Het onbeschermde stadsgezicht van Caspar Philipsz

Wat er precies gebeurde toen het “huis met de gouden ketting, Keizersgracht 268, krakend in elkaar zakte en de bouwvakkers die met de fundering bezigwaren nét heelhuids op straat stonden”, dat verhaal heeft Hendrik Batjes in zijn artikel Een monumentale blunder in Binnenstad 195 gepubliceerd. Het vervolg en de legendarische voorgeschiedenis van die vergulde ketting waren te lezen in het artikel van Walther Schoonenberg in ons vorige nummer (zie: Gouden ketting opnieuw aangebracht).
Keizersgracht 270 reconstructie van een knoeiwerkje. Keizersgracht 268 reconstructie van een misstap.

De zoveelste eigenaar van het gat in de gevelwand Keizersgracht is erin geslaagd met advies van het bureau Monumenten en Archeologie (bMA) de in de gemeenteraad gestelde eis van nauwkeurige reconstructie van de toestand vóór instorting waar te maken, behalve dan het geëiste hergebruik van het oude bouwmateriaal, want dat was inmiddels door handige jongens doorverkocht. Het gebouw dat er nu staat is dus een exacte kopie van wat er stond, van binnen en van buiten uitgevoerd in nieuwe materialen. Volgens artikel 1b van de Monumentenwet “vóór tenminste vijftig jaar vervaardigd”, zijn de panden Keizersgracht 268- 270 dus geen beschermde monumenten meer. Volgens de letter van de wet heeft de RDMZ deze nummers daarom geschrapt uit de rijkslijst. De verdere tekst van dat artikel luidt “van algemeen belang wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde”. Dat klopt niet met de gereconstrueerde gevels. De heren die in de jaren dertig van de twintigste eeuw de “Voorlopige lijst van monumenten van geschiedenis en kunst” opstelden hebben hier niet goed gekeken. Misschien hebben zij een vorige toestand van de gevels voor ogen gehad.

Keizersgracht 270 en 268 uit het Grachtenboek van Caspar Philipsz.

In de aantekeningen van oud-hoofdinspecteur E. van Houten in zijn heruitgave van het Grachtenboek van Caspar Philipsz staat bij nr 268 "omstreeks 1708 gebouwd, tegenwoordig een gevel met rechte kroonlijst, met twee consoles, kap en dakvenster en empire-snijraam, begin 19de eeuw". Correspondeert dat met wat er nu gereconstrueerd werd? Het is een klungelige poging om het houten klokgevelachtige dakvenster boven de 19de-eeuwse kroonlijst te reconstrueren, maar dan natuurlijk net weer iets hoger en plomper dan wat er al stond. Waarom, zo vragen wij ons af, als er dan toch nauwgezet gereconstrueerd wordt in opdracht van de gemeenteraad, waarom heeft het bMA dan niet even het Grachtenboek geraadpleegd, toen was nr 268 een statige hoge halsgevel die heel goed en nauwkeurig gereconstrueerd had kunnen worden.
Wat buurman 270 betreft, die meegetrokken werd in de instorting en nu deel uitmaakt van de reconstructie, daarbij is de afstand tussen de afbeelding in het grachtenboek en wat er nu weer staat nog groter. Het was een rijk gedetailleerde trapgevel. Waarom heeft men dan nu de knoeierige pastiche teruggebouwd van een knutselaar uit de jaren dertig van de 20ste eeuw, die iets halsgevelachtigs wilde maken, maar niet de moeite heeft genomen een goed voorbeeld te zoeken?

