De Dam, eindelijk voltooid?

De Dam, 4 mei 2001, 's morgens elf uur: volop werk in uitvoering. Zwaar aannemersmaterieel, overal bezige mannen, voetgangers die, voorzichtig schuifelend tussen kuilen, rails en leidingen, de tramhalte voor Magna Plaza proberen te bereiken. De Dam, 4 mei 's avonds acht uur: heel t.v.-kijkend Nederland kon zien hoe de rommelige stadsruimte ineens een echt plein was geworden tussen het paleis en het Nationaal Monument: de waardige omlijsting van de Nationale Dodenherdenking.
Ontwerp voor de Dam door Simon Sprietsma

Hoe heeft Simon Sprietsma dat voor elkaar gekregen? Voor die transformatie zijn geen straten verbreed, geen gebouwen gesloopt of opgericht, er is niets anders gebeurd dan het verleggen van enkele verkeersbanen, gemarkeerd in een nieuwe bestrating met bijpassende lantaarnpalen en boombeplanting. Het lijkt bijna niets, maar het is precies goed.

In Den Haag staat óók een nationaal monument. Dat is opgericht op het Plein 1813, ter herdenking van de bevrijding uit de Franse bezetting vijftig jaar tevoren. In tegenstelling tot de bebouwing rondom de Dam die grotendeels min of meer toevallig daar terechtkwam, maken de witgepleisterde ambassade- en kantoorgebouwen en hun tuinen deel uit van een zorgvuldige stadsaanleg. Het monument is daarvan het weloverwogen centrum, kundig en saai, middelpunt van een verkeersrotonde met bloemenperkjes, niet van een stadsplein waar iets gebeurt. Niemand heeft nog persoonlijke herinneringen aan de oud-strijders van de slag bij Waterloo. De totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden is een historische gebeurtenis, waarvan alleen orthodoxe republikeinen en profeten van een Verenigd Europa de duurzaamheid betwijfelen. Van de honderdduizenden die nu de dodenherdenking volgen, zullen vermoedelijk de meesten tijdens de twee minuten stilte denken aan hun eigen persoonlijke doden, familie en vrienden die 5 mei 1945 niet hebben gehaald. Maar hoe zou het zijn over vijftig, en over honderd jaar? Dan blijven er symbolen en rituelen nodig om de collectieve herinnering wakker te houden, en daarbij is de entourage, waarin zich de rituele handeling afspeelt, van het grootste belang. De kranslegging door H.M. de Koningin op 4 mei is zo'n ritueel. Het betekent saamhorigheid, continuïteit, verzoening van tegenstellingen. Dat laatste begint al met het paleis, het door en door republikeinse regeringsgebouw van de hoogmogende regenten die even weinig sympathie hadden voor de familie Oranje-Nassau als de stadhouders koesterden voor 'die schurken uit Amsterdam', die het waagden een eigen buitenlandse politiek te voeren. Bij een barokpaleis hoort een monumentale entree met bordes. De heren burgemeesters hadden geen boodschap aan een juichende menigte. In de Schepenzaal hangen (sinds wanneer?) stadhouders te paard aan de wand. Je zou daar eerder portretten verwachten van de grote burgemeesters: De Graeff, Van Beuningen, Witsen of Hudde, maar persoonsverheerlijking paste niet in hun stijl van besturen; zij dienden de belangen van hun stad en hun stand, niet van een dynastie. Door zeven gelijke ingangen kon men naar binnen. Was dat een symbool van de zeven provinciën? Wie iets in de republiek van de grond wilde krijgen moest wel kunnen rekenen op steun van de hoogmogenden. In de souterrains van het raadhuis was de in heel Europa bekende wisselbank gevestigd. Om de Burgerzaal – geen troonzaal! – te bereiken moet de bezoeker langs de Vierschaar, waar doodvonnissen werden uitgesproken. Het nu koninklijke paleis zit vol symboliek. De overstap van raadhuis naar paleis blijft aan de gevel zichtbaar in het voor Lodewijk Napoleon aangebrachte balkon, en in het interieur door het fraaie empire-meubilair dat de kortstondige koning van Holland er heeft achtergelaten.
In november 1813 kwamen in het paleis geworden raadhuis de Haagse en de Amsterdamse heren tot overeenstemming: de eeuwenlange vete tussen staats- en prinsgezinden, tussen regenten en Oranjeklanten was nu echt voorbij. Willem I was bereid het gebouw aan de stad terug te geven, maar het nieuwe stadsbestuur stelde het oude raadhuis ter beschikking van de koning, en bleef zelf in het Prinsenhof aan de O.Z. Voorburgwal. Maar wie was eigenaar van het paleis, de staat of de gemeente?

