Monument of beeldbepalend pand?

Rozengracht 218-220 in 1973 Rozengracht 218-220 tegenwoordig
De stelling in Binnenstad 206 onder de titel Wat moet op de monumentenlijst?, kwam voor persoonlijke rekening van de schrijver. Op die stelling is in het novembernummer uitgebreid gereageerd. Hieronder volgt een nadere beschouwing naar aanleiding van de commentaren in Binnenstad 208, die eveneens voor rekening van de ondertekenaar blijft.

Wanneer lezers worden uitgenodigd te reageren op een in dit blad geponeerde stelling mogen degenen die de moeite nemen daarop in te gaan serieuze aandacht voor hun reactie verwachten. Die hebben zij gekregen. Het nu volgende is de neerslag daarvan, waarbij overigens niet alle punten aan de orde kunnen komen. Omdat de stelling en deze reactie voor mijn rekening zijn gebruik ik hieronder de voor dit blad niet erg gebruikelijke ik-vorm.

Waarover gaat de discussie?

In mijn stelling spreek ik over met overwegend nieuwe materialen totaal herbouwde monumenten. In sommige reacties wordt aan die beperking wel heel gemakkelijk voorbij gegaan, zie b.v. het houtskelet van Eggenkamp en zijn passage over herstel na brand. Ik heb ook gesteld dat uiteraard geleidelijke vervanging van materiaal onvermijdelijk is en de monumentenstatus niet aantast. De opmerking over authenticiteits-fetisjisme is dus eveneens buiten de orde.
Verder heb ik nergens aan mijn voorstel terugwerkende kracht gegeven. Wat Eggenkamp vreest op dat punt lijkt mij in strijd met de regels van behoorlijk bestuur en ik zou dit deel nu dan ook buiten discussie willen laten. De problematiek waarmee Stadsherstel worstelt is bekend en die is niet gering. De bij de rijksoverheid levende beleidsideeën voorspellen weinig goeds. Wat de huurberekening betreft kon de situatie wel eens gunstiger worden, maar de voornemens t.a.v. restauratiesubsidie lijken rampzalig.
In de discussie over de consequenties daarvan zullen we, graag of niet, prioriteiten moeten stellen ook binnen het veld waarin wij actief zijn. Al is het maar omdat we moeten werken binnen de randvoorwaarden die door de overheid worden gesteld en die alleen maar ongunstiger dreigen te worden. Dat betekent dat we ons goed moeten afvragen wat we nu eigenlijk willen beschermen, waarvoor we de te beperkte middelen willen inzetten.

Een positiebepaling

Voordat ik verder probeer in te gaan op de verschillende elementen die in de reacties op mijn eerdere stelling aan de orde zijn gekomen formuleer ik een soort geloofsbelijdenis, zodat de lezer weet waar ik sta en ik niet van allerlei oneerbare bedoelingen verdacht kan worden.

  • Ik ben niet tegen reconstructies of tegen historiserend bouwen.
  • Ik vind dat het pluriforme historische stadsbeeld in stand moet blijven.
  • Ik geloof in een levende en zich steeds aanpassende stad.
  • Ik ben, tegen de achtergrond van de twee voorgaande uitspraken, ook niet tegen iedere vorm van moderne nieuwbouw in de binnenstad, maar stel er wel de nodige eisen aan.
  • Ik ben een voorstander van “behoud en herstel”, mits iets het behouden waard is.
  • Ik ben in een concrete situatie tegenstander van behoud van het bestaande als het enige motief angst voor het nieuwe is. Het nieuwe mag van mij, enigszins afhankelijk van de situatie, overigens ook een historiserend bouwplan zijn.
Uit deze stellingen blijkt dat ik binnen onze vereniging tot de rekkelijken behoor. Desondanks meen ik dat ik met mijn standpunt volstrekt binnen de doelstellingen van de vereniging blijf. Van wie het daar niet mee eens is hoor ik graag een reactie. Nog liever zou het mij zijn wanneer we daar met een aantal geïnteresseerden wat uitgebreider op door kunnen praten.

Wat willen we beschermen?