De herbouwde huizen hebben één kwaliteit die in de discussie over wat er misgegaan is met de instorting nauwelijks ter sprake kwam. Dat is de stadsbeeldwaarde. De monumentale gevelwanden van de grachtengordel vormen een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van het beschermde stadsgezicht, en een hoofdargument bij de in voorbereiding verkerende aanvraag om de binnenstad op te nemen in de UNESCO-lijst van monumenten van wereldbetekenis. Pand voor pand bekeken bevatten ook de gevelwanden van de grachtengordel heel wat dissonanten en stoplappen die in de orde-kaart van het beschermde stadsgezicht gerangschikt zijn in de categorieën 2 en 3. Die rangschikking wordt nog gecompliceerd door de met elke uitgevoerde restauratie groeiende kennis over de bouwgeschiedenis die achter huidige gevels is verborgen. Achter minder belangrijke gevels uit categorie 2 zitten soms waardevolle constructieve en decoratieve elementen uit de 17de en 18de eeuw, die er door eigenaren met meer marktinzicht dan kwaliteitsgevoel uitgesloopt en verkocht worden. Dat is ook in Keizersgracht 268-270 gebeurd voordat er monumentenzorgers aan te pas kwamen. De huidige praktijk is dat bij waardestellingen door het bMA de bouwhistorische leeftijden de belangrijkste criteria vormen. Dat is niet verkeerd, maar onvolledig. In het instrumentarium waarmee de monumentwaardigheid van omstreden gebouwen gemeten wordt is méér aan de orde dan de leeftijd van de materialen. Het gaat minstens evenzeer om de vorm en de functie van het gebouw in zijn totaliteit, zijn onderdelen en – niet het minst – zijn stadsbeeldwaarde. Reconstructies, mits zorgvuldig en stilistisch juist uitgevoerd, en naar een voorbeeld van hoge kwaliteit en van stadsbeeldbelang, zouden deel moeten kunnen uitmaken van de wettelijke bescherming van het als zodanig aangewezen stadsbeeld. Reconstructie van Keizersgracht 268-270 naar de tekeningen en de gravures uit het grachtenboek van Caspar Philipsz zou een spectaculaire kwaliteitsverbetering zijn geweest van het beschermde stadsgezicht. Nu is het op zijn best een stoplap waarmee een ietwat pijnlijke historie wordt toegedekt.

Herengracht 277 t/m 307. Fragment uit het getekende Grachtenboek van Caspar Philipsz.
Keizersgracht 294 t/m 256. Fragment uit het getekende Grachtenboek van Caspar Philipsz.

