Boekbespreking

Volkskunst

Het enige object uit Amsterdam in het Openluchtmuseum van Arnhem: de hut van een palingverkoper.
Het is een formidabel boek dat Ad de Jong heeft gepubliceerd onder de titel “De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815- 1940”. De bijna 800 goed leesbare bladzijden geven zelfs meer dan de titel belooft. Het verhaal houdt niet op in 1940, en het besluit met een visie van de auteur op een verdere ontwikkeling van het Openluchtmuseum in Arnhem, waar hij werkzaam is.

Het is juist de periode van de bezettingsjaren geweest die het begrip volkscultuur ten onrechte in diskrediet heeft gebracht. Van NSB-zijde werd geprobeerd alle studies en verzamelingen op dit gebied te doordrenken met Germaanse Blut-und-Boden-mythologie, en dat heeft er zeker toe bijgedragen dat de vóór 1940 in brede kring levende belangstelling voor volksdansen en streekklederdrachten in de wederopbouwjaren niet herleefde. Naast het Openluchtmuseum in Arnhem werd in 1937 in het Rijksmuseum het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis ingericht. Huizinga was daar niet tevreden over, het was “een afdeling vaderlandse geschiedenis, als bijproduct afgezonderd uit ’s Rijks voornaamste kunstverzameling”. Merkwaardig is hoe die discussie over de splitsing tussen kunst en geschiedenis nu weer herleeft. Voor Ad de Jong is die splitsing een verkeerde dogmatische scheidslijn in het cultureel erfgoed. Hetzelfde geluid klinkt in de plannen voor de herinrichting van het Rijksmuseum: de grote kunstwerken winnen aan zeggingskracht als ze getoond worden in de context van gelijktijdige ambachtskunst. Die lijn wordt doorgetrokken in het eigentijds verzamelen en exposeren van historische musea. De bedoeling om de belevingswaarde van het cultureel erfgoed te verhogen verdient uiteraard waardering. Dat wil niet zeggen dat hedendaags plastic huisraad een gelijkwaardige museale presentatie verdient als het ambachtelijk vervaardigde huisraad van een paar eeuwen geleden. Een verdienste van de Jongs boek is dat de beweegreden van de inspanning voor de volkscultuur vanaf het 19de- eeuwse begin duidelijk wordt.

Holle zilveren broeksknopen uit Walcheren.

De lezer komt dezelfde namen tegen als in de eerste jaren van de Bond Heemschut en de Rijksmonumentenzorg. Het was een klein gezelschap erudiete heren en dames die elkaar telkens opnieuw ontmoetten om reddingsacties te organiseren voor zaken die anders verloren zouden gaan. In sommige sectoren is het vergeefse moeite geweest. De streekklederdrachten zijn, op enkele tot toeristenkitsch afgezakte restanten na, verdwenen. Wie nog een marktdag in Middelburg vóór 1940 heeft meegemaakt, of een hoogmis in Volendam in de jaren vijftig, bewaart de herinnering aan de waardigheid, het karakter en de flatteuze schoonheid van draagsters en dragers van die toen nog gangbare kleding. Wat daarvan bewaard is gebleven heeft museale kwaliteit, zoals de inhoud van het Arnhemse Openluchtmuseum, de Zaanse Schans en het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Het zijn kijk- dingen geworden, geen gebruiksdingen. Dat geldt niet voor de sieraden. Wat aan de smeltkroes ontsnapte wordt nu hoog gewaardeerd als persoonlijk stijlvol juweel. Ten onrechte wordt het begrip volkscultuur beperkt tot het boerenland. Ook de steden kenden hun typische volkswijken met een eigen dialect, gewoonten en woningen. Het Openluchtmuseum gaat nu de omstreden Pottenbakkersgang reconstrueren, als laatste voorbeeld van Jordaangangen. Het eerste en tot nog toe het enige Amsterdamse object in het Openluchtmuseum was de in 1928 aangekochte hut van een palingverkoper uit Amsterdam Noord.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 197/198, maart 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.