Kees van Mierlo, restaurateur-houtsnijder

Kees van Mierlo in zijn werkplaats.
In de steeg tegenover de toegang van het Bethaniënklooster bevindt zich het restauratieatelier van Kees van Mierlo en Dietmar Gedexnus. Op het eerste gezicht lijkt het atelier een soort ouderwetse meubel- of timmerwerkplaats. Overal op de vloer liggen houtkrullen. Langs de wanden staan, behalve oude meubels, enorme houten balken, gezaagd uit verschillende soorten bomen. Elke houtsoort is anders van kleur en structuur: eikenhout is een beetje walnootkleurig en dwars op de nerf grillig gevlamd, als het verweert in de buitenlucht wordt het zilvergrijs; linden is licht van kleur; iepen enigszins honingkleurig.

Dietmar Gedexnus is meubelrestaurateur. Hij is bezig met de restauratie van een Polyphon platenspeelkast uit 1897, waarvan de onderkast is verdwenen en wordt bijgemaakt in dezelfde stijl en hetzelfde hout als de bovenkast. Het is een elzenhouten kast, gefineerd met notenhout. Dietmar heeft net een hele partij oud noten- en mahoniefineer gekocht. Hij is verguld met zijn aankoop, omdat de stroken veel breder zijn dan de stroken die men tegenwoordig maakt. Dat fineer moet bijgekleurd worden om precies aan te sluiten bij de kleur van de bovenkast. Hij laat ook een aantal kleine speeldoosjes zien, sommige ingelegd met prachtige bloemmotieven in marqueteriewerk van verschillende kleuren fineer. Het ziet er nu nog wat bobbelig uit en er ontbreken stukjes, maar straks is alles weer als nieuw.

Snijraam van Keizersgracht 209. Ontwerp en vervaardiging Kees van Mierlo.

Eigenlijk kom ik voor Kees van Mierlo. Kees is houtsnijder; uit grote blokken hout snijdt hij trapbalusters, rijkversierde deurlijsten, snijramen etc. Het woord 'snijden' heeft betrekking op het doorsnijden van de nerven van het hout. Zolang je door de nerven snijdt, voorkom je dat het hout met de nerf mee steeds dieper uitscheurt.
Zantkuijl maakt in zijn boek "Bouwen in Amsterdam" onderscheid tussen functionele en toegevoegde versieringen. Onder de eerste verstaat hij bijvoorbeeld waterlijsten, maar ook het van oorsprong uit de houtbouw afkomstige 'hoofdgestel', het geheel van stylobaat, zuilen, kapitelen, architraaf, lijst en fronton. Van een hoofdgestel worden de rechte en eenvoudig geprofileerde lijsten gemaakt door een timmerman, het beeldhouwwerk van fronton en metopen daarentegen door de beeldhouwer. Voluten, eierlijsten en acanthusbladeren, die het midden houden tussen het functionele en het toegevoegde ornamenten, behoren tot het vakgebied van de houtsnijder.
Achter in de werkplaats heeft Kees een ruime werkplek met veel daglicht. Aan de wand boven zijn werkbank hangen allerlei proefstukjes, gipsafgietsels en snijwerk dat hij in de loop der jaren heeft gemaakt en verzameld. Sommige stammen nog uit de tijd dat hij op het restauratieatelier Uilenburg werkte. Nu heeft hij al weer zo'n 15 jaar zijn eigen werkplaats. Zijn vader was timmerman. Hij had een stoffeerdersbedrijf, waar Kees al vanaf jonge leeftijd meehielp. Later trad hij in dienst bij een meubelmaker, van wie hij de opdracht kreeg om de betimmering van de toegangshal van de Trêveszaal aan het Binnenhof te restaureren. Voor die betimmering sneed hij een aantal kleine kapiteeltjes, die zó goed gelukt waren, dat Hans 't Mannetje, die toen het rijk geornamenteerde snijwerk van de Trêveszaal restaureerde, ze opmerkte. Deze vroeg hem bij het restauratieatelier Uilenburg in Amsterdam te komen werken, waar hij de leiding over had. Daar heeft hij het vak toen verder geleerd. Tien jaar later, in 1994, keerde hij terug naar de Trêveszaal, voor het ophangen van de kroonluchters die hij naar een door Hans 't Mannetje gereconstrueerd ontwerp van Daniël Marot vervaardigd had.