Monumentenzorg, het kan niet vaak genoeg worden herhaald, is een zaak van samenwerking tussen tenminste twee partijen, de overheid (bMA of RDMZ) en de goedwillende eigenaren van beschermenswaardige, bij voorkeur wettelijk beschermde monumenten. Dat geldt a fortiori voor het nog vrij schimmige beschermde stadsgezicht. Wat is een beschermd stadsgezicht? Volgens de wet een groep van in de wetstekst gespecificeerde “onroerende zaken welke met een of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel”. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht verplicht de gemeente alleen om bestemmingsplannen met een beschermende strekking vast te stellen. Hoe weinig inhoud dat heeft voor B. en W. heeft het college onlangs gedemonstreerd door het ontwerp-bestemmingsplan B.G.-terrein, dat voorziet in het van de rijkslijst afvoeren van enkele gebouwen die kort tevoren in die lijst waren opgenomen. Zelfs het bMA schijnt nauwelijks betekenis te hechten aan het beschermde stadsbeeld. In de aan het 50-jarige bMA gewijde jubileum nummer van het tijdschrift Monumenten lezen wij: “Het zal niemand verbazen dat de restauraties in de eerste twee decennia veelal reconstructies waren, al dan niet op dezelfde plek of van hetzelfde gebouw. In de jaren zeventig ging het roer om en onder druk van de publieke opinie en het officiële rijksdienststandpunt werd er gestreefd naar ‘verantwoord restaureren’ en herbestemming van monumenten. In de praktijk liepen deze edele doelen en theoretische uitgangspunten echter nogal eens vast in het onwrikbare geloof van de eigenaren en architecten in de waarde van het historische stadsbeeld. Zodanig vast bleek deze overtuiging dat hij de tand des tijds heeft doorstaan en ook in de jaren negentig weer een duidelijke trend in historiserend bouwen en restaureren was te bespeuren”.
Onder de bezielende leiding van Meischke, Weller en Zantkuijl – twee hunner worden in het artikel geprezen, doch alleen wegens hun pionierswerk voor het bouwhistorisch onderzoek – is de restauratiebeweging van de woonhuismonumenten op gang gekomen. Dat was zéér verantwoord restaureren! In vele gevallen ging het om de keuze tussen een door Bouwtoezicht en Stadsontwikkeling aanbevolen sloop (Jordaan, Nieuwmarkt) en herstel van de historische aanleg en bebouwing. De bewering dat in de jaren zeventig het roer om zou zijn gegaan onder druk van de publieke opinie naar verantwoord restaureren en herbestemming kan alleen door onwetendheid worden geëxcuseerd. Herbestemming was altijd het doel van elk restauratieproject, en de druk van de publieke opinie – zie, alweer de Nieuwmarkt en de Jordaan – ging alléén in de richting van herstel van de woonbestemming en monumentale kwaliteiten. De auteur verbaast zich over het ‘onwrikbare geloof van eigenaren en architecten in de waarde van het historische stadsbeeld’. De overtuiging dat het beeld en de structuur van de oude stad niet verloren mogen gaan was in 1953 het motief van de instelling van het BMZ. Reden tot een gelukwens is dat die overtuiging 50 jaar later door de publieke opinie en gemeenteraad gedeeld wordt. Bedenkelijk daarentegen is dat de waarde van die overtuiging nu in twijfel getrokken wordt door degenen die aangesteld zijn om die waarde te handhaven. Daardoor wordt de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht belachelijk gemaakt als ‘onwrikbaar geloof’, zoiets als de kerk van opoe. Het BMZ heeft in deze 50 jaar óók door reconstructies en door herplaatsing van gebeeldhouwde gevelbekroningen op vele panden het stadsbeeld daadwerkelijk beschermd en verbeterd. Om dat beleid vol te kunnen houden is meer nodig dan de op zichzelf verdienstelijke waarderingskaart ‘beschermd stadsgezicht’. Het beschermde stadsgezicht verdient een eigen houvast in het ambtelijk apparaat. Bescherming is een zinloos woord wanneer er geen toetssteen bij hoort. Amsterdam heeft een niet te overtreffen toetssteen voor de grachtengordel in het Grachtenboek van Caspar Philipsz. Daarin is voor elk gebouw de toestand einde 18de eeuw te zien. Toen was het stadsgezicht nog gaaf.
Hiermee wil niet gezegd zijn dat integrale vormreconstructie van dat gave stadsbeeld anno 1770 in de 21ste eeuw in Amsterdam mogelijk of zelfs wenselijk zou zijn. In 1945 was die opgave wél aan de orde in honderden grotendeels verwoeste steden in vele landen van Europa. Een indrukwekkend voorbeeld gaf de nauwkeurige reconstructie van het voor 85% vernielde stadshart van Warschau. De ruines rookten nog toen in 1945 dat werk begon, en in 1956 kon er al een indrukwekkend boek verschijnen, dat niet alleen van honderden individuele gebouwen, van woonhuizen tot kerken en stadsmuren, de herrijzing toont, maar ook van de samenhang van een wijk, met een middeleeuwse plattegrond, en een traditioneel dakenpanorama. Bewonderenswaardig, niet alleen als bouwkundige en logistieke prestatie in een straatarm land, maar ook als voorbeeld van een hecht en enthousiast ‘maatschappelijk draagvlak’. De uit alle hoeken van het land terugkerende bewoners wilden hun eigen stad terughebben, en niets anders, zij werkten mee aan puinruimen en stutten. Wanneer het bMA zoekt naar verbreding van zo’n draagvlak – terecht, want die is nodig – dan biedt Warschau meer stof tot nadenken dan het herbouwde Rotterdam, want dát is het consequente alternatief. Monumentenzorg trekt zich in deze opvatting terug op de selecte categorie van enkele bouwhistorisch interessante studieobjecten, en laat de stedelijke context over aan de markt van projectontwikkelaars en publicitair handige modernisten. Dan wordt het beschermde stadsgezicht een schijnheilig schaamdoekje om te verhullen dat er niets achter zit. Dat was ook de teneur van het symposium dat op 12 juni 1997 door de Dienst Binnenstad was georganiseerd. Daarvoor waren alleen sprekers uitgezocht die het allemaal onzin vonden, het enige wat beschermd moest worden was het proces van verandering, waarin zij zelf waren geïnteresseerd.

Daarmee kom ik terug op het grachtenboek als toetssteen bij bouwplannen in de Grachtengordel. Terecht stelde de gemeenteraad de eis: reconstructie van wat er gestaan heeft, de samenhang moet worden hersteld. Die samenhang van de gevelwand, dat is het beschermde stadsgezicht. En die samenhang kan iedereen aflezen van de tekeningen en gravures van het Grachtenboek. Vandaar het voorstel: laat de gemeente opdracht geven voor een nieuwe handzame uitgave van het Grachtenboek, als handleiding.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 202, november 2003.)

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.