Uit de beginjaren van de Stichting Diogenes

De fatsoenlijke bestemming

Oudezijds Achterburgwal 91 hoek Barndesteeg

De stichting Diogenes was bezig met de eerste naoorlogse restauratie in de Bethaniënbuurt, Koestraat 34-36, toen ik bezoek kreeg van een keurig oud heertje, eigenaar van het hoekpand Barndesteeg-Oudezijds Achterburgwal. Hij was herenkapper. Hij vertelde dat hij vijftig jaar lang daar de mannen uit de buurt had geknipt en geschoren, maar het werd hem te zwaar; hij moest stoppen. Een collega die de zaak en het huis zou willen overnemen had hij, ondanks veel zoeken, niet gevonden. Toen hij begon, vóór 1914, was het een gezellige, levendige buurt met allerlei bedrijven. Op dit stukje van de Oudezijds Achterburgwal had je een grote Joodse textielzaak en een etuifabriek, die werkte voor de juweliers in de Kalverstraat, in de Barndesteeg kon je een timmermanswerkplaats vinden, een smederij en nog andere zaken. Dat is allemaal weg of het gaat weg. De eigenaar van de etuifabriek durft zijn huis niet meer in, hij heeft nog een eigen werkplaatsje op de zolder, maar op de trap komt hij onbekenden tegen, die kamers in beslag genomen hebben. 'Krakers' heet dat. Het enige bedrijf dat goed loopt, zei mijn bezoeker, is de prostitutie. "Hoeren hebben we hier altijd gehad, maar het worden er steeds meer. Dat is nu juist voor mij het probleem. Mijn huis heeft ramen aan de burgwal, en ramen in het pothuis, en ook op de hoofdverdieping aan de Barndesteeg. Daar kunnen vijf vrouwen tegelijk zitten. Het huis is mijn enige bezit, mijn oudedagsspaarpot. De pooiers bieden tegen elkaar op, ik kan krijgen wat ik er voor vraag. Maar dat wil ik niet. Ik heb mijn vrouw op haar sterfbed beloofd, dat ons huis een fatsoenlijke bestemming zou krijgen, als ik stop met werken. Nu heb ik in de krant gelezen over een stichting met een vreemde naam, die oude huizen koopt en repareert. Mijn huis staat er netjes bij. Kunt u het niet van me kopen?"
Onze stichting had moeite genoeg om met bouwkrediet en subsidietoezeggingen de in uitvoering zijnde restauratie Koestraat 34-36 aan de gang te houden: aankoop van een in redelijke staat verkerend huis hoefde ik niet eens aan de bestuursvergadering voor te leggen. Maar ik kon die trouwhartige man toch ook niet met een kille weigering weg laten gaan. Via een kennis die de weg wist in charitatieve fondsen is een koper gevonden, ik weet niet wie, en ik weet evenmin wat het huis heeft opgebracht. Zeker is in elk geval dat het geen bordeel is geworden. Nu is er een instelling voor hulpverlening aan verslaafden gevestigd. Nog altijd denk ik met respect aan de oude kapper, die zijn belofte niet wilde breken. Er bestaan ook fatsoenlijke huiseigenaren, die niet alleen marktgericht denken.

De nieuwe aanpak

De bebouwingsdichtheid van de Bethanienbuurt in 1968 Het inmiddels ingetrokken onuitvoerbare bestemmingsplan

In de jaren 1961-'62 kwam op voorstel van Diogenes een werkgroep bijeen met ambtenaren van Monumentenzorg en Stadsontwikkeling, en medewerkers van Stadsherstel, Hendrick de Keyser en Studentenhuisvesting. Daar ontstond het plan om voor de Bethaniënbuurt een nieuw type bestemmingsplan te ontwerpen, niet gericht op sloop en nieuwbouw, maar op herstel van de historische structuur en bebouwing. In 1968 verscheen de gemeentelijke publicatie "Nieuw leven voor een oude buurt", met een nog altijd actueel voorwoord van wethouder drs. R.J. de Wit. De Wit wijst er op dat de in 1965 van kracht geworden nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening de mogelijkheid opent voor de gemeente om in het belang van de bewoonbaarheid van een klein stukje van de binnenstad handelend op te treden. Het instrument 'bestemmingsplan' kon voortaan niet alleen gebruikt worden voor stads- en dorpsuitbreidingen, maar nu ook voor de bebouwde kom. Dat was iets nieuws, een experiment, zo dacht de wethouder, het zou veel tijd en geld kosten, maar als alle belanghebbenden wilden meewerken zou de rehabilitatie van andere binnenstadsbuurten met meer vertrouwen ter hand genomen kunnen worden. Roel de Wit, van huis uit natuurbeschermer, is wel de minst sloopzuchtige wethouder Publieke Werken sinds 1950 geweest. Uit zijn voorzichtige omschrijving van de nieuwe aanpak Bethaniënbuurt blijkt al dat hij veel tegenstand verwachtte. Van wie? De manier waarop zijn eigen afdeling Stadsontwikkeling in die jaren de herstelgedachte Bethaniënbuurt had uitgewerkt, toont uit welke hoek hij die tegenstand verwachtte: van de ambtelijke stedenbouwkundigen. Hoe zij over de bestaande aanleg en bebouwing dachten, is afleesbaar uit de wederopbouwplannen– 1953. Kort samengevat: de dichtgeklonterde plattegrond deugt niet, die moet wég, om licht, lucht en ruimte binnen te laten. Dat van de bestaande bebouwing zóveel zou worden weggesloopt dat het resterende onbewoonbaar zou worden deed blijkbaar minder ter zake, de bewoners, voor zover nog aanwezig, kregen tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal een voetgangersgebied van de Oude Hoogstraat tot de Bloedstraat, mooi toch? Inderdaad, vooral 's nachts ideaal voor insluipers. Het mooie boekje "Nieuw leven voor een oude buurt" wekte zoveel weerstand dat het daarin geschetste toekomstbeeld nooit aan uitvoering is toegekomen.

