Jan Roodenpoortstoren in keitjes Torensluis

Het afgelopen half jaar is de Torensluis, de Torensteeg en de Oude Leliestraat opnieuw bestraat, met natuurstenen keitjes en banden en gebakken klinkers. Op verzoek van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad is de voetafdruk van de in 1829 gesloopte Jan Roodenpoortstoren in de keitjesbestrating aangebracht, met een afwijkende kleur keitjes. Sinds de restauratie van de Torensluis in 1960 is bekend dat het onderste deel van de Jan Roodenpoortstoren nog bestaat, inclusief fundamenten. De torenvoet is namelijk opgenomen in het brede landhoofd van de in 1648 gebouwde brug. Nu kan iedereen zien dat er iets ontbreekt op de Torensluis.
De voetafdruk van de Jan Roodenpoortstoren wordt in een afwijkende kleur keitjes bestraat.
  Het werk voltooid, van bovenaf gezien.

Het panorama van de historische binnenstad van Amsterdam wordt bepaald door de stadstorens: de Oudekerkstoren (1565), de Zuidertoren (1614), de Montelbaanstoren (1606), de Munttoren (1620) en de Westertoren (1638), op de Oudekerkstoren en Westertoren na naar ontwerp van stadsbouwmeester Hendrick de Keyser (1565-1621). De torens waren en zijn eigendom van de stedelijke overheid. Ze waren met hun uurwerk met carillons en wijzerplaten de horloges van de stad en dienden tevens als uitkijkpost voor de brandweer. Ook dienden ze als “cieraet deser stede”: de stad was trots op haar torens en bekroonde de hoogste, de Westertoren, met de keizerskroon van het stadswapen. Nog twee andere torens, de Haringpakkerstoren (1606) aan het Singel bij de Prins Hendrikkade en de Jan Roodenpoortstoren (1616) aan het Singel bij de Torensteeg werden gebouwd, eveneens naar ontwerp van Hendrick de Keyser, maar deze twee torens werden in 1829 gesloopt.

Zeven Amsterdamse torens: van links naar rechts de Haringpakkerstoren, de Jan Roodenpoortstoren, de Zuidertoren, de Westertoren, de Oudekerkstoren, de Montelbaanstoren en de Munttoren.

De ‘zingende torens’ spelen een belangrijke rol in het beschermd stadsgezicht. Het stadsprofiel van Hendrick de Keyser is tot op de dag van vandaag beslissend voor wat wel en niet aan hoogbouw wordt toegevoegd (denk aan de Kalvertoren die niet hoger dan de Munttoren mocht worden). Toch is merkwaardig dat ze eigenlijk een provisorisch karakter hebben: ze bestaan uit een houten spits afgedekt door lood en geschilderd in de kleur van zandsteen. Dit heeft te maken met de bodemgesteldheid van Amsterdam waardoor in de zeventiende eeuw zware torens niet mogelijk waren. De torens moesten daardoor goed onderhouden worden en delen van het hout en lood werden regelmatig vervangen. De sloop van twee van de zeven torens in 1829 gebeurde omdat de stad geen geld had voor het noodzakelijk onderhoud. Wel werden de torens opgemeten en gedetailleerd uitgetekend met het oog op latere herbouw. Deze tekeningen worden bewaard in het Gemeentearchief.

Walther Schoonenberg

(Uit: Binnenstad 199, april 2003.)

Meer lezen: Ricardo, De Jan Roodenpoortstoren, Binnenstad 171 (juli/augustus 1998), Geurt Brinkgreve, Zichtlijnen over het water, Binnenstad 181 (maart/april 2000), Walther Schoonenberg, Torensluis wordt opgeknapt, Binnenstad nr. 192 (februari 2002).
Een recent boek over de torens van Amsterdam is: Jan de Heer, ‘Het architectuurloze tijdperk, de torens van Hendrick de Keyser en de horizon van Amsterdam’, Uitgeverij Duizend en Eén, Amsterdam, 2000. Zie: Boekbespreking.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.