Boekbespreking

Misleidende camouflage: Snobistische orakeltaal

Over Schoonheid. Architectuur, omgeving, landschap
In de architectuurwereld is het woord ‘schoonheid’ vervangen door misleidende begrippen als ‘belevingswaarde’ of ‘ruimtelijke kwaliteit’. In de strijd tussen academici en ambachtslieden werd aan het begin van de vorige eeuw een architectonische orakeltaal gebezigd, die er uiteindelijk toe heeft geleid dat de begrippen mooi en lelijk tegenwoordig geen argument meer zijn bij de bepaling van de monumentenstatus.

In het jaar 2000 publiceerde het Genootschap Het Oversticht te Zwolle ter gelegenheid van zijn 75-jarig bestaan een bundel opstellen getiteld Over Schoonheid. Architectuur, omgeving, landschap. In zijn voorwoord wijst J. Dijkstra, voorzitter van het Genootschap, op het zonderlinge verschijnsel dat het woord ‘schoonheid’ in het officiële taalgebruik vervangen is door schijnbaar objectieve termen als ‘belevingswaarde’ en ‘ruimtelijke kwaliteit’. Schijnbaar wetenschappelijk, waarom? Schoonheid klinkt zo emotioneel, zo persoonlijk; gebruik van die huis-, tuin- of keukenuitdrukking lokt als antwoord de dooddoener uit dat over smaak niet te twisten valt, wat objectief gezien grote onzin is, want geen onderwerp leidt zo direct tot meningsverschillen als mooi of lelijk.
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft een reizende tentoonstelling over wederopbouw-architectuur ingericht die na Hengelo o.m. nog in Zeist komt, onder de titel “Lelijk is geen argument”. Ook dat is grote, of liever, misleidende onzin. Gebouwen of situaties die lelijk gevonden worden, deftiger gezegd: die een negatieve belevingswaarde oproepen, bieden een argument, niet ‘het’ maar ‘een’ argument, voor sloop.

Wél en niet bevoegde architecten

Kolkcomplex aan de Nieuwezijds Voorburgwal Westerstraat. Stadsvernieuwing in de geest der moderne architectuur

De bundel van Het Oversticht bevat een interessante bijdrage van Vincent van Rossem, getiteld “Bouwkunst en welstand in de Amsterdamse Binnenstad”, waarin camouflerend woordgebruik in het begin van de 20ste eeuw wordt ontleed in de strijd tussen het welstandstoezicht en de ‘onbevoegde’ architecten. De beroepsaanduiding ‘architect’ zou, volgens de wél-bevoegden, wettelijk beschermd moeten zijn, zoals die van een arts, jurist, notaris of apotheker. Tenslotte werd die eis in eigen kring geregeld doordat architecten die na ballotage lid werden van de Bond van Nederlandse Architecten de letters BNA achter hun naam mochten zetten. De schoonheidscommissie, die in 1898 werd ingesteld voor gebouwen op erfpachtgrond en waarin architecten van naam – dus ‘bevoegd’ – garant stonden voor het kwaliteitsoordeel (de mooi-of-lelijk-vraag), had een eigen toetssteen ingevoerd: goedgekeurde bouwplannen moesten ontworpen worden “in de geest der moderne architectuur”. Van Rossem schrijft: “Niemand kon precies uitleggen wat dat betekende. De esthetische willekeur werd onder woorden gebracht in een soort snobistisch-architectonische orakeltaal die voor normale mensen volstrekt onbegrijpelijk was”. Tegenwoordig noemt men dat de ‘architectenbabbel’ of het ‘ARCAM-proza’. De verzwegen bedoeling was toen en is nu duidelijk: zoals bij elke reclame gaat het erom een zo groot mogelijke hap van de opdrachtmarkt voor de eigen club te veroveren. Toen ging de discussie in solide vaktijdschriften, nu via de moderne media met glossy ‘artists impressions’.

Omdat wij het mooi vinden

Een belangrijk verschil was de samenstelling van de markt. De aantrekkelijkste sector was destijds die van de overheid, de kerkgenootschappen, de grote bedrijven en vermogende particulieren, gewoonlijk met een traditioneel ontwikkelde smaak. Enkele architecten – Berlage, Van der Pek – verdiepten zich uit idealistische motieven in de goedkope huurwoningen. Verder was dat het werkterrein van de kleine aannemers/bouwkundigen, die tevens het reservoir vormden van de onmisbare ambachtelijke vakkundigheid. De verkapte reclametekst dat nieuwe, vervangende gebouwen in de historische stad “de geest der moderne architectuur” moeten uitstralen, blijkt – mede door de snelle wisseling van architectonische mode – een verkeerde wegwijzer te zijn geweest. Afgezien van de monumentale gebouwen waarvan beroemde architectennamen bekend zijn, is een groot deel van wat wij nu als onmisbaar voor het beschermde stadsbeeld willen beschermen, gebouwd, hersteld en onderhouden door generaties van vakkundige timmermansbazen die heel goed wisten hoe je de onderdelen van een Amsterdams stadshuis moest maken. ‘Onbevoegd’ waren die mannen met de kundige handen. En wat bij een restauratie zó knap aangevuld wordt, dat het verschil tussen de 18de en 20ste eeuw niet meer ontdekt wordt, dat is voor de architectuurhistorische puriteinen namaak, nep. Dat zou eigenlijk verboden moeten worden, omdat het misleidende reclame is voor een voorgoed voorbij verleden. En toch gebeurt het. Waarom? Omdat we sommige zaken gewoon mooi vinden zonder camouflagewoorden.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 206, juli 2004.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.