De voorgeschiedenis van het Antoniohuis

De verslonsde straathoek Palmstraat-Lijnbaansgracht in de jaren tachtig. Het eerste pand van de stichting Jan pietersz. Huis, hoek Palmstraat-Lijnbaansgracht, voor 20 muziekstudenten. ’t Antoniohuis hoek Goudsbloemdwarsstraat-Lindengracht. Op de blinde gevel: nestkastjes voor gierzwaluwen.
De noordwand van het Eerste Goudsbloemdwarsstraatje, tussen de Lindengracht en de Goudsbloemstraat, bevatte een jaar of twaalf geleden een staalkaart van het verval dat volgens het gangbare recept zou moeten leiden tot kaalslag, krotopruiming en sanering van de Jordaan. In plaats daarvan kocht de stichting Aristoteles, die in de jaren 1975-’85 via een vernuftige combinatie van koop- en huurwoningen een waardevolle bijdrage leverde aan de herleving van de buurt, de vijf perceeltjes om deze te restaureren,c.q. te reconstrueren.

Dat lukte niet, te duur en te weinig bruikbare woonruimte. Bovendien vangen de onderste twee lagen nooit een straaltje zon. De achtergevel van de bouwvallen grensde aan de blinde achtergevel van het Lindenhofje, eigendom van het Rooms Catholieke Oude Armen Kantoor Het RCOAK, de spreuk indachtig dat je het huis van je buurman maar één keer kunt kopen, was bereid het complex ellende op redelijke voorwaarden van Aristoteles over te nemen en om het vervolgens tegen een zachte prijs in erfpacht uit te geven aan de stichting Jan Pieterz. Huis, die in 1982 haar eerste huis voor muziekstudenten op de hoek Palmstraat- Lijnbaansgracht had voltooid. Dat gebouw heeft bewondering geoogst voor de wijze waarop architect Henk Schröder erin is geslaagd om op die onmogelijke vervuilde driehoek, die twee onderstukken en twee bouwvallen bevatte, een nieuw huis neer te zetten voor 20 jonge musici, een huis dat zonder agressiviteit zijn eigen leeftijd toont in de oude wijk. Dat het bestuur van JPH voor de Goudsbloemdwarsstraat naar dezelfde architect zou gaan lag daarom voor de hand.

Het gebouw

Het ontwerp toont de opzet om aan te sluiten bij de gevelbreedte en de afwisseling in hoogte en kapvorm van de omringende, overwegend 19de-eeuwse huizen. Ook de indeling gaat niet uit van één blok. Het zijn eigenlijk drie woongebouwen naast elkaar, elk met een eigen trappenhuis aan de achterzijde. De 27 woon-slaapkamers hebben elk een klein keukenblokje zodat er geen gemeenschappelijke keukens en eetkamers nodig zijn. Toiletten en douches zijn telkens voor enkele kamers gemeenschappelijk. Bergingen en fietsenstalling zijn in het plan voorzien. In tegenstelling tot het RCOAK en tot de stichting Aristoteles was de stichting JPH met haar statuten precies toegesneden op de financieringsregeling van VROM voor kleine wooneenheden. Het daarvoor in de rijksbegroting voorziene bedrag werd door VROM verdeeld over de gemeenten met een grote behoefte aan die kleine eenheden. Dat Amsterdam met haar tienduizenden studenten bij die toewijzing in de eerste rij stond sprak vanzelf. Van de bouwprojecten voor HAT-eenheden die op dat contingent een beroep deden was de Goudsbloemdwarsstraat van JPH er een van bescheiden formaat. De secretaris van de stichting was aanwezig bij de vergadering van de raadscommissie Volkshuisvesting waar over de verdeling van het aantal zou worden beslist. Om duidelijker dan met woorden de aandacht te vestigen op de speciale behoefte aan geluidsisolatie, kwamen drie koperblazers binnen die een schitterende fanfare bliezen. De zaal was enthousiast maar wethouder Schaefer, de voorzitter, keek zuur, en het gevolg was averechts, géén HAT-financiering voor JPH.

