"Ik houd niet van nutteloze zaken"

Joannes Hudde, de grote man van het Amsterdamse water

Joannes Hudde (1628-1704)
Het water is eeuwenlang de vijand van Amsterdam geweest. Dat er ook vriendschap ontstond is voor een groot deel te danken aan Joannes Hudde die in 1672 een van de burgemeesters van Amsterdam werd. Hij zorgde onder andere voor een systeem om de waterhoogten binnen en buiten de stad te registreren: het Amsterdams Peil, dat nu overal in Europa wordt gehanteerd.

Hudde liet marmeren stenen bij sluizen aanbrengen waarop het waterpeil werd aangegeven. Van de stenen van Hudde is er nog één over die ten onrechte op geen enkele monumentenlijst voorkomt.
“Ik houd niet van nutteloze zaken die geen oliekoek waard zijn.” Dat schreef de 29-jarige Joannes Hudde, heer van Waveren en Sloterdijk, in 1657. Hij was toen al een befaamd wiskundige. Tien jaar later werd hij lid van de vroedschap van Amsterdam en in 1672 werd hij door stadhouder Willem III uitverkoren om burgemeester van Amsterdam te worden. Met enkele onderbrekingen zetelde hij 21 jaar in de burgemeesterskamer.
Politiek gezien was Hudde geen kanjer, voor dit onderdeel van het stadsbestuur was hij eigenlijk te aardig. Bescheiden, zachtmoedig, aristocratisch, dat zijn de omschrijvingen die in oude kronieken over hem zijn terug te vinden. Zijn genialiteit toonde hij in de methodes die hij bedacht om Amsterdammers droge voeten te laten houden, om het stadswater een goede circulatie te geven en om de stank van de grachten te verminderen. Ook was hij de man die er voor zorgde dat de stadsfinanciën goed geregeld werden. Het soort begrotingen dat hij opstelde, was een unicum voor Nederland.

Het AP

Het graven van de grachtengordel dat in 1613 was begonnen, had verschillende doelen: de verdediging van de stad, het vervoer en het handhaven van het grondwaterpeil. De afwatering en de verversing van het stadswater vormden de grootste problemen. Hudde vond hier echter oplossingen voor.
De stad was niet overal even hoog, en dat gold ook voor het omliggende land, met als gevolg dat de waterstand in de stadsdelen soms flink kon verschillen.
Overal in West-Nederland, bij sloten, sluizen, kanalen en havens zijn nu peilschalen te vinden met de letters NAP. Dit meetsysteem waarbij de hoogte van het water wordt aangegeven met als uitgangspunt het zeeniveau, is te danken aan Hudde. Hij vond het AP, Amsterdams Peil, uit dat later later NAP werd genoemd, Normaal Amsterdams Peil. Bij koninklijk besluit werd het AP in 1818 als referentiekader voor heel Nederland gekozen en het wordt nu in alle Europese landen gehanteerd. Het is een waardevolle erfenis van Hudde.
De eerste gegevens over waterpeilmerken kwamen ook al uit Amsterdam. Ze dateren uit 1540 en kwamen voor in de Lastage. Een betrouwbaar systeem was dat echter niet. Dat kwam pas naar aanleiding van een storm die in 1675 drie novemberdagen over stad en land raasde. De gevolgen waren rampzalig. In de Diemerzeedijk werden drie gaten geslagen en in de dijk tussen Muiden en Naarden ontstonden er elf. In Amsterdam liep het water over de Nieuwendijk en de Warmoesstraat. Het gemeentebestuur besefte dat er maatregelen nodig waren. Verschillende geleerden werden uitgenodigd mee te werken aan een onderzoek naar de aanleg van hoogwaterkeringen. In 1681 rapporteerde een commissie, bestaande uit alle burgemeesters en zeven andere vooraanstaande Amsterdammers, over de bevindingen. De maatregelen die werden voorgesteld, berustten voornamelijk op de denkbeelden van Hudde.