De Dam met stadhuis en waag, gezien vanuit de Kalverstraat, in de 18de eeuw.

De paleis-raadhuiskwestie heeft de gemoederen generaties lang beziggehouden. Het begon in 1873 met een verzoek van Amsterdamse notabelen aan de gemeenteraad om te bewerkstelligen dat het nauwelijks gebruikte paleis weer stadhuis zou worden. Historici en juristen bestookten elkaar met argumenten, totdat in 1935 een overeenkomst tot stand kwam: het gebouw werd definitief rijkseigendom, en de gemeente kreeg 10 miljoen voor een nieuw stadhuis. Voordat in 1982 de eerste paal voor de Stopera de grond in ging, kwam in het gekrakeel over de stadhuisontwerpen toch nog even de wens naar voren om in het paleis voor enkele gemeentelijke publieksfuncties een plaats te vragen.
Gelukkig ging dat niet door. Het meesterwerk van Jacob van Campen is, dankzij een winterslaap van anderhalve eeuw, gespaard gebleven voor interne moderniseringen. Na de nodige restauratie- en onderhoudswerken zijn de majestueuze hoofdverdieping en op de begane grond de Vierschaar als museum toegankelijk, terwijl op de bovenverdiepingen woonruimten zijn ingericht voor het staatshoofd en haar gasten. Het paleis is geen dood gebouw meer, er vinden bijeenkomsten plaats en wisselende tentoonstellingen; het blijft het meest vorstelijke gebouw van ons land voor officiële evenementen. Het jaarlijkse hoogtepunt van die functie is 4 mei. Daar hoort de Nieuwe Kerk bij, nooit een hofkapel, van oorsprong parochiekerk, later hervormd, nu tentoonstellingszaal, maar ook de ceremoniële ruimte voor de inhuldiging van ons staatshoofd. De kerkelijk gezinde regentenfamilie Backer wilde de kerk een toren geven die hoog boven het raadhuis zou oprijzen, de staatsgezinde heren Bicker voelde daar niets voor, het hoogste gezag was in handen van de Vroedschap, niet van de predikanten. De Bickers moesten hun plaats op het kussen ontruimen, toen het leger van hun vijand, de stadhouder Willem II, een mislukte aanslag op de stad pleegde. Commandant van dat leger was de Friesche stadhouder Willem Frederik, voorvader van ons Koninklijk Huis. De westwand van de Dam is geladen met geschiedenis. Eén van die sporen heeft Jacob van Campen met krachtige hand van de kaart geveegd: de kleinschalige middeleeuwse verkaveling tussen het verbrande raadhuisje en de kooromgang van de Nieuwe Kerk. Het paleis van de burger-koningen – unicum in het tijdperk van de absolute monarchieën elders in Europa – moest ruimte om zich heen hebben. Alleen het sierlijke Waaggebouw mocht op het nu ontstane voorplein blijven staan, totdat het op last van Lodewijk Napoleon werd gesloopt, omdat de Franse koning liever wilde uitkijken op het levendige gedoe van de vissersschepen die afmeerden op de plek, waar nu De Bijenkorf staat.

Ontwerp voor een kantoorgebouw op het midden Damterrein van J.M. van der Mey, 1925/26.
(Uit: Paul Meurs, De moderne historische stad.)