Koestraat 34-36 werd in 1963 gerestaureerd.

Wel had de gedachte van de werkgroep Bethaniënbuurt om voor dit kleine buurtje een apart conserverend bestemmingsplan te maken, wortel geschoten. De restaurerende instellingen gingen aan het werk. Hendrick de Keyser had al het voorbeeld gegeven met het Wijnkopergildehuis Koestraat 10-12 en Nieuwmarkt 20-22, Diogenes sloot daarop aan met Koestraat 7-9-11 en 34-36, Barndesteeg 15 en OZ Achterburgwal 69-79. Stadsherstel is ook actief geweest, volgens richtlijnen van de ambtelijke projectgroep in opvallend modernistische trant, het onderdeel studentenhuisvesting werd overgenomen door Jan Pietersz. Huis, speciaal voor conservatoriumstudenten. Het belangrijkste monument van de buurt, het Bethaniënklooster, kwam via een aparte stichting ook bij Jan Pietersz. Huis terecht. Het grondbedrijf wilde van die gestutte, onrendabele bouwval af, de projectgroepen voelde meer voor sloop en woningwetnieuwbouw, het was, zoals vaker, een voor dit doel opgerichte particuliere stichting die het gebouw uit een ambtelijke controverse gered heeft. Samenwerking tussen de gemeente en de burgerij noemen we dat, vooral vóór de verkiezingen.

De fatale wasbeurt

Egelantiersgracht 66-68-70: vóór herstel. Na restauratie, nr. 66 is herbouwd, in 1963/64.

Het moet in de nazomer 1962 zijn geweest dat Diogenes de panden Egelantiersgracht 66-68- 70 kocht. Waar de jeugdige stichting, die al enkele restauratiewerken in uitvoering had die haar krachten eigenlijk te boven gingen, de aankoop van betaald heeft, kan ik me niet herinneren. Hoog kan het bedrag niet zijn geweest. Het was een drieling zoals in de 18de eeuw vaak werd gebouwd als belegging of oudedagsvoorziening. De benedenwoningen hadden elk een insteek en een kelder, dat waren 'huizen'. Daarboven drie maal drie tweekamerwoningen van circa dertig vierkante meter. Zinken gootsteenbakjes en één kraan per woning waren in de 19de eeuw als voorziening toegevoegd. Op de trapportaaltjes bevonden zich de stilletjes. De spiltrappen waren mooi getimmerd, maar smal en steil, hoogst brandgevaarlijk. Dat het gemeentebestuur dergelijke woningen onbewoonbaar verklaarde ligt voor de hand. Een gevolg was wel dat sloping boven de eerste balklaag voor de eigenaar de enige rendabele oplossing bood. Een onderstuk is altijd te verhuren als bedrijfs- of opslagruimte. Dat was al gebeurd met nr. 66. Daar bevond zich, vreemd maar waar, een stal voor pony's. Nr. 68 was dichtgetimmerd, maar stond nog overeind, nr. 70 leunde, zwaar gestut, over naar de Egelantiersdwarsstraat. De bloemenkoopman in het hoekhuis had tussen en bevestigd aan die stutten een feestelijke etalage ingericht van zijn koopwaar. Hij had alleen moeilijkheden met zijn onderhuurder, ome Piet (of Jan of Dirk, in elk geval 'ome'). Die woonde in de opkamer achter de winkel, de enige vaste bewoner van de drieling. "Wonen, nou ja, als je het zo noemen wilt", zei de bloemenkoopman. Meubels staan er niet meer, er ligt alleen een grote hoop vodden. Elke avond komt ome Piet met een stuk in zijn kraag thuis, dan slaapt hij zijn roes uit, en laat in de volgende morgen begint hij opnieuw. Een aardige, vrolijke man hoor, nooit ruzie, maar vies! In alle cafés in de buurt kennen ze hem, hier vangt hij een broodje, daar een haring, en overal een borreltje. Ze zijn van de GGD al een paar keer hier geweest, er is plaats voor hem in de Roetersstraat, maar ome Piet kijkt wel uit. De Roetersstraat, dat is niks voor hem, dan is het uit met de dagelijkse kroegentocht!"
Het eind kwam in de strenge winter 1963, alles was bevroren en beijzeld, ook de stoep van Egelantiersgracht 66. Daar is ome Piet, beschonken thuiskomend, gevallen en heeft hij zijn been gebroken. Ze hebben hem gehaald, zo vertelde de bloemenkoopman, en in het ziekenhuis hebben de zusters hem gewassen, arme ouwe baas. De volgende dag was hij dood. De panden Egelantiersgracht 66-68-70 zijn in '63 - '64 gerestaureerd, waar nodig herbouwd. Mooie halsgevelhuizen op een opvallende plek in de Jordaan. In plaats van drie beneden- en negen bovenwoningen, waar destijds kinderrijke gezinnen waren gehuisvest, zijn er nu nog maar vier huurders. Een van hen is de bekende auteur Theun de Vries, aan wie wethouder Elsenburg op 3 oktober 1964 de sleutel overhandigde.