Stenen

De Eenhoornsluis aan de Korte Prinsengracht De steen van Hudde in de Eenhoornsluis

Een jaar na het uitkomen van het rapport gaf Hudde opdracht de hoogte van de verhoogde dijk langs het IJ vast te leggen ten opzichte van het stadspeil. Bij de Haarlemmersluis werd dagelijks de eb- en vloedhoogte in het IJ gemeten. Uit de gegevens bleek dat tussen 1683 en 1684 het gemiddelde nachtelijke vloedpeil van het IJ-water een halve duim hoger lag dan het stadspeil, later Amsterdams Peil genoemd. Aan de hand van deze uitkomsten werd de hoogte van de zeedijk vastgesteld: negen voet en vijf duim boven stadspeil. In enkele sluismuren liet Hudde vervolgens grote marmeren stenen inmetselen. Op die stenen was een horizontale groef aangebracht die de hoogte van de zeedijken aangaf 2,676 meter boven stadspeil. De stenen werden geplaatst in de Eenhoornsluis, de Nieuwe Haarlemmermersluis, de oude Haarlemmersluis, de Nieuwe Brugsluis, de Kolksluis, de Kraansluis, de West Indischsluis en de Scharrebiersluis. Een van die stenen bestaat nog. Hij is te zien in de Eenhoornsluis, bij de Korte Prinsengracht. De nog bestaande stenen bij de Kraansluis en de Nieuwe Brug zijn herplaatste stenen.

Amstelsluis

De officiële definitie van het AP luidt vanaf 1683 tot heden 9 voet en 5 duim beneden het merk op de stenen van Hudde. Het NAP dat is vastgelegd onder het plaveisel van de Dam heeft eveneens de stenen van Hudde als uitgangspunt. Ook andere Europese landen maken gebruik van het NAP. De enige nog overgebleven originele steen van Hudde is daarom van historisch belang, maar door niets en niemand wordt hij beschermd. Niet voor niets vindt F. Kwaad, fysisch geograaf, dat de nog overgebleven steen van Hudde de status internationaal beschermd erfgoed verdient. Op zijn website, die uitgebreide informatie biedt over het AP, houdt hij daar een pleidooi voor.
Drie jaar nadat Hudde tot de Amsterdamse vroedschap toetrad, droegen de burgemeesters van de stad hem op om toezicht te houden op de uitvoering van een plan om met behulp van sluizen in de Amstel het IJ-water te keren.
In 1674 was het werk voltooid. Het stadswater kon vanaf dat moment van het water uit Amstelland worden afgesloten zodra een stand van 15 centimeter onder Amsterdams Peil was bereikt. Het verzilte en vervuilde water uit de stadsgrachten kon zich dan niet over Amstellands boezem verspreiden. Bovendien kon de stad zich beschermen tegen hoge waterstanden als gevolg van onbeperkte toevloed van het Amstelwater.

Rosmolens

Er bleef echter nog één groot probleem over. Hoe moest het water uit de grachten geloosd worden als de Zuiderzee een hoge waterstand had? Weer was het Hudde die een oplossing vond. Er moest gemalen worden. Bij de Stadstimmertuinen liet hij drie watermolens bouwen die door paarden voortbewogen werden. Deze zogenaamde rosmolens sloegen het water uit op Amstellands boezem, die beschikte over twee uitwateringsluizen bij Diemen. De molens zagen er indrukwekkend uit. Het verticale waterrad had een diameter van 2.70 meter en een breedte van drie meter. Er waren 27 paarden nodig waarvan er negen tegelijk het trekwerk deden en die om het uur werden afgelost door een ander stel.
Ook was het Hudde die ervoor zorgde dat de Nieuwe Vaart werd aangelegd, een afvoerkanaal dat een uitwateringsluis in Zeeburg kreeg. Hiervoor werden twee windmolens geplaatst voor de voortstuwing van het water. Dat was een teleurstelling voor Hudde, die liever had gehad dat ook daarvoor rosmolens werden gebruikt. Hij vertrouwde liever op paardenkracht dan op windkracht.
Dankzij Hudde kreeg Amsterdam niet alleen een goed systeem om zich tegen het water te verdedigen, maar hij zorgde er ook voor dat door een ingenieus systeem van sluizen de grachten konden worden doorgespoeld. De basis voor het huidige waterbeheer in de stad werd door hem gelegd. Hudde hield er inderdaad niet van om zich met kleinigheden te bemoeien.

Frans Heddema

Bronnen: website www.kwaad.net/NAP-niveau.htm; Costelijck Stadswater van Kees Hogenes, uitgegeven door Riolering en Waterhuishouding Amsterdam; diverse publicaties uit het Gemeente Archief Amsterdam.

(Uit: Binnenstad 207, september 2004)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.