Met respect aan Ricardo, maar toch

Altijd lees ik met grote interesse de bijdragen van mijn geleerde vriend Ricardo, en meestal buig ik nederig het hoofd. Er is immers maar één echte stadshistoricus van Amsterdam, en we weten allemaal heel goed wie dat predikaat verdient. Toch verstout ik me om bij Ricardo's bijdrage in Binnenstad 191 een paar kanttekeningen te plaatsen.

Ricardo verwijt me, om het gechargeerd te zeggen, dat ik het verleden Amsterdam zie als een molensteen, die de stad vaak zwaar om de nek hangt. Hij schrijft dat veel mooier en genuanceerder op, maar daar komt het zo'n beetje op neer. En hij bestrijdt mijn stelling dat 'de redding van het zeventiende-eeuwse Amsterdam voor een belangrijk deel te danken is geweest aan het feit dat het negentiende-eeuwse Amsterdam zo arm was als een kerkrat'. Anders gezegd: is het vooral een kwestie van geluk geweest dat onze oude binnenstad er nog bijligt als een schitterend zeventiende-eeuws sieraad, of was het bovenal een zaak van beleid en, zo men wil, politieke strijd?

De Reguliersgracht bij de Kerkstraat. Kort na de oprichting protesteerde Amstelodamum met succes tegen plannen om de Reguliersgracht te dempen.
(B.F. Eilers, tussen 1909 en 1920, Gemeentearchief Amsterdam)

Om met het laatste te beginnen: ik denk dat hier de waarheid in het midden ligt. Zonder de niet aflatende strijd van al die Jan Veths en Geurt Brinkgreve's had de oude binnenstad er nu heel anders uitgezien, daarover zijn Ricardo en ik het roerend eens. Maar ik denk, in tegenstelling tot Ricardo, dat eerst het geld kwam. In een arme stad wordt per definitie altijd weinig vernield, simpelweg omdat de middelen ervoor ontbreken. Waarom ligt het oude St. Petersburg er, in vergelijking met Moskou, nog zo schitterend bij? Niet in de laatste plaats omdat Stalin een hekel aan die stad had, er geen cent aan uit wilde geven en al zijn vernieuwingsdrift botvierde op Moskou. Waarom begon de strijd voor Geurt Brinkgreve en de zijnen vooral in de jaren zestig serieus te worden? Omdat er toen weer geld beschikbaar was voor grootscheepse herstructureringsplannen. Waarom kwam Jan Veth in 1901 - dus al niet meer in de 19e eeuw - in aktie tegen de dempingsplannen voor de Spiegel- en Reguliersgracht? Omdat Amsterdam toen, na een diep dal, weer in een hausse terecht was gekomen, en het grote geld zo langzamerhand stevige gaten begon te slaan in de oude, pittoreske binnenstad. Maar in vergelijking met andere Europese steden bleven zelfs die inbreuken beperkt.
Bijna iedere buitenlandse historicus die over Amsterdam schrijft houdt zich bezig met dezelfde vraag die ik in mijn oratie en elders stelde: hoe komt het dat dit enorme zeventiende-eeuwse stadsgebied, ondanks de vele grote en kleine inbreuken, betrekkelijk gaaf bewaard is gebleven? De internationaal befaamde Donald Olsen typeert Amsterdam als een uiterst conservatieve stad, waar veel grote Europese bewegingen langs zijn afgegleden: de contra-reformatie, de triomf van de territoriale staat, het gecentraliseerde absolutisme, de opkomst van de aristocratie. Ik denk dat hij daarin overdrijft: Amsterdam was in de zeventiende eeuw een voor Europese begrippen eigenzinnige en zeer moderne stad. Maar het is buiten kijf dat de enorme 19e-eeuwse doorbrekerijen, die in Brussel, Parijs en elders in Europa plaatsvonden, aan Amsterdam grotendeels voorbij zijn gegaan. Het doorbraakje van de Raadhuisstraat kun je toch echt niet vergelijken met de kilometers lange Anspach-boulevard in Brussel, en de rücksichtloosheid waarmee het middeleeuwse Brussel - en dat geldt ook voor Parijs - grotendeels is weggevaagd.