De jenevermuur

Lindengracht 49-55, vóór herstel. Na herbouw van de panden in 1970/72.

Ontruimd, gestut en ingepakt stond het huisje Lindengracht 53 te wachten op een besluit: slopen of herstellen. Waarschijnlijk zou het al lang geleden gesloopt zijn geweest, als het niet ter wille van het jaartal 1687 en een curieuze gevelsteen, genaamd "Wargaarn", op de monumentenlijst had gestaan. Die steen stelt een aap voor die bezig is met een spinnewiel, terwijl een andere aap toekijkt en een hond een haspel draait. Wat die steen vertelt is blijkbaar dat de dieren het garen verwarren. Rechts voor het huis lag een leeggesloopt terrein, links twee onderstukken. Oude foto's toonden dat de daar gedeeltelijk gesloopte panden hoger waren geweest dan nr. 53, en dat nr. 49 met een ojiefgeveltop bekroond was geweest. Het complex was uit de boedel-Tabak bij Diogenes terechtgekomen, en het zou, als een gecombineerd project van huur- en eigen woningen, voor rekening van de toen goed functionerende zusterstichting Aristoteles worden herbouwd/gerestaureerd.

Een obstakel was echter dat op nauwelijks twee meter afstand van de achtergevel een loods stond van een handelaar in non-ferro metalen. Waarschijnlijk had daar lage inpandige bebouwing gestaan, toegankelijk door een nog gebruikte gang naast nr. 49. Later is op de plek de circa vier meter hoge loods gebouwd, in strijd met het voorschrift van de vrije ruimte achter een achtergevel. Die loods moest dus weg, maar de eigenaar toonde geen belangstelling. Na veel getelefoneer kwam toch een afspraak tot stand, maar dan zonder makelaar erbij. Plaats een café in de Dapperstraat, tijd twee uur op een warme zomermiddag. Toen ik op de afgesproken tijd binnenkwam had de man al enige borrels op. Hij vond de heren van de stichting rad gek, je moest die krottentroep toch slopen! Na nog enige borrels draaide hij bij. Eigenlijk wou hij wel van die oud-metaal rotzooi af. Er kwam een stevig, maar haalbaar bedrag op tafel. Vanuit het café werd een afspraak met de notaris gemaakt. Ietwat beneveld ben ik door de hitte naar huis gefietst, twijfelend of onze wederpartij zich aan de afspraak zou houden. Maar jawel, hij was er, ditmaal nuchter, geschoren en netjes in het pak. Eigenlijk was hij stom geweest, de overeengekomen prijs was te laag, maar als eerlijke zakenman hield hij zich aan zijn woord, handgeld was betaald, handtekeningen werden gezet. Het duurde nog maanden voordat de laatste partijen koper, zink en lood waren verkocht, en onze aannemer, beducht voor instorting, het golfplaten dak had verwijderd. Toen belde hij op: "Meneer, u moet gauw komen kijken, zoiets heb ik nog nooit gezien!" De achtermuur van de loods bleek geheel te bestaan uit lege jeneverkruiken en -flessen, precies gestapeld op hun zijkant, en aan beide zijden afgepleisterd met harde cementmortel. Een prima constructie voor een niet-dragende muur, licht van gewicht, fundering was niet nodig geweest. We hebben verzuimd een foto te maken, of een telling hoeveel liters jenever voor die muur nodig zijn geweest. Nu ligt daar een vredig stadstuintje achter de gerestaureerde/herbouwde huizen aan de Lindengracht.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 193, mei 2002.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.