Metselwerk in de oude binnenstad van Amsterdam

Deel 2

Een groot verschil tussen oud en modern metselwerk is de fijnheid en subtiliteit van afwerking. Bij veel oude gebouwen zijn deze kwaliteiten nauwelijks meer waar te nemen, omdat het metselwerk door latere ingrepen is vervangen of aangetast. In origineel werk liggen de bakstenen meestal uiterst strak en consequent in verband. Vanaf de 14de eeuw is dat vooral het zogenaamde ‘staand verband’ en vanaf 1500 het ‘kruisverband’ (afb. 1).
Afb. 1a. Staand verband Afb. 1b. Kruisverband

Fijnheid van afwerking

Om in een rechte verticaal te kunnen eindigen zijn in de uiteinden van de gevel of naast ramen en deuren strak boven elkaar klezoren (kwart bakstenen) gemetseld (afb. 2). Vanaf de Middeleeuwen was het gebruik de metselspecie af te strijken, zodat een platte en volle voeg ontstond. Vanaf de late Middeleeuwen tot in de 19de eeuw trok de metselaar doorgaans met een dagge-ijzer een streep door de voeg, waardoor de gaten langs de stenen beter opgevuld raakten (afb. 3). De voeg kreeg hier bovendien een groter oppervlak door, waardoor deze beter bestand was tegen de krimp van de mortel als gevolg van het binden (het ‘harden’ van de mortel). Door een natuurlijk proces werden de voegen zeer hard en weerbestendig. De kalkmortel bevatte namelijk geen toevoeging die het water opving dat vrijkwam bij het binden. Dit water kon alleen ontsnappen aan het oppervlak van de voeg en voerde zo vanzelf enige kalk mee. De concentratie van kalk aan het oppervlak zorgde voor een harde laag aan het oppervlak van de voeg.

Afb. 2a: In twee muren van de Meisjesspeelplaats van het huidige Amsterdams Historisch Museum zijn aan de uiteinden klezoortjes te zien. Afb. 2b: De andere muur van de Meisjesspeelplaats is in de 18de eeuw gebouwd in dezelfde stijl als de 17de-eeuwse muren, maar de klezoortjes ontbreken.
Afb. 3: Voorbeeld van een dagvoeg, aangebracht tijdens de restauratie, in het zuidelijke transept van de Oude Kerk. Afb. 4: Metselwerk naast de rechterdeur van het Huis Bartolotti.

In de zeventiende eeuw maakten de metselaars voor representatieve gevels liefst, net als in hun bekwaamheidsproeven zoals die te zien zijn in de Waag, de voegen zo dun mogelijk en pasten zij zo glad mogelijke metselstenen toe. Zij sneden de voeg doorgaans aan weerszijden lichtjes af, zonder dat deze tussen de bakstenen naar voren kwam (afb. 4).
In de woonhuizen uit de eerste helft van de 17de eeuw komen regelmatig geslepen stenen voor. Zelden echter bestaat de hele gevel daaruit, zoals bij de voormalige trapgevel op Keizersgracht 321 uit het midden van de 17de eeuw, waarvan het metselwerk zeer gaaf bewaard is gebleven omdat de gevel tot 1958 bepleisterd was (afb. 5a en 5b). De voegen op de begane grond en de verdieping zijn niet veel dikker dan een millimeter. Hier is ook prachtig te zien hoe mooi de warme rode kleur van de 17de-eeuwse Vechtsteen combineert met de roomkleurige voeg. In het gevelbeeld vallen de dunne voegen nauwelijks op. Ze vormen op de achtergrond een uiterst fijn en regelmatig lijnenspel, waardoor het contrast tussen de rode baksteen en de natuursteen de volle aandacht krijgt. Aangezien de woonhuisgevels in Amsterdam net als in andere steden in de Republiek dun waren, konden de gevels geen diep reliëf krijgen. In plaats hiervan kwam dit vrolijke spel van rood en roomkleurige geschilderde natuursteen en het ragfijne weefsel van de voegen.

Afb. 5a: Keizersgracht 321. Afb. 5b: Detail van Keizersgracht 321.
Afb. 5c: Detail van Keizersgracht 321, waarop duidelijk de geslepen bakstenen waarneembaar zijn. Afb. 6: Boog in de galerij aan de Jongensspeelplaats van het Amsterdams Historisch Museum.

Vanwege de kosten konden de bakstenen voor de meeste gevels niet geslepen worden en ontstonden er iets dikkere voegen. De stenen in de strekken en bogen boven vensters en deuren werden vaak wel geslepen, omdat de constructie hier haar eigen eisen aan het metselwerk stelde (afb. 6). Om de kosten van dure natuursteen uit te sparen gebruikten de metselaars in plaats van natuursteen ook wel gele metselbaksteen uit de omgeving van de Hollandse IJssel, zoals bij de Spiegelhuizen uit 1614 aan het Kattengat. De gele, uit kalkhoudende klei gebakken metselstenen in deze gevel zijn duidelijk dikker en ook iets langer dan de rode exemplaren.
Om het metselwerk een gladder voorkomen te geven namen de metselaars al vanaf de Middeleeuwen ook wel hun toevlucht tot het ‘scharreren’ van een gevel, d.w.z. dat zij met een beitel een dun laagje van het muurwerk af hakten, totdat de meeste baarden (de plooien die in de klei ontstaan bij het vormen) eraf waren. Nadat de gevel van een uiterst dunne pleisterlaag voorzien was, kon men de bakstenen vervolgens met de hand op de gevel schilderen, waarbij overigens wel het patroon van het onderliggende metselverband nauwgezet werd gevolgd. Op sommige gevels zijn de sporen van de beitel nog zichtbaar.

