Afscheidsrede Geurt Brinkgreve, Bethaniënklooster 6 december 2002

In oktober 1954 hield ik voor ‘De Amsterdamse Kring’ een rede over de toekomst van de historische binnenstad. De kranten stonden vol over hoofdcommissaris Kaasjager, die voorstelde om (behalve de drie hoofdgrachten) de niet meer voor transport gebruikte stadswateren te dempen om parkeerruimte te krijgen.

Mijn verhaal, “Gevecht om Amsterdam”, herhaalde ik op 30 november voor het Genootschap Amstelodamum. Ik citeer: “De komende tien jaar zullen de beslissing brengen of de schoonheid van Amsterdam behouden en hersteld zal worden, dan wel definitief te gronde gaat”. Ik bracht enkele gewoonlijk separaat beschouwde onderwerpen met elkaar in verband. Dat was de behoefte aan parkeer- en kantoorruimte, de desolate toestand van honderden in hoofdzaak 18de-eeuwse burgerhuizen, en de woningnood.
De afdeling Stadsontwikkeling van Publieke Werken had plannen om de binnenstad te vernieuwen tot een modern zaken- en bestuurscentrum. Het schema ‘Verkeersverbeteringen’ uit de jaren dertig gaf de belangrijkste verkeersdoorbraken aan, aangevuld met de z.g. Wederopbouwplannen-1953. Het Binnengasthuis zou plaats maken voor een massief gebouw van de Nederlandsche Bank.
In het tijdschrift Heemschut van december 1954 waren al die bedreigingen, voor zover bekend, samengebracht op één kaart, getiteld “Amsterdams zwaard van Damocles”.

De enige oude bebouwing met toekomst was de tweede uitleg tussen Leidsegracht en Amstel. De dubbele regentenhuizen lenen zich namelijk goed voor deftige kantoren. Had die oude stad nog een toekomst? Die vraag was het onderwerp van lange gesprekken tussen Ruud Meischke, hoofd van het pas opgerichte Bureau Monumentenzorg, Corneille Janssen van Heemschut en mij. Het was een versnipperde puzzel. Het ontbrekende fragment dat de andere kon samenvoegen tot een herkenbaar beeld, was naar onze mening de woonfunctie van de oude bebouwing, met huurders die een studeer- of muziekruimte zochten. Maar waren de versleten oude huizen herstelbaar? Meischke leverde het bewijs aan de Zandhoek: restauratie kan woonruimte opleveren die weliswaar duurder is dan woningwetbouw, maar die duurzamer en aantrekkelijker is. Een bizar idee voor die tijd.
De gemeentelijke plannen werden geblokkeerd door de woningnood. Voor functiewijziging van woonruimte, hoe versleten of primitief ook, in bedrijfsruimte moest de gemeente wooncompensatie bieden, maar die was er niet. Pas over een jaar of tien zou het ergste woningtekort zijn weggewerkt. Wat moest er ondertussen met de opgepropte verslonsde binnenstad gebeuren?
Maart 1955 brachten B. en W. de nota De Binnenstad uit. Hij bevatte een heldere analyse van de binnenstad en adviseerde tot forse ingrepen: de doorbraakplannen van de afdeling Stadsontwikkeling. In het Nieuwmarktgebied is na vinnige strijd de historische structuur terugveroverd. Langs de Rechtboomsloot en de Kromboomsloot is de oude bebouwing behouden en grotendeels hersteld. Vergelijk dat straatbeeld, dat volgens Stadsontwikkeling onbevredigend was, met de noordelijke gevelwand van de Jodenbreestraat en van de Weesperstraat die volgens de inzichten van Van Eesteren totaal zijn vernieuwd. De nota-De Binnenstad was een doodvonnis op termijn.. De z.g. oudheidkundige verenigingen begrepen dat. Vier maanden na de nota van B. en W. verscheen, mede namens het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amstelodamum en Hendrick de Keyser, een speciaal nummer van Heemschut dat de complete gemeentelijke tekst bevatte, voorzien van een inleiding, een conclusie, en puntsgewijs commentaar. Auteurs waren Corneille Janssen en ik.

