Het nieuwe Rijksmuseum

Sinds staatssecretaris van der Ploeg het voor Nederlandse verhoudingen formidabele bedrag van bijna een half miljard bestemde voor vernieuwing van het Rijksmuseum, staat de monumentale kolos van Cuypers ter discussie. De golven slaan hoog op. Op 6 februari vond een door de museumdirectie georganiseerde discussie onder genodigden plaats, ter zelfder tijd hield ARCAM een tegen-debat, dat wel voor iedereen toegankelijk was. Daar klonk, zoals te verwachten was, óók de kreet: sloop dat verouderde blok, bouw een echt nieuw museum.
Het Rijksmuseum, noordoosthoek

Die stelling vond weinig weerklank. In het ARCAM-debat kwamen wel architecten aan het woord die graag in de krant wilden komen met een 'leuk' idee, zoals: laat de verwarming en de toiletten weg, of: maak er een winkelcentrum van, zoals Magna Plaza, of: zet een nieuw gebouw boven op het bestaande. Dat soort meligheden maakte alleen duidelijk dat de opgave om zowel het Cuypersgebouw als de collectie beter tot hun recht te doen komen dan nu, de sprekers geen moer interesseerde, waarschijnlijk komen ze nooit in een museum. De sloop- en nieuwbouwweg was echter al geblokkeerd door de voorgeschiedenis. Uitgangspunt voor de discussie is immers het door de architect Ruysenaars ontworpen 'masterplan' dat ten grondslag heeft gelegen aan de eerste kostenraming van de Rijksgebouwendienst. Die opzet is helder: geef het hoofdgebouw zijn oorspronkelijke structuur terug van drie lagen expositieruimte en breng de restauratieateliers samen in het gebouw Veiligheids-instituut, dat verbonden wordt met de reeds gerealiseerde ondergrondse depotruimten. De vroegere directeursvilla en de verdieping van de Teekenschool huisvesten de administratie, in de later aangebouwde Zuidvleugel komen de tijdelijke tentoonstellingen. De belangrijkste bouwkundige ingreep is het weer openleggen van de dichtgebouwde binnenplaatsen ter weerzij van de nu voor fietsers open doorgang. Daar zit ook het knelpunt: die doorgang is ontworpen als een poort tussen de oude stad en de 1885 nog niet bestaande stadsuitbreiding zuidwaarts. De grond is van de gemeente, niet zo lang geleden had wethouder van der Vlis zelfs het plan om er tramrails te leggen. Daarvoor kon toen rijkssubsidie worden aangevraagd! Het openleggen van de binnenhoven biedt de mogelijkheid om verbetering te brengen in een ernstig tekort van het museum: de twee te nauwe toegangen aan de noordzijde. Wordt de doorgang bij het museum betrokken, dan kan de ene binnenhof de ontvangsthal worden met garderobes en de winkel, en de andere het restaurant met verbinding naar het auditorium. Denkbaar is een semi-openbare status van de doorgang, overdag toegankelijk voor voetgangers, maar niet voor fietsers, zoals de schuttersgalerij in het Amsterdams Historisch Museum. Deze verlegging van de entree voor het publiek van de twee voordeuren aan de Stadhouderskade naar de huidige fietsersdoorgang, heeft wel ingrijpende consequenties voor het vertikale verkeer binnen het gebouw; de beide monumentale trappen verliezen veel van hun functie; en dat is weer in strijd met het uitgangspunt om in het Cuypersgebouw de oorspronkelijke structuur weer herkenbaar te maken. Er zijn ook ruimten waarvan het huidige gebruik goed voldoet, zoals het prentenkabinet, of die onlangs heel mooi zijn verbouwd, bijvoorbeeld de zuidvleugel, en dan is het jammer dat deze 'op de schop' moeten op grond van de op zichzelf logische reorganisatie gedachte.

De befaamde opengewerkte tekening van Cuypers toont hoofdas, onderdoorgang en binnenhoven in de oorspronkelijke toestand.

Een probleem vormen de oorspronkelijke muurdecoraties naar ontwerp van Cuypers. Latere directeuren vonden die bonte sjablonen storend bij het bekijken van de schilderijen en lieten alles zoveel mogelijk wit schilderen. Het resultaat is soms ietwat ziekenhuisachtig, maar toch aangenamer voor het oog dan eertijds de neogotische krullen. Toch bestaat het voornemen die decoraties in belangrijke mate te reconstrueren. Het nieuwe Rijksmuseum moet een eigentijdse uitstraling krijgen. Nu is eigentijdsheid een modieus begrip, en daarmee aan snelle verandering onderhevig. Maar of die begin 21ste eeuwse eigentijdsheid tot uiting komt in een mode uit de tijd van de hoge hoeden is nog maar de vraag. Dezelfde vraag, maar anders genuanceerd, stellen de grote tegeltableau's met voorstellingen uit de vaderlandse geschiedenis op de zijgevels. Die horen onmiskenbaar bij de architectuur, verwijdering zou verminking van het gebouw betekenen, maar je ziet zelden een wandelaar in de museumtuin met aandacht naar het beeldverhaal op de gevels kijken.