Doorlopende horizontalen

Afb. 7: Detail van Herengracht 384: uiterst dunne, horizontale lintvoegen, kenmerkend voor onaangetast 18de-eeuw metselwerk.

In de 18de eeuw verleende het metselwerk de gevel weer een ander, subtiel uitgewerkt accent door het benadrukken van de horizontalen. Gevels van representatieve bouwwerken en burgerhuizen kregen metselwerk van uiterst regelmatig gevormde bakstenen, die zeer strak en regelmatig metselwerk toestonden. De stootvoegen (korte, verticale voegen) werden zeer dun gemetseld, zodat deze nauwelijks opvielen. De lintvoegen (lange, horizontale voegen) werden iets dikker aangebracht. Eerst kregen de stootvoegen aan weerszijden een subtiele knip en vervolgens werden de ononderbroken, doorlopende en veel geprononceerdere lintvoegen aangebracht, die zo een effect bewerkstelligden van zeer dunne en subtiele horizontale lijnen die net buiten het vlak van de metselstenen staken. Om het horizontale karakter van het muurwerk te versterken, verminderden de metselaars aan de uiteinden van de gevel het aantal (verticale) stootvoegen door de klezoren (kwart bakstenen) te vervangen door drieklezoren (driekwartbakstenen). In onaangetast 18de-eeuws metselwerk zijn zelfs de lintvoegen overal nog uiterst dun en subtiel, zodat zij nooit de aandacht op zich vestigen. Het horizontaal ogende metselwerk vormt een contrast met de verticale geaccentueerde middenas, vaak het enige onderdeel van de gevel waar natuurstenen decoraties zijn aangebracht (afb. 7).

Oud metselwerk vernieuwd

Afb. 8. Herengracht 309-311, een zogenaamd Van Houten-pand (detail)

Met het historische metselwerk is in Amsterdam niet altijd even zorgvuldig omgegaan. Soms is het oude werk zelfs vervangen door iets wat in de verste verte niets meer met het vroegere metselambacht te maken heeft. Het is niet moeilijk daarvan schrijnende voorbeelden te vinden. In de Wolvenstraat stond in het begin van de 20ste eeuw nog een halsgevel uit omstreeks 1700. Dat meldt bijvoorbeeld de Voorloopige monumentenlijst uit 1928 (1). Het huidige pand kan misschien voor een argeloze toerist nog voor oud doorgaan, maar niet voor iemand met enige kennis van zaken. Er staat nu een gevel van machinaal vervaardigde baksteen met overdreven veel baarden om oud te suggereren, gemetseld met moderne, grauwe cement in ‘Vlaams verband’ dat eerder in de Middeleeuwen thuishoort dan in de 17de eeuw en met ventilatiespleten, die verraden dat het hier een moderne spouwmuur betreft. Een dergelijke herbouw bevindt zich op Herengracht 309-311. De Voorloopige lijst vermeldt op deze plaats een tweeling-halsgevel uit het derde kwart van de achttiende eeuw. In 1935 werden de beide huizen herbouwd in een eigentijdse metselsteen met de voor die tijd karakteristieke diepliggende voegen. Ventilatiespleten duiden ook hier op een spouwmuur. (afb. 8). Dit zijn zogenaamde Van Houten-monumenten. Toen Van Houten, inspecteur van Bouwtoezicht in het begin van de 20ste eeuw, een aantal gaten in de gevelwand van de oude binnenstad wilde aanvullen, bouwde hij met nieuwe materialen en technieken een aantal panden ‘in oude stijl’ met hergebruik van oude toppen. Het bouw- en stijlhistorisch onderzoek naar historisch panden was voor de oorlog nog niet zo ver gevorderd. Dat kwam pas na de oorlog met de oprichting van het Amsterdamse Bureau Monumentenzorg en het onderzoek van o.a. Meischke en Zantkuijl in de jaren zeventig.
Zorgvuldiger is het oude metselwerk waar nodig hersteld op bijvoorbeeld Oudekerksplein 23. Rechtsboven de deur zit nog metselwerk uit de 18de eeuw, gekenmerkt door de subtiele voegen. De later op dezelfde hoogte aangebrachte, nadrukkelijke en weinig subtiele knipvoegen vallen hierbij vergeleken volstrekt uit de toon. Gerestaureerde voegen worden altijd wat zwaarder dan de oorspronkelijke en ook het treffen van de authentieke kleur stelt de huidige metselaar vaak voor problemen, vooral wanneer men voor de zekerheid toch maar wat ‘portland’ aan de specie toegevoegd heeft. Het valt echter te prijzen dat bij de restauratie niet is getracht het oude werk aan te passen aan de veel minder fraai ogende herstellingen, zoals tot nog niet zo heel lang geleden de gangbare praktijk was. Als het muurwerk echt niet meer te redden valt en voor herbouw wordt gekozen, zou men dit volgens de ambachtelijke traditie moeten doen, al was het maar om de vakkennis in stand te houden.

Gerrit Vermeer

[Vorige aflevering]

Voetnoten:

  1. Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst, deel V a. De gemeente Amsterdam, Utrecht 1928, p. 419.

(Uit: Binnenstad 204, maart 2004.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.