Een avond met Geert en Walther

Een avond in het Bethaniënklooster met Walther als voorzitter en Geert Mak als spreker, die kan niet stuk. Het was 13 maart 2003. Geert hield een aanstekelijke inleiding met als kernvraag: van wie is die stad nou eigenlijk? Dat dit een vraag is, hebben talrijke Amsterdamse bestuurders ondervonden, want het antwoord van menig Amsterdams-gebekt actievoerder luidt: denk maar niet, heren bestuurders, dat deze stad van jullie is, de stad is van ons...

Het oudste conflict dat Geert met betrekking tot deze vraag kende, ging over het Wolhuis en speelde in 1531. Het stadsbestuur wilde direct naast de Heilige Stede, waar tweehonderd jaar eerder (1345) het Mirakel van Amsterdam was geschied, een wolpakhuis bouwen, 'lekker makkelijk tussen het Rokin en de Kalverstraat'. De bedevaartgangers zouden hiervan echter hinder ondervinden en de deftige dames die de Heilige Stede bestuurden, tekenden verzet aan. Het was de botsing van de geheiligde traditie met de rationele handelsgeest van de moderne tijd. Dergelijke conflicten met als inzet het wensbeeld van de stad – wat ikzelf heb genoemd de stad als woonplaats of de stad als productiecentrum – kennen we in onze tijd meer dan genoeg.
Geert behandelde als voorbeeld hiervan de kwestie-Kaasjager uit 1954, toen deze hoofdcommissaris in een vertrouwelijk advies aan B. en W. voorstelde een ruime selectie grachten te dempen ten einde het verkeer- en parkeerprobleem op te lossen. Als oud-journalist van Het Vrije Volk heb ik hieraan nog een levendige herinnering, omdat onze raadsverslaggever Leo Staal het nieuws boven water bracht. Het Vrije Volk, destijds de grootste krant van Nederland, charterde uit protest tien dagen lang alle rondvaartboten en bood de Amsterdammers gratis rondvaarten aan. Het plan-Kaasjager verdween, leeft nog slechts voort als een curiositeit.

Oudezijds Achterburgwal 191. Dit was tot ver in de jaren zestig een bekend beeld in de binnenstad. Huizen die onbewoonbaar verklaard of onverklaarbaar bewoond waren of al geheel aan verval waren prijsgegeven. In elk geval inspireert dit beeld niet tot nostalgie. Thans eigendom van Stadsherstel, wachtend op restauratie c.q. reconstructie.

Een andere lijn in Geerts betoog betrof de problemen rond de renovatie van oude gebouwen. Daar in die zaal van het Bethaniënklooster vroeg hij zich af of die heel echte nieuwheid wel paste bij een gebouw met een lange traditie. Hier hebben toch al die oude kloosterlingen rondgelopen – moet daarvan niet iets bespeurbaar zijn? Een voetstap, een handafdruk, het roet van hun stookplaats, een ademtocht of een vleugje van dat lang vervlogen leven??? Geert ontpopte zich ineens als een romanticus – wat hij natuurlijk is, zoals iedere historicus, die de toverkracht van het verleden ondergaat. Maar ik geloof dat hij hier geen gelijk had. Het verleden van zo'n vernieuwd gebouw hoeft niet zichtbaar te zijn, als wij zelf die ruimte maar intensief gebruiken. Het is goed perfect te restaureren, en dan maar afwachten, hoe de nieuwe gebruikers de vloeren, muren en traptreden op den duur van de vereiste slijtplekken zullen voorzien. Wel moet je ervoor zorgen dat nog bruikbare elementen niet probleemloos in de puinbak verdwijnen; en daar heb je het weer: restaureren is altijd een opeenvolging van afwegingen – maar laten we in elk geval blij zijn dat het gebeurt.

OZ Voorburgwal 14
vóór de restauratie
(foto mei 1936)
vlak na de restauratie van 1942

Tot de eerste grondig gerestaureerde 17de-eeuwse gebouwen in Amsterdam behoort de Leeuwenburgh aan de Oudezijds Voorburgwal 14, uitgevoerd in 1942 door Jan de Meijer. Toen ik nog jong was, direct na de tweede wereldoorlog, werd er gesmaald dat dit àl te mooi, te glad en gelikt was, dit was ‘restaureren tot de dood erop volgt’; maar wie heeft daar na zoveel jaren nog last van? Of het nu een paar honderd jaar of een halve eeuw oud is, zo'n gebouw onderga je als ‘oud’, basta.
Het is geen nostalgie, maar historisch besef als we nu zien, dat de oude stad er fonkelend nieuw uitziet. Dat is niet altijd zo geweest. Toen ik in 1945 in de binnenstad kwam wonen, waren de huizen scheefgezakt, de kozijnen verveloos, de trappen doorschijnend van slijtage, de houten vloeren vol kleine zwarte vlooien, hingen er gloeilampjes aan eindeloze snoeren die met kleefpleister aan elkaar waren geplakt en waarbij doorslagpapier als lampenkap diende; waren er nog loden gasleidingen die poreus waren geworden, nauwelijks tafels, de theeglazen op de grond, potkacheltjes of walmende petroleumkachels, en gasgeijsers ho maar. Soms moest je door onbewoonbare verdiepingen heen klimmen tot een zolder met lappen als een bedouienentent; soms was er een onderstuk waar het vocht tegen de muren opkroop. De huren waren er laag. Schilders, dichters, studenten, stencilfirma's – wat nu de copyrettes zijn – en uitdragerijen van kleren... dat was pas nostalgisch. Maar de gentrification sloeg toe, een mooi woord voor het oprukken van deftigere bewoners, en niemand wil meer naar die oertijd terug.
Natuurlijk vonden voorzitter en inleider elkaar in Walther Schoonenbergs slotwoord: wanneer we 's avonds door de oude stad lopen zijn we bij dat er achter al die ramen licht brandt, omdat daar de mensen wonen, die vinden dat deze stad hùn stad is.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 199, april 2003.)

[Ruzies en Dromen over de Amsterdamse Binnenstad]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.