Toen Amsterdam een halve eeuw na die sloop langzaam herleefde, tekende zich het dilemma af tussen twee ideeën over het centrum van oude steden: de moderne city tegenover de historische aanleg en bebouwing. In zijn onlangs verschenen dissertatie De moderne historische stad heeft Paul Meurs voorbeelden van die controverse onderzocht en beschreven, onder meer de historie van de Dam, te beginnen met de Beurs van Zocher uit 1845, waarvan de sloop in 1903 door niemand werd betreurd. Het waren de jaren, waarin Haussmann de middeleeuwse plattegrond van Parijs openbrak voor zijn boulevards, wat als voorbeeld gold voor andere hoofdsteden. Ook in Amsterdam droomden architecten van een kans om de immers verouderde stad te herscheppen voor de toekomst. Zonder enige belangstelling voor de betekenis van wat er stond verschoven de ontwerpers bouwblokken en rooilijnen als blokjes in een maquette. Wat Jacob van Campen in de 17de en Haussmann in de 19de eeuw deden dat konden zij, als moderne meesters, toch óók! Het Damrak zou een brede boulevard moeten worden; een doorbraak van de Dam naar de Plantage zou omzoomd worden door een nieuwe deftige woonwijk. De droom werd nog grootser, toen het Commandantshuis uit 1775 op de plek waar nu het Nationaal Monument staat, in 1912 werd afgebroken. De zuidwand van het Damgebied, nu vergroot tot aan de Warmoesstraat, was 'in ontwikkeling' met de Grote Club, Peek en Cloppenburg en het gebouw Industria. Het heeft weinig gescheeld, of aan de oostzijde was in plaats van het monument een massaal kantoorgebouw verrezen. Eén klein 17de-eeuws huis op de hoek van de Pijlsteeg herinnert aan de woonhuizenschaal die nu juist de omlijsting vormde van Jacob van Campens raadhuis. Met uitzondering van de brutale klont die Stopera-architect Cees Dam onlangs tussen De Bijenkorf en Kras heeft neergezet, hebben die grote vroeg-20ste-eeuwse gebouwen hun eigentijdse kwaliteiten, alleen: het is jammer dat ze daar staan. Het Midden Damterrein is aan bebouwing ontkomen; het werd een omstreden miezerig plantsoentje, een vreemd aanhangsel aan de Dam. Wie het eerst op de briljante inval kwam om dáár het Nationaal Monument voor de gevallenen en de bevrijding in 1945 te situeren, is mij niet bekend; waarschijnlijk is het burgemeester d'Ailly geweest, die gevoel had voor stijlvolle representatie. De nieuwe inrichting van de Dam doet meer nog dan voordien uitkomen, hoe knap architect Oud het monument gesitueerd heeft. Ook het beeldhouwwerk van John Rädecker, hoewel niet overal van dezelfde kwaliteit, heeft heel mooie onderdelen. De centrale vrouwenfiguur met kind en de opvliegende duiven op de achterzijde van de middenkolom brengen het gevoel 'bevrijding' zo overtuigend in beeld, dat daarvan na vijftig jaar de uitdrukkingskracht niet is verbleekt.

De vernieuwde Dam
Laatste kermis op de Dam?

Sprietsma, Oud en Rädecker hebben van de Dam eindelijk een samenhangende ruimte gemaakt, elk vanuit zijn eigen vakmanschap, aansluitend op elkaar. Dat verdient bewondering. Heeft daarmee de Dam zijn definitieve gestalte gekregen? Dat hangt in de eerste plaats af van het onderhoud en het gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt. Als er één plek in Amsterdam volslagen ongeschikt is voor een hedendaagse kermis met haar helse lawaai en haar zware machines van reuzenrad en wat dies meer zij, dan is het de nu met een bolling in granietkeitjes bestrate Dam. Heeft de gemeente in haar begroting een post voorzien in het onderhoud van het plein dat er nu zo fraai bijligt? Wat mooi gemaakt is vergt altijd verzorging om mooi te blijven. Zodra ergens verloedering begint staan de ayatollahs van het zichzelf bewierokende modernisme klaar met de kreet: "Sloop die verouderde troep, geef ons een kans!". Toen een jaar of vijf geleden het monument van Oud en Rädecker ernstige constructieve gebreken vertoonde, werden die geluiden al hoorbaar. Stel dat de directie van De Bijenkorf haar gebouw zou willen vervangen door een modern – en dan onvermijdelijk groter – gebouw. Mag dat? Nee, dat mag niet meer. Niet dat De Bijenkorf zo'n architectonisch wonder is, maar het gebouw is redelijk bescheiden en het is functioneel op die plaats in de stad. De immateriële, door de geschiedenis geladen belevingswaarde van het bestaande krijgt voorrang boven het marktcriterium van de permanente vernieuwing. Nergens is dat zo duidelijk voelbaar als daar in de openbare ruimte tussen het vorstelijke paleis van republikeinse regenten, en het Nationale Monument van het in 1945 herrezen Koninkrijk der Nederlanden.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 189, juli 2001.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.