De Gouden Eeuw, een trauma?

Ricardo was een paar maanden op reces. Hij had als een slak zijn voelhorens ingetrokken en zich in zijn huisje opgerold. Ik kon hem niet wakker krijgen om hem te laten dansen. Je had het kunnen zien aankomen. De transparante schim die wij Ricardo noemen, is kwetsbaar.
Het alternatieve uitbreidingsplan-1945 uit "Bouwen van woning tot stad" 1946, van de architecten Komter, Staal, Zanstra, Giesen en Sijmons.

Hij waait langs de gevels omhoog, gluurt naar binnen in een schaars verlichte zolderkamer, waar een jong poëet naar zijn meisje smacht, nestelt zich in een boom en wiekt dan weer als een reiger over het water van de gracht. Hij zit op de wallekant met zijn benen bungelend, en is ineens verdwenen, opgenomen in het vaalgroen met blauw van een pieremachochel of in de raamkozijnen die de gelaatstrekken van de oude huizen zijn. Ricardo is overal in de binnenstad, maar als hij hoort dat je de Gouden Eeuw een trauma noemt, waardoor de ontplooiing van Amsterdam wordt belemmerd, dan slaat hij af.
Altijd zijn er weer de vlotte praters, die vinden dat we ons door die oude Gouden Eeuw niet moeten laten kisten en best zelf eens mooie bouwplannen in de oude binnenstad mogen uitvoeren. Dat montere realisme is de worm die de appel eerst aansteekt en hem straks opvreet. Ze hebben het zelfs tegen Máxima gezegd: het is best mooi hoor, het oude Amsterdam, maar we hebben er wel dat trauma aan overgehouden. Niet dat Máxima nou meteen een zelfontworpen paleisje in de binnenstad gaat neerzetten, maar de worm heeft status gekregen doordat hij is verpakt in de appel die het kroonprinselijk paar is aangereikt.

Waar komt toch het idee vandaan, dat een roemrijk verleden fnuikend voor het heden zou zijn? Dat is toch niets anders dan een platte gemeenplaats? Het is bovendien niet waar. Nee immers, de glorie van de zeventiende eeuw is geen trauma voor Amsterdam. De 'lasso's der grachten' herbergen niet alleen maar een leven 'zo warm en zo klein', ze zijn aldoor opnieuw het eigendom van mensen met grote dromen en koene fantasie en ze vormen de bakermat van alles wat creativiteit kan voortbrengen. Restauratie van een oud gebouw loont altijd de moeite; verminking blijft altijd een schandvlek.
Het ensemble dat bestaat uit de grachtengordel, de eilanden west en oost en de Jordaan, is nooit een belemmering geweest voor de ontwerpers van nieuwe wijken. Het is zelfs opmerkelijk hoe weinig de uitbreidingen bij de oude stad aansluiten. Dat geldt voor het niet uitgevoerde plan-Van Niftrik (1866), het geldt voor de gordel negentiende-eeuwse wijken van het plan-Kalff uit 1875, en voor de 20ste-eeuwse plannen waar we trots op zijn.
Kijk op de kaart, en zie dat het mooie Zuid van Berlage de ruimte tussen Amstel en Schinkel een eigen invulling gaf, die nadrukkelijk niet op de oude stad georiënteerd is. Dit geldt ook voor de rest van de Ring '20-'40: de Zaanhof van 1919 en de rest van de Spaarndammerbuurt met 'Het Schip' uit 1923, en voor het Mercatorplein en omgeving van Van der Schaar. Amsterdam was vitaal genoeg, om buiten de Buitensingelgracht nieuwe woonomgevingen met een eigen karakter te scheppen.
Het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935 mag zelfs het radicale tegendeel van de binnenstad worden genoemd. Geometrisch, muzikaal 'als notenbalken' om Van Eesteren te citeren, spreidde het raster van Nieuw-West zich uit met open bouwwijze en veel groengebieden. De plankaart van het AUP heeft een Mondriaan-achtig karakter. Na de oorlog is ook in de Bijlmer en Noord geen spoor van dat 'Amsterdamse binnenstadgevoel' te bekennen.

De enige keer dat een poging is gewaagd, een uitbreiding te maken die aansluit bij de halve maan van 1658, was in "Bouwen van woning tot stad" uit 1946, de vrucht van een werkgroep, waartoe tijdens de oorlog onder anderen Auke Komter en Arthur Staal behoorden. Dit was het radicale antwoord op het AUP: een hiërarchische opbouw van woning, blok, buurt, buurten, samengevoegd tot een stad in een nieuwe concentrische grachtengordel. Sociale samenhang en knusse vertrouwdheid werden gesteld boven de open stad van de Charte d' Athènes. De kaart van dit nieuwe Amsterdam heeft een verleidelijke allure. Het direct gehoorde bezwaar was, dat de gracht-segmenten veel te lang, de blokken veel te kolossaal zouden worden. De modernen noemden dit plan reactionair. Punt uit. Er is destijds geen fundamentele discussie over gevoerd; dat zou nog eens moeten gebeuren.
Pas na de teleurstelling over de Bijlmer, zeg na 1980, speelt de binnenstad een rol als voorbeeld, maatstaf of op zijn minst referentiepunt. Op het Java-eiland verwijzen de grachtjes en de smalle, gevarieerde verkaveling naar de binnenstad, en op Sporenburg is gebouwd in hoge dichtheden, net als in de Jordaan, dat is gezellig.
Amsterdam is een leerschool in stedenbouw en architectuur. Beter kan men zich niet wensen.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 196, dec. 2002.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.