Wanneer is een pand een monument?

Wim Eggenkamp: “Stelling van Pinkse leidt tot einde restauraties”

Wim Eggenkamp
De consequenties die de ‘stelling van Pinkse’ zou hebben voor de binnenstad in zijn geheel en voor de eigenaren van woonhuismonumenten en restaurerende instellingen als Stadsherstel zijn niet goed overdacht.

Het akkoord gaan met de stelling betekent namelijk in de praktijk dat zwaar vervallen en afgebrande monumenten niet meer gerestaureerd zouden kunnen worden. Waar dat toe leidt, kan iedereen achter de Oude Kerk gaan bekijken. Hier mochten twee afgebrande Rijksmonumenten niet herbouwd worden, omdat er “goede moderne architectuur” moest komen.

Fetisjisme

De heer Pinkse bevindt zich met zijn stelling in het kamp van de kunsthistorici en de modernistische architecten, die het begrip ‘authenticiteit’ zó hoog in het vaandel hebben, dat Geurt Brinkgreve – erelid en oprichter van de VVAB – spreekt van “doctrinair authenticiteits- fetisjisme”. Het is een begrip dat (gedeeltelijke) herbouw van monumenten onmogelijk maakt.
De hamvraag in deze kwestie is of bij een monument de architectuur of de bouwkundige bestanddelen beschermd worden. Naar ons oordeel is dat vooral het eerste. Immers, alle materialen zijn vergankelijk en een hoop 17de-eeuwse stenen of kozijnen is op zich geen monument. De nadruk dient ons inziens dan ook primair te liggen op de verschijningsvorm, op het beeld dat wij met ons allen zo belangrijk vinden dat we het willen handhaven. Natuurlijk is de combinatie het meest waardevol: de verschijningsvorm én de authentieke materialen. Maar als de laatste verloren zijn gegaan, moet het mogelijk zijn de eerste in stand te houden.
Het zou de ons toegemeten ruimte ruimschoots overschrijden als we alle theoretische argumenten tegen de stelling van de heer Pinkse hier zouden opnoemen. Deze worden al voortreffelijk verwoord door prof. Wim Denslagen in zijn boek Romantisch modernisme (*). Wij zullen ons verder dan ook beperken tot de praktische consequenties die het zou hebben voor Stadsherstel.

Gevecht

De in 1993 door Stadsherstel herbouwde Waterleidingpanden.

Ook de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en het bureau Monumenten & Archeologie hanteren het begrip ‘authenticiteit’, waardoor het nu al uitermate moeilijk is om sommige restauraties kostendekkend te krijgen. Wat dat betreft heeft er de laatste jaren een grote mate van juridificatie en theoretisering binnen de overheid plaatsgevonden. Waar vroeger werd meegedacht over en zelfs aangedrongen op het terugbrengen van monumentale waarden, moet nu telkens een gevecht worden geleverd over de vraag welk deel van een restauratie als authentiek kan gelden en dus gesubsidieerd zal worden. Zou er, zoals volgens de stelling van Pinkse, niet meer met subsidie gereconstrueerd mogen worden, dan zal herbouw ook zeker niet meer plaatsvinden. Zonder subsidie is dit namelijk onmogelijk kostendekkend te realiseren. Doorredenerend op Pinkses stelling zou de vervanging van bijvoorbeeld een door schimmel aangetast houtskelet niet op overheidssteun mogen rekenen. Restauratie is dan geen optie. Er is dan alleen nog keus tussen het monument na verloop van tijd uit zichzelf laten instorten of het meteen slopen en vervangen door nieuwbouw, die dan volgens het bestemmingsplan ook vaak nog eens hoger mag worden dan het afgebroken pand. Ook afgebrande monumenten zullen nooit kostendekkend kunnen worden gerestaureerd. En zelfs als de verzekering de schade zou dekken en het pand met nieuwe - maar wel authentieke! - materialen zou worden hersteld, dan zou het als dank zijn monumentenstatus verliezen. Pinkse gaat met zijn stelling nog een stap verder en werpt een extra blokkade voor het functioneren van de restaurerende instellingen op. Hij wil de in het verleden herbouwde monumenten hun status afnemen, met alle financiële consequenties van dien.

Huurberekening

Eigenaars van een rijksmonument mogen de huur die zij vragen aan bewoners van hun pand berekenen volgens de ‘Dynamische Kostprijsberekening’ (DKP), ook wel de Amsterdamse methode genoemd. Hiermee wordt de huur vastgesteld aan de hand van de in het monument geïnvesteerde bedragen. Dit in tegenstelling tot de Utrechtse methode, die bij monumenten uitgaat van de zgn. puntentelling + 30 %. De Utrechtse methode zal in nagenoeg alle gevallen voor de verhuurder ongunstiger uitpakken. Het verschil kan oplopen tot 60 %. Voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden moet altijd de Utrechtse methode toegepast worden, maar dan met een extra percentage van 15 i.p.v. 30 %. Te vrezen valt dat veel in het verleden gerestaureerde panden van Stadsherstel de toets der kritiek van de heer Pinkse niet kunnen doorstaan. Immers, onze maatschappij pakt conform haar statuten vooral de meest bedreigde en meest verkrotte monumenten aan. Vele hiervan waren zó slecht dat herbouw de enige optie was.
Stadsherstel is afhankelijk van de huurinkomsten om haar woonhuisbezit in goede staat te houden. Vanwege de enorm gestegen prijzen van het onroerend goed in de binnenstad en door de afgenomen subsidies voor de volkshuisvesting is de maatschappij gedwongen steeds hogere huren te vragen. Deze huren liggen soms nog onder het niveau dat Stadsherstel volgens de DKP-methode mag vragen, want er is een grens aan de huurprijzen die de markt wil betalen. Daarom kunnen in sommige gevallen de restauratiekosten niet helemaal worden gedekt door de huurinkomsten. Dan moeten wij om een vervallen monument voor de ondergang te behoeden een zogenaamde onrendabele top accepteren en dus verlies nemen. Maar dit kan natuurlijk niet te vaak gebeuren, want dan gaat Stadsherstel failliet.

Degradatie

Bij het verwerven van een pand worden de verwachte huuropbrengsten berekend. Deze worden afgezet tegen de aankoop- en restauratiekosten en aan de hand van de uitkomst hiervan wordt besloten of de gevraagde prijs redelijk is en of tot aanschaf wordt overgegaan. Mochten nu alle panden die niet aan de heer Pinkses criteria voldoen daadwerkelijk van de Rijkslijst geschrapt worden, dan zijn de in het verleden gemaakte berekeningen waardeloos en ontstaat een tekort op de exploitatie. Dit zou het bestaan van Stadsherstel in gevaar brengen. In het gunstige geval zou het onze maatschappij degraderen tot een beheerorganisatie van het bestaande bezit, omdat er geen geld is nieuwe aankopen te doen. In het meest ongunstige geval zou het leiden tot een faillissement.

Wim Eggenkamp, directeur Stadsherstel Amsterdam

(*) Zie hiervoor tevens de boekbespreking door Geurt Brinkgreve in Binnenstad 205 (mei 2004) en het interview met Denslagen in Binnenstad 206 (juli 2004).

(Uit: Binnenstad 208, november 2004)

[Wanneer is een pand een monument?]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.