Elk nieuw werk begint met een ontwerptekening, een werktekening op ware grootte, die overgenomen wordt op het hout. Als je zo'n vlakke lijntekening zonder schaduw ziet, blijft het een raadsel of een vlak nu naar voren of juist naar achteren wijkt. Ook de mate waarin iets naar voren komt of de wijze waarop het vlak moet buigen, is niet precies uit de tekening af te lezen. Kees beheerst zijn vak echter zó, dat hij een tweedimensionale ontwerptekening naar drie dimensies weet te vertalen.
Afgezien van talent, vakmanschap, eindeloze oefening en geduld, vereist dit vak niet alleen dat je de verschillende historische stijlen kunt herkennen, maar eveneens dat je de vormentaal van die perioden in je vingers hebt. Kees van Mierlo restaureert niet alleen, maar ontwerpt ook. Hij bedenkt hoe onderdelen die in de loop der jaren zijn verdwenen eruit gezien kunnen hebben. Het is als het lezen en schrijven van oude talen. Je moet de teksten niet alleen kunnen vertalen, maar je er bovendien zó in kunnen uitdrukken, dat niemand de authenticiteit van het resultaat betwijfelt. "Vroeger werkte een houtsnijder zijn hele leven in één of twee stijlen. Het ontwikkelen van een nieuwe stijl moet voor ontwerpers destijds natuurlijk een uitdaging zijn geweest, maar als die eenmaal ontwikkeld was, duurde het vaak tientallen jaren voordat de mode weer veranderde." Kees is een bescheiden man. Nooit streeft hij in zijn ontwerpen een eigen of eigentijdse interpretatie na. Het gaat om restaureren, letterlijk het her-stellen van die dingen uit het verleden, die waardevol zijn om te bewaren.

Na het maken van een ontwerp en werktekening volgt het 'snijden' uit het hout. Op zijn werkbank liggen tientallen beitels. Deze beitels hebben al eeuwen dezelfde afmetingen; de breedte en bolling ervan is nooit veranderd. Hij vertelt dat hij op het atelier Uilenburg van Jan Snijders geleerd heeft zowel rechts- als linkshandig te werken en hij neemt de beitels dan ook moeiteloos van de ene hand over in de andere. Hij gebruikt nauwelijks machines. Dat kan ook niet als houtsnijder zou je denken, maar ook de profielen van het snijraam bijvoorbeeld waar hij momenteel mee bezig is, worden niet gefreesd, maar schaaft hij met de hand. "Zo krijg je onzichtbare onregelmatigheden, die het werk levendigheid geven. Als je dat met een machine zou doen, ziet het er onnatuurlijk recht uit." Ook vindt Kees dat je het houtsnijwerk nooit mag schuren: alles moet met beitels en schaven worden afgewerkt, anders verliest het werk aan 'scherpte'. Hij vertelt dat hij in de loop der jaren een zekere vaardigheid en snelheid heeft gekregen. "Je wordt zekerder van je zaak, zoekt minder, twijfelt minder. En, een van de moeilijkste dingen, je weet steeds sneller de juiste diepte en vorm te bepalen."

Voor het behoud van het hout wordt het tenslotte meestal geschilderd, zeker als het houtsnijwerk voor buiten betreft. "De nerf en de structuur van het hout zie je dan niet meer en dat vinden mensen wel eens zonde. In de moderne beeldhouwkunst laat men die nerf vaak juist graag zien, maar daar gaat het hierbij niet om". Hij zoekt naar de juiste 'spanning' in de bolling van een vlak of de curve van een boog en spreekt over het zoeken naar juiste verhoudingen en het overzien van het gehéél zonder je te verliezen in details. Aspecten die van alle tijden zijn, ongeacht stijl of onderwerp en die uiteindelijk zijn vakmanschap bepalen.

Juliet Oldenburger

(Uit: Binnenstad 194, juli 2002.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.