Frans Hupsch verlaat de redactie

Frans Hupsch heeft onze redactie verlaten: alweer een stukje geschiedenis dat ons ontglijdt. Daar zat hij, statig met zijn zilveren haar, altijd in dezelfde stoel, en voelde zich op zijn gemak. 'Die ene middag per maand wil ik niet missen', zei hij, 'dat noem ik altijd: ik ga naar m'n vriendjes'. Fietsen van de Anthonie van Dijckstraat naar het Aalsmeerder Veerhuis... Dat vond ik wel wat stug voor iemand die al enige tijd geleden 80 was geworden. Maar gelukkig nam hij de laatste tijd gewoon de tram. Nu werd het hem te veel, en dat kan je begrijpen als je zijn geboortejaar hoort: 1912. Dan zeg ik er maar niet bij hoe oud hij nu is.

Frans was onze onvermoeibare corrector. Spellingfouten, onjuist woordgebruik, slordige zinsbouw, ze ontsnapten niet aan zijn aandacht. Hij was als ambtenaar opgeklommen van 'schrijver in tijdelijken dienst bij het Amsterdamsch Gemeenteblad' in november 1929, tot Chef Gemeenteblad in 1959. Hij had er bij zijn pensioen 48 dienstjaren opzitten in dat dorp dat het stadhuis van Amsterdam is. Zo was hij een onuitputtelijke bron van herinneringen aan het leven in dat stadhuis.
Zeven burgemeesters had hij meegemaakt. Dat begon met Willem de Vlugt, onze anti- revolutionaire burgemeester, die nooit toneelvoorstellingen verbood, maar wel zaterdagavond om vijf voor twaalf de schouwburg verliet. De Vlugt was bevriend met prins Hendrik, de gemaal van koningin Wilhelmina. Ze leken op elkaar, de Kattenburgse volksjongen en de hertog uit Mecklenburg, met hun puntbaardjes en hun buikjes met vest en gouden horlogeketting... Ze gingen samen op vakantie naar Oostenrijk. en het kwam voor, dat de ober de rekening voor de prins – die altijd op zwart zaad zat – aan de burgemeester presenteerde. En dan Feike de Boer, directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, na de oorlog tijdelijk burgemeester. Die bruisende ondernemer rende de trappen naar de eerste verdieping op, liet zijn regenjas afglijden en zei tegen de ijlings toeschietende bode die hem dienstvaardig de jas wilde afnemen: 'Man, mijn jas kan ik wel zelf ophangen!'
Ik leerde Frans pas echt kennen toen ik me in 1976 bezighield met de eersteklas trouwkamer, een totaal met allegorische figuren gedecoreerde kamer in groene en paarse tinten met gouden randen, die ik een keer had gezien, maar die normaal op slot was. Frans Hupsch zei: Ricardo, wij zijn goede vrienden, kom maar mee. Toen werd er een sleutel gehaald, we gingen in dat toverdoosje naar binnen, de meubels werden zonder pardon van de wand geschoven en daar kwam een groot kader tevoorschijn met de naam van Chris Lebeau en de exacte samenstelling van alle gebruikte verfkleuren en het jaartal 1926. Frans wist er nog iets bij. Chris Lebeau had zich tijdens het schilderen veertien dagen als in trance in die kamer opgesloten. Burgemeester De Vlugt kwam eens kijken wat zich daar afspeelde en kreeg toegesnauwd: 'Hé, wat kom jij hier doen?'
Deze schildering bevatte een paar gestileerde naakten van vrouw en man, maar dan ook echt naakt, en dat werd in 1941 niet meer netjes gevonden. Daarom was er een jute betengeling op aangebracht. Burgemeester d'Ailly - het was intussen 1953 - wilde wel eens weten wat daar voor ons verborgen gehouden werd. Hij pakte zijn zakmes en maakte een grote snee in het jute. Einde discussie; de wandschildering van Chris Lebeau kwam te voorschijn en werd door Peter Alma gerestaureerd.
En dan had je burgemeester Van Hall, die eind 1965 een televisietoestel mee in de raadzaal bracht omdat hij de bekerwedstrijd van Ajax tegen een Engelse club niet wilde missen - en plompverloren met zijn rug naar de raad ging zitten tijdens het debat over de bank in de Vijzelstraat.

Frans moest voor het Gemeenteblad de raadsvergaderingen stenograferen. Hij liet ook de presentielijst tekenen, want een raadslid kreeg 'vacatiegeld' voor het bijwonen van de vergadering. Met onversneden misprijzen sprak hij over die twee vrouwelijke raadsleden, die de presentielijst kwamen tekenen om er daarna samen tussenuit te knijpen. Hij vond het gek dat ze zich niet geneerden. Hupsch werd als integer verslaglegger zo gewaardeerd, dat de burgemeester hem eens aan koningin Juliana voorstelde als 'ons zesenveertigste raadslid' - een knipoog, maar toch ook een hoogtepunt in zijn carrière.

Stenograferen? Dan steekt Frans betekenisvol zijn duim op. Een stenograaf zuigt driekwart uit zijn duim. Je kan toch nooit al hun gestuntel en hun halve zinnen bijhouden, dus je maakt er het beste van. En wat zijn die heren tevreden over de tekst die je hun in de mond hebt gelegd. Een geval apart was wethouder Ab de Roos (1945-'62). Als die begon wist je dat er de eerste tien minuten niets van belang zou komen, alsof hij zijn gehoor in slaap wilde sussen. De stenograaf moest wel alert zijn als het menens werd.
Wanneer jongeren grossierden in Joop en Wim en dat soort gemeenzame benamingen, zei Frans: 'De wethouders waren vroeger magistraten. Wibaut was voor iedereen meneer Wibaut, voor intimi misschien Wibaut zonder meneer, maar je moet er niet aan denken dat iemand 'Floor' zou hebben gezegd. Hetzelfde gold voor Salomon Rodrigues de Miranda, onder wiens bewind de hele Ring '20-40 is gebouwd. De eenvoudige arbeidersjongen was magistraat geworden: meneer De Miranda voor iedereen.
Frans en zijn vrouw Poule bewoonden een benedenhuis in het mooie Zuid, klassiek ingericht, nergens rommel. Boekenkasten, waaraan je zag dat een gebruikt boek weer op de juiste plaats werd teruggezet, Engelse prenten van paardensport aan de wand. Poule, altijd voorkomend aan de telefoon, leefde teruggetrokken, maar ik heb wel eens iets over haar gehoord. In de jaren '70 huurde de sociale dienst de bovenverdiepingen van die huizen en plaatste er migranten in. De jongetjes van boven, die zulk wonen niet gewend waren, plasten vanaf het balkon in de tuin. 'Poule kan dat niet goed hebben', zei Frans, en dat kon ik zo verschrikkelijk goed begrijpen.
De last der jaren, ook verdriet in de familie, het werd hun teveel. Ze konden een aanleunwoning krijgen. Wij van de redactie en ik denk wel allen die Frans Hupsch kennen, hopen en wensen hun toe, dat hun laatste jaren daar vredig zullen verlopen. En wij hopen dat ze ons blad zullen blijven lezen!

Ricardo

(Uit: Binnenstad 192, februari 2002.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.