Het is op de moeizame weg naar herleving in plaats van kaalslag in de binnenstad vaker voorgekomen dat waardevolle projecten die op politieke botheid dreigden te stranden, door particulier initiatief werden vlotgetrokken. Het RCOAK, eigenaar van de grond, nam de uitvoering van het in overleg met JPH uitgewerkte bouwplan in eigen hand, zonder de ingewikkelde procedures van de HAT-financiering. Toen een paar jaar later het bestuur van het RCOAK zijn vermogensbeheer in zoverre wijzigde dat onroerend goed vervangen moest worden door effecten, bood zich voor het Jan Pietersz. Huis de mogelijkheid om het complex Goudsbloemdwarsstraat in eigendom te verwerven. Dat is gebeurd in het kader van de fusie tussen de stichtingen Jan Pietersz. Huis, Jan Pietersz. Huis II en het Bethaniënklooster tot één stichting Jan Pieterz. Huis, die 121 één- en twee kamerwoningen voor jonge musici beheert, grotendeels in eigendom, een kleiner deel in huur. Het bestuur van de nieuwe grotere stichting JPH blijkt de heer A.H. Grootjes, tientallen jaren administrateur van het RCOAK en daarnaast ook onder meer penningmeester van het Bethaniënklooster, bijzonder erkentelijk voor zijn medewerking aan de aankoop Goudsbloemdwarsstraat.

Wie is die man met zijn 18de-eeuwse haardracht, en waarom staat hij daar in de gevel? Bestuursleden van Jan Pietersz. Huis op 15 oktober 2003 in de Goudsbloemdwarsstraat.

Het Antoniohuis, een raadsel

Een vriend van het Jan Pietersz. Huis wilde een schenking, die hem bij een jubileum ten deel was gevallen, ten goede doen komen aan de stichting. Het moest een gevelsteen worden, maar zonder zijn familienaam. Een aanknopingspunt bood zijn voornaam: Antony. Hij is een enthousiast amateur-violist, en een van zijn lievelingscomponisten is Antonio Vivaldi. Hans 't Mannetje hakte de gevelsteen die het profielportret van de schenker toont met de pruik van de grote Venetiaanse componist. Op 15 oktober werd in de gevel van het studentenhuis in de Eerste Goudsbloemdwarsstraat 50-62, sinds 2002 eigendom van Jan Pietersz. Huis, de gevelsteen Antoniohuis 2002 onthuld. Een raadsel voor gevelstenen-speurders: Wie is die man met zijn 18de-eeuwse haardracht, en waarom staat hij daar in de gevel van de Goudsbloemdwarsstraat?

De twee Jan Pieterz. Huizen, Palmstraat-Lijnbaansgracht en Goudsbloemstraat- Goudsbloemdwarsstraat geven een eigen antwoord op de vraag hoe er in de vervallen wijk nieuw gebouwd moest worden, toen in 1972 na vinnige discussies een globaal bestemmingsplan Jordaan was vastgesteld dat de historische structuur van straten en grachten vastlegde. Dat de technische diensten Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting liever het lang voorbereide kaalslag-saneringsplan hadden uitgevoerd, was een publiek geheim. In plaats daarvan kwam de stadsvernieuwingcluster. In ons vorige nummer, pag. 82, gaf Vincent van Rossem daarvan de volgende omschrijving: “Het omineuze woord cluster betekende altijd weer flink slopen in de oude binnenstad. Om de kosten te drukken werd een aantal locaties samengevoegd tot één nieuwbouwproject. De logistiek van de aannemer dicteerde de logica van de stedenbouw … Het bespaarde ook ontwerpkosten want de architect hoefde maar één gevel te tekenen die dan her en der in een straat of in een paar straten herhaald kon worden. Het is niet moeilijk om al die clusters te herkennen. In het verfijnde architectonische beeld van de binnenstad verschijnt ineens een eenvormige reeks grof gedetailleerde bouwsels die gekenmerkt wordt door een goedkope baksteen, platvol voegwerk, miezerige kozijnen, een wezensvreemde maatvoering voor de ramen, een stripje aluminium als gevelbeëindiging, en natuurlijk de onvermijdelijke producten van de nationale betonindustrie: de dwaze balkons die het toenmalige Bouwbesluit eiste…”. Van de bouwproductie uit de stadsvernieuwingsjaren zijn het alleen de monumentenrestauraties geweest die het architectonisch- stedenbouwkundige karakter en daarmee de attractie van de Jordaan in stand houden. De monumentenzorgers ondervonden daarom ook weinig medewerking van de ambtelijke projectgroepen.
Wat Schröder voor twee muziekstudentenhuizen ontwerpen heeft haakte niet aan bij historische vormen, waarvan op beide locaties alleen puin was overgebleven. Het ontwerp ging uit van de concrete vraag naar een maximaal aantal tegen geluidshinder geïsoleerde wooneenheden met een voor studenten haalbaar huurniveau. De spreuk van Berlage “bouwen is dienen” die allerwegen overstemd wordt door het visuele lawaai van modieuze grappen, is in deze gebouwen de richtlijn geweest: sober, evenwichtig, goed gedetailleerd, en zich voegend in het stadsbeeld en de omgeving. Zoiets was ook de bedoeling van het globale bestemmingsplan-Jordaan van 1972.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 203, december 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.