Het museuminterieur kort na de opening (Uit: "The Building of the Rijksmuseum" door J.Kiers en F.Tissink, Scala 1992)

Dergelijke details komen pas aan de orde wanneer de architect – die nog niet is aangewezen, aan de afwerking toe is. Toch speelt van het begin tot het eind het dilemma mee hoe het nadrukkelijk eind-19de eeuwse gebouw dienstbaar kan worden gemaakt aan een inderdaad heel nieuwe presentatie van de "Nationale Schatkamer". De vroeger zelfstandige afdelingen schilderkunst, kunstnijverheid, geschiedenis en zo meer, worden opgenomen in een doorlopend verhaal, een chronologisch circuit van de middeleeuwen tot rond 1900. Een voorproefje van die nieuwe opstelling gaf de zomertentoonstelling 2000 over de Gouden Eeuw. Daar bleek de nabijheid van zilver, meubels en ceramiek met de beroemde schilderijen uit dezelfde tijd, een duidelijke verrijking van de kijk-ervaring. Naast het chronologische circuit moet er ruimte komen voor wisselende tentoonstellingen, en voor de kostbare gespecialiseerde deelcollecties. Kortom het sinds 1885 enorm gegroeide en nog steeds toenemende museumbezit moet opnieuw worden geordend en gehuisvest en dat is een werk van jaren. Het nieuwe Rijksmuseum moet in de zomer 2006 worden geopend.
Nu gaat de discussie over wat er met het gebouw zelf gaat gebeuren. Het Rijksmuseum is vanaf het begin een omstreden gebouw geweest. Van koning Willem III is de uitspraak bekend dat hij nooit een voet zou zetten in dat klooster. Van fietsend Amsterdam kan protest worden verwacht tegen het afsluiten van de onderdoorgang.Vergeleken met het Centraal Station, de Vondelkerk in haar oorspronkelijke inrichting en de verdwenen Sinte Maria Magdalena en Sint Willebrodrdus buiten de veste, is het Rijksmuseum niet het meest overtuigende gebouw van Cuypers. Dat het internationaal tot de bekendste gebouwen van Amsterdam hoort, is eerder te danken aan de Nachtwacht dan aan de architectuur. Maar toch, het is in de volste zin een 'monument van geschiedenis en kunst', ook in zijn ontstaansgeschiedenis die niet, zoals in vele beroemde musea, begon met een vorstelijke verzameling van vóór de Franse Revolutie.
Een tweede uitgangspunt is de stedebouwkundige situatie als merkteken op de grens tussen het nu beschermde stadsgezicht en de 19de eeuwse uitbreiding. Met de tuinen, de directievilla, de Teekenschool en de later aangebouwde zuidvleugel, vormt het een samenhangend geheel, dat geen verdere uitbreiding van het bouwvolume gedoogt. Met het voormalige Veiligheidsinstituut als 'werkgebouw' en dat ondergrondse tunnelgebouw als depot zijn de uitbreidingsmogelijkheden uitgeput. Binnen dat beperkte volume moet de nog steeds in omvang en kwaliteit groeiende collectie toegankelijker, verstaanbaarder en publiekvriendelijker dan nu worden getoond: Kunst en geschiedenis zullen in hun onderlinge samenhang worden getoond. De artistieke kwaliteit is daarvan het eerste criterium, documentatie zonder die waarde kan beter in een historisch archief worden geborgen. Dat betreft met name de geschiedenis van de 20ste eeuw. Portretten van stadhouders en regenten zijn gewoonlijk ook als schilderij of prent de moeite en het bekijken waard. Of dat van foto's van Hendrik Colijn, Joop den Uyl of Joseph Luns kan worden gezegd lijkt niet waarschijnlijk. De daarvoor nodige ruimte kan beter bestemd worden voor mooie schilderijen.
Hebben de debatten en de krantenartikelen enige invloed gehad op wat er met de belangrijkste kunstverzameling in ons land, en met het Cuypersgebouw gaat gebeuren? Nauwelijks. Aan het slot van de spraaklawine in de Beurs van Berlage vroeg de gespreksleider Adriaan van Dis aan de hoofddirecteur van het museum of hij nu wist wat hem te doen stond. "Dat weet ik heel goed", antwoordde Ronald de Leeuw.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 187, maart 2001)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.