De verontrusting over de gemeentelijke plannen leidde tot de oprichting van het comité ‘De stad Amsterdam’. Het idee voor zo’n burgercomité ontstond in november ’54 in een gesprek tussen mr. Van der Does de Willebois, president van het Gerechtshof, en mr. D.A. Delprat, voorzitter van de Kamer van Koophandel. Er kwam een initiatiefcomité met de heren Six, Delprat, Van der Does de Willebois, Bierens de Haan - voorzitter, Ter Meulen - penningmeester van Heemschut en mr. Jolles, als officieel secretaris. Ik zat erbij om de concepten voor brieven en notulen op te stellen. Het voltallige comité bestond uit 25 bekende stadgenoten, het comité van aanbeveling telde rond 100 namen uit alle kringen van kunst, economie, rechterlijke macht, musea en universiteit. Het foldertje van het comité omschreef de deelnemers als “Liefhebbers van het stadsschoon en mensen uit de praktijk Allen zijn zij overtuigd dat het oude hart van onze stad met zijn grachten, gebeeldhouwde gevels en gezellige straten geen sta-in-de-weg is voor de moderne tijd, maar een kostbaar erfdeel dat wij beter moeten beheren dan vorige generaties het hebben gedaan. Het verkeer en het zakenleven van onze eeuw hebben meer ruimte nodig dan de binnenstad kan bieden. Het comité meent dat deze ruimte gevonden moet worden rondom de binnenstad.” Cityuitbreiding in de Pijp en de Kinkerbuurt was een idee uit de Heemschutkring. Hoofdzaak voor het comité was: wat kunnen we doen om te voorkomen dat in de komende tien jaar het sluipende proces van verval en grootschalige vernieuwing onomkeerbaar wordt? Aan het comité legde ik twee voorstellen voor: een verplaatsbare tentoonstelling om de herstelgedachte in bredere kring dan de historische verenigingen uit te zaaien, en een memorandum over de wenselijkheid van een ‘maatschappij voor stadsherstel’. De tentoonstelling, samengesteld door het driemanschap Janssen, De Waal en Brinkgreve, was te zien in de Bijenkorf, Artis, het Van Nispenhuis en in het Nint. De enige documentatie die ik ervan heb bewaard is een boekje met de inleidingen door oud-minister In ’t Veld, voorzitter Jan Six van Hillegom en de schrijvers Ed Hoornik en H. Wielek. Om een duurzame bijdrage aan de instandhouding te leveren zou er een instituut moeten komen vergelijkbaar met de woningcorporaties. De experts van Volkshuisvesting en Stadsontwikkeling vonden het onzin. Jhr. Six van Hillegom concludeerde “We gaan het toch proberen”. Twee comitéleden, Hoen en Van Saane, makelaar en volkshuisvestingexpert, werkten een proefproject uit. Toen dat klaar was kon de stadsherstelgedachte aan B. en W. worden voorgelegd, met een verzoek om subsidie voor de z.g. onrendabele top van de herstelkosten. “Brinkgreve gaat niet mee”, zei Six, … “hij heeft onbeleefde opmerkingen gemaakt over B. en W”. Ik ben daar toen wel kwaad over geweest, het memorandum was toch uit mijn pen gevloeid. Achteraf had Six groot gelijk. Aan oplossing van de financiële en bestuurlijke problemen van Stadsherstel in zijn beginjaren had ik toch geen bijdrage kunnen leveren, als medebestuurder van Stadsherstel zou ik niet de vrijheid gehad hebben me te mengen in de ideeënstrijd over de sanering van de Jordaan en de Nieuwmarktbuurt.

Bij de verschijning van een boek hoort de aanbieding van het eerste exemplaar. Het zal u niet verbazen dat in mijn kijk op het ‘gevecht om Amsterdam’ Stadsherstel een fakkeldrager- functie vervult. Dat het pionierswerk van de restaurerende instellingen gevolgd is door een groter aantal gerestaureerde eigen woningen, is uiteraard goed voor de stad, maar eigen huizen kunnen bij vererving in verkeerde handen vallen.
Ik ben bij vele stichtingen op dit gebied betrokken geweest, als medeoprichter en bestuurder. Sommige van die initiatieven hebben geen wortel geschoten, andere wel. Het Bethaniënklooster, waarin wij nu staan, heeft 20 jaar als gestutte ruïne op een herstelinitiatief moeten wachten. Wat slaagt, is altijd teamwerk. Ik denk aan de vele medewerkers en medebestuurders sinds de oprichting van de stichting Diogenes in 1960. Van degenen die overleden zijn wil ik één naam noemen, mijn strijdmakker Frans Amende, wiens dood in september 2001 mij het signaal gaf dat het tijd werd bestuursverantwoordelijkheden neer te leggen. Van degenen die nog in ons midden zijn wil ik ook één naam noemen, die van Simon Blijleven, directeur van de stichting Diogenes, de spil van alle activiteiten in het Aalsmeerder Veerhuis. Van Stadsherstel ben ik alleen de natuurlijke vader geweest, wiens vaderschap officieel werd verzwegen. Vóór de geboorte werd hij de laan uit gestuurd. Als teken dat hij het daar achteraf, bijna een halve eeuw later, nog steeds mee eens is, nodig ik Wim Eggenkamp uit het eerste exemplaar van Het Hart van Europa in ontvangst te willen nemen.

Geurt Brinkgreve

Samengevat door Frans Heddema

[Meer lezen: Verjaardagsfeest]

(Uit: Binnenstad 199, april 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.