Jantje en Toelie; ze zaten uren, of dagen lang te praten en te roken. Ik beleefde toen voor het eerst en van heel dichtbij die sfeer, waarin niets werd gevraagd, alleen gepraat over de jaren voor de oorlog. Niemand kon het aan, de herinnering was nog te dichtbij, en er waren nog geen riaggs... Waarvan die mensen toen leefden, weet ik niet. Na enige tijd trouwde Greet van Amstel met de schilder Willy Boers; ze woonden aan het 's Gravenhekje. In 1965 verschenen haar teksten en gedichten over Auschwitz "Verboden te leven". De verwerking, die aanvankelijk uitgesteld was, diende zich aan. Ze kon eindelijk iets van haar ervaringen onder woorden brengen. Ze werd mensenschuw en verbitterd, naarmate de kamptijd verder van haar af kwam te liggen. Greet verwierf nog enige bekendheid als schilderes.

Ons huis was en is nog steeds, vier meter breed en twaalf meter diep plus de reeds genoemde aanbouw en een kleine binnenplaats. Het grondstuk is 99 ca groot, dus bijna een are, dat is bijna 100 vierkante meter. Het heeft een mooi souterrain, dat bestaat uit een niet onderbroken ruimte als een heldere schoenendoos, drie en halve meter hoog. Het huis zelf heeft een authentieke spiltrap, waar je omheen kan lopen. Je kan dus de kamers per verdieping achter die trap om met elkaar verbinden. Mijn kamer lag op de tweede verdieping boven de bel-etage, je kan ook zeggen, als je het souterrain meetelt, de vierde laag. In andere kamers lag meestal een hoop ondefinieerbare rotzooi, onder andere kartons vol melkpoedersurrogaat. Geleidelijk verhuurde Jantje alle kamers van het huis; hij zat dan bij Reijnders en had iets gedronken. Ineens werd er dan een kamer van het huis leeggemaakt. Zo kwam de Groningse dichter Harry Brander hier wonen, die weer een prachtige danseres in zijn kielzog meebracht, Titia van Teeseling. In 1947 kwamen op de kamer achter mij de Groningse schilder Ad Pieters en zijn vrouw wonen. Hij kreeg het souterrain als atelier en startte daar voorjaar 1949 op woensdagmiddag een kinderclubje voor vrije expressie onder auspicin van het Nutsseminarie. Het vrije expressieclubje verhuisde in maart 1950 naar de Werkschuit, een boot in de Amstel bij Carr, en Ad en Nel Pieters, die een kind hadden gekregen, verhuisden mee. Daar hebben in de loop der jaren vele honderden kinderen geleerd met beeldend materiaal om te gaan. In mijn kleine kamertje aan de voorkant was in november 1949 mijn tegenwoordige vrouw Truusje bij me ingetrokken; dat was echt heel erg klein. Wij kregen er de vrijgekomen kamer bij. Het huis was vol veel te zwaar gebouwde kasten en planken, die we geleidelijk wegbraken. Dan werden ze verstookt, en Jantje zei: als het huis verstookt is, verven we de kachel rood. Och, het was een rare tijd, zo onbestemd, die eerste jaren na oorlog. Ja, het huis was verschrikkelijk vervallen en primitief. Als er 's avonds wel eens iemand op bezoek kwam, moest die over de versleten treden van een onverlichte trap, waarop hem vier tot zes paar vurige kattenogen aanstaarden. Die katten moeten hebben gestonken, maar we waren zo verschrikkelijk nonchalant-tolerant onder elkaar, dat ik me daarvan niets meer herinner. Tolerant, dat moest wel, want de verdiepingen hadden een vloer van houten planken en de enige wc in huis was ook maar met wat schrootjes afgescheiden. Een huisgenote op de vierde verdieping zong daar altijd een vrolijk lied en noemde de wc 'Hollywood'. Och, je leert te leven met alle geluiden. We hadden wel gas om op te koken, maar er was nog geen enkele gasgeyser in huis. Wij gingen eens per week douchen in het badhuis in de Valkenburgerstraat, een symbool van de buurtsanering uit de jaren twintig, toen de krotten op Valkenburg en Rapenburg waren opgeruimd. Je bracht er meestal een vlo van mee naar huis, maar dat was ik gewend, want mijn vader, die dokter was, had vaak vlooien meegebracht van de polikiniek in de Marnixstraat. Hij ving de vlo handig en we verdronken hem in een glas water om hem te bekijken. Dan werd hij met de nagel tegen het glas gekraakt. Dat had ik dus thuis geleerd toen ik nog in het Apollokwartier woonde.

En we stookten met kolen in potkacheltjes, drietjes heetten die. Je haalde ze nog in de koude winter van 1962 lopend met de fiets door de sneeuw in zakjes die een dubbeltje kostten. Die werden dus gespaard en opnieuw gevuld. Er werd verteld dat mensen die uit Indonesi kwamen (waar ze in een jappenkamp hadden gezeten) helemaal geen kachel konden aanmaken, evenmin trouwens als Amerikaanse gaststudenten, die nog nooit een kolenkachel hadden gezien. Het gemakkelijkst ging het met een gaspook Maar dit is geen nostalgisch verhaal, het moet gaan over de restauratie van dit huis, hoe het geleidelijk van alle gemakken voorzien werd. Dat relaas komt nog.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 186, februari 2001)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.