Boekbespreking

Monografie Willem Witsen (1860-1923)

Willem Witsen, Prins Hendrikkade te Amsterdam, 1891. Aquarel.
Willem Witsen stond vaak vroeg op om in de ochtendschemer door de stad te struinen. Hij vond haar het mooist als zij enigszins achter mist of waterdamp verscholen lag, als de architectuur vervaagde en de atmosfeer de kleuren temperde tot een rijk scala aan omberkleuren en grijzen, met alleen op de voorgrond felle licht-donker contrasten. Uit zijn werk spreekt een zekere tijdeloosheid; hij had een voorliefde voor verstilde stadsbeelden.

Aanvankelijk werd Witsen beïnvloed door de schilders van de Haagse School en wilde hij landschapsschilder worden. Hij bewonderde Anton Mauve. Samen trokken zij erop uit om te aquarelleren en van hem leerde hij “figuren, spiegelend in plassen” te schilderen. Hoewel zijn oeuvre vele landschappen en portretten beslaat, vormen de stadsgezichten toch het hoogtepunt van zijn werk. De eerste stadsgezichten van Amsterdam maakte hij vanuit zijn atelier aan de Oude Schans dat hij in 1887 had overgenomen van George Breitner. Van hier keek hij uit op de Montelbaanstoren, die hij vele malen heeft geschilderd. Hij had een voorkeur voor de enigszins vervallen gedeelten van de stad, achtergevels van huizen: zoals aan de Oudezijds Achterburgwal, maar de rijke grachten met de boogbruggen konden hem ook bekoren. Als het weer goed was huurde hij een roeiboot om daarmee over de oude wallen en grachten te varen en schetsen te maken. Witsen begon meestal met het maken van schetsen in zwart krijt, waarin hij de namen van de kleuren aangaf. Deze schetsen werkte hij aanvankelijk thuis uit. Had hij eenmaal een geschikte uitsnede gevonden, dan maakte hij van dezelfde locatie dikwijls zowel een ets, een aquarel en een olieverfschilderij. Het gezicht op de Schreierstoren vanaf het IJ geeft een goed beeld van hoe Willem Witsen bij het aquarelleren te werk ging. Na het opzetten van de eerste schets, bouwde hij de waterverftekening losjes op, in verschillende lagen over elkaar. Deze lagen sponsde hij telkens weer af, waardoor een mistige atmosfeer ontstond en de achtergronden vaag bleven. Door de gelaagdheid schemeren de onderliggende kleuren zachtjes door de bovenliggende lagen heen. De voorgrond, of dat wat de schilder naar voren wilde halen, werkte hij gedetailleerder uit. Later liet hij een keet op een schuit bouwen, dat als atelier fungeerde en waar hij zijn schetsen ook direct kon omwerken tot etsen en aquarellen.

Ter gelegenheid van twee tentoonstellingen in Amsterdam en Dordrecht verscheen onlangs een uitvoerige monografie over Willem Witsen. De publicatie geeft voor het eerst een compleet overzicht van zijn grafiek en toont veel onbekend werk in particulier bezit. De goed verzorgde publicatie beslaat, behalve een biografie een aantal degelijke hoofdstukken over zijn grafische en fotografische werk, een verhandeling over de nauwe contacten die hij onderhield met de kunsthandel Wisselingh.
Alleen het tweede hoofdstuk, over de stijlontwikkeling en plaatsbepaling van zijn werk, valt een beetje tegen. Het is nogal academisch van opzet en gaat voorbij aan het typisch eigene Witsens werk. J.H. Weissenbruch wordt bijvoorbeeld niet genoemd, terwijl Witsens werk met het zijne denk ik de meeste verwantschap vertoont: de vereenvoudiging, de terughoudendheid in kleur en het sterke licht en donker-effect. De conclusie van dit hoofdstuk is m.i. dan ook teleurstellend. Witsen zou, in tegenstelling tot andere schilders van Tachtig, vooral gericht zijn op pre-industriële onderwerpen. Het feit dat Witsen niet zoals Breitner en Israels, “die in hun themakeuze duidelijk moderner zijn”, het bewogen stadsleven, maar juist verstilling en tijdeloosheid zocht lijkt aan de auteur voorbij te gaan. Niet zozeer het onderwerp, maar de wijze waarop Witsen dat weergeeft, maakt zijn werk interessant.
Het laatste hoofdstuk over zijn boekenkast, die bewaard gebleven is in het ‘Witsenhuis’, zijn laatste atelier en woonhuis, maakt echter veel weer goed. Het geeft een levendig beeld van de schilders en schrijvers uit zijn kring. Jan Veth en Jacobus van Looy kende hij nog van de academie. In de jaren ’80 was Witsen betrokken bij het tijdschrift De Nieuwe Gids, de spreekbuis van de ‘Tachtigers’. Zo leerde hij de dichters Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel kennen. Frederik van Eeden en Albert Verwey huwden met twee zusters van Witsens eerste vrouw. Aan de hand van portretten, brieffragmenten en opdrachten in de opmerkelijke collectie boeken, wordt een beeld geschetst van het culturele klimaat van zijn tijd.

Juliet Oldenburger

I.M. de Groot, J.F. Heijbroek e.a.,Willem Witsen 1860-1923, Schilderijen, tekeningen, prenten (Uitgeverij THOTH), Bussum 2003. € 35,00.

(Uit: Binnenstad 203, december 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.