Amstel Hotel (1863/67)

Mijn enige verklaring voor de uitzonderlijke situatie van Amsterdam is gebrek aan macht en geld, plus een typisch Hollands conservatisme. Macht, omdat Amsterdam nooit een échte hoofdstad van het land was - het was immers geen residentie van de vorst en de regering. Geld, omdat gedurende het grootste gedeelte van de 19e eeuw de gemeente Amsterdam, beladen met schulden uit de Napoleontische tijd, wel degelijk straatarm was. Te arm om een andere grote doorbraken, bijvoorbeeld van de Plantage naar de Dam, tot stand te brengen. (Michiel Wagenaar gaat daar, in zijn prachtige Europese overzichtsboek Stedebouw en burgerlijke vrijheid uitvoerig op in.) De opleving die Ricardo signaleert kwam pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw, en werd aanvankelijk vaak ook nog met particulier en rijkskapitaal gefinancierd.
Daaraan gekoppeld bestond er ook een gebrek aan wil, een sterke neiging om de zaken bij het oude te laten, een voorkeur voor het kleine en pittoreske boven het grote en monumentale. Sarphati bracht het Amstelhotel tot stand, en het Paleis voor Volksvlijt, en hij wilde nog veel meer. Maar zijn allure vormde een uitzondering die de regel bevestigde. Hij werd voortdurend dwarsgezeten, er waren enorme financiële obstakels, en van zijn monumentale stadsplannen is uiteindelijk bitter weinig gerealiseerd. Een andere project dat Ricardo noemt, de Beurs van Berlage, werd bij de oplevering - in 1903, ook al niet meer in de 19e eeuw - door de Amsterdammers de grond in geschreven.
Had dat Amsterdamse conservatisme iets te maken met de intimiderende kracht van de Gouden Eeuw? Deze vraag is niet een kwestie van feiten, maar van gevoel. In mijn oratie heb ik me er voorzichtig over uitgelaten. Ricardo wijst terecht op de vele vitale plekken in Amsterdam waar zeventiende-eeuws antiek en twintigste-eeuwse levensdrift samengaan, fraai en minder fraai. Goddank is onze binnenstad allesbehalve een museum. Alleen: onze historische porseleinkast is wel een stuk groter dan die van Brussel, Londen of Parijs. En hij is vooral heel erg zeventiende-eeuws – een eentijdigheid die bijvoorbeeld in Rome ontbreekt.
Dat is wellicht mede veroorzaakt door de conservatieve houding van de latere Amsterdammers, wie zal het zeggen, maar wij, degenen die nu leven, worden door die porseleinkast ook tot conservatisme gedwóngen. Terecht, dat stel ik voorop. We kunnen in het Amsterdamse centrum maar weinig meer veranderen. Maar wat kunnen we wel? Iets nieuws en groots neerzetten op het Binnengasthuisterrein, iets echt moois, kan de binnenstad dat hebben? Of gaan we dan te ver? Of zit de binnenstad in feite gewoon op slot? En zo nee: waar ligt dan de goede harmonie tussen verleden en toekomst, tussen behoud en beweging? Daar gaat het voortdurend om.
Het is in de kern een eeuwig probleem, waarover Ricardo en ik discussiëren. Ons hart ligt op dezelfde plaats, dat beeldschone oude centrum, dat nu aan onze generaties is toevertrouwd. Maar tegelijk is ons ideaal ook een levende binnenstad. Die tegenstelling is de kern van de Amsterdamse vitaliteit. Daarom mag en zal nooit iets vanzelfsprekend zijn, ook niet onder ons in Binnenstad.

Geert Mak

(Uit: Binnenstad 192, februari 2002.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.