Het onderscheid tussen wat in alle opzichten monumentale waarde heeft en wat in de eerste plaats een beeldbepalende functie heeft in de openbare ruimte kan daarbij van belang zijn. Ik ga er van uit dat voor beide categorieën ondersteuning door subsidiëring op zijn plaats is. Maar ligt het, wanneer uitsluitend sprake is van beeldbepalende waarde, niet voor de hand de subsidiëring te beperken tot die onderdelen die aan het (externe) beeld bijdragen? De beantwoording van die vraag maakt een diepgaande analyse noodzakelijk, waarbij ook alle aspecten die Eggenkamp noemt aan de orde moeten komen. Daarvoor ontbreekt mij de tijd en de deskundigheid.
Voor de huidige monumenten, waarvan overigens de waarde in belangrijke mate alleen wat betreft de externe verschijningsvorm is geïnventariseerd en beschreven, zou het bovenstaande wellicht een beperking van de subsidiemogelijkheden opleveren. Maar bij subsidietoekenning wordt ook nu al (te?) nauwgezet bekeken welke onderdelen eventueel subsidiabel zijn. Daar staat tegenover dat er vele panden zijn die geen monumentenstatus hebben maar wel een beeldbepalende waarde. Voorzover voor het handhaven daarvan bovenproportionele kosten gemaakt moeten worden zou ook daarvoor naar mijn mening subsidie zeker niet onredelijk zijn. Hoe vind je daarvoor de ruimte?

Orde-2 of beeldbepalend pand?

De term beeldbepalend pand is voor bijna iedereen te begrijpen en wat een orde 2-pand is moet je steeds opnieuw uitleggen. Het loslaten van de eerste term is daarom ongelukkig geweest, maar niets belet de gemeente/het stadsdeel hem weer in te voeren. Wat dat betreft ben ik het dus niet met Van Niekerk eens. Volledig reconstruerende herbouw en historiserende nieuwbouw horen volgens Frankfurther niet op de monumentenlijst thuis. Ik ben het daar mee eens, maar ik zou ze in principe wel een beeldbepalende status willen geven. Wat betreft de historiserende nieuwbouw houd ik daarbij wel een slag om de arm want die is niet altijd van voldoende kwaliteit om die status te verdienen.
Het probleem is dat volgens de Amsterdamse methodiek niets van wat na 1940 is gebouwd de orde 2-status of beeldbepalende status kan krijgen i.v.m. het ontbreken van de nodige distantie. Dat is gebaseerd op de stelling dat je bouwwerken die jonger zijn dan 50 jaar nog niet goed kunt beoordelen. We praten inmiddels niet meer over 50 jaar maar over 65 jaar na dato, dus er lijkt wel reden voor enige herbezinning. Bovendien wint de overtuiging veld dat die 50 jaar een nogal arbitraire grens is, zelfs voor de monumentenstatus. Tegen het geven van een beeldbepalende status aan een bouwplan van na 1940 lijken dan ook geen serieuze bezwaren te bestaan. Voor het toekennen van die status pleit ook de in de binnenstad toegepaste methodiek van hoogteregeling in bestemmingsplannen. Die is gekoppeld aan de orde-indeling. Alles wat niet is ingedeeld in orde 1 of 2 heeft daarin geen specifieke hoogteregeling. Het welstandstoezicht kan de mogelijkheden van het bestemmingsplan niet inperken, en biedt dus, anders dan Frankfurther meent, op dit punt onvoldoende bescherming.

Bescherming en financiële steun

Wil het toekennen van de status beeldbepalend pand zin hebben dan moet daaraan een beschermende werking zijn gekoppeld. Anders dan Wiemers stelt is die wel degelijk mogelijk, zie de regeling voor orde 2-panden. Anderzijds moet ik toegeven dat een beschermende status zonder financiële tegemoetkoming geen sterke propositie is. Ik zoek dan ook ruimte om die tegemoetkoming te kunnen geven. Daarvoor zal wat moeten worden ingeleverd. De mogelijkheid daartoe zie ik alleen maar in een beperking van de steun aan totale reconstructies voorzover die niet plaatsvinden in of grenzend aan de openbare ruimte. Dus wel de gevels subsidiëren maar niet het interieur, als dat helemaal uit nieuw materiaal wordt gevormd. Dat is geen benauwd materialistische benadering maar een keuze in een situatie met veel te beperkte mogelijkheden. Voor mij ligt de prioriteit in dat geval bij het beschermen van de bouwdelen die de openbare ruimte begrenzen. Ik vermoed dat ook Brinkgreve in zo’n klemsituatie dezelfde keuze zal maken. Als het voorstel van Brinkgreve over nieuwe subsidiebronnen wordt overgenomen ontstaat er meer ruimte. Tot de eerste categorie die daarvan zou moeten profiteren behoren vanzelfsprekend instellingen als Stadsherstel, want hun bijdrage aan het stadsbeeld is buitengewoon groot.

Tenslotte

Met het bovenstaande doe ik degenen die de moeite hebben genomen te reageren ongetwijfeld onvoldoende recht. Bovendien zijn allerlei zaken niet ver genoeg uitgewerkt om tot een duidelijke conclusie te leiden. Een verdere discussie is daarom wenselijk, maar misschien is dit blad daarvoor niet het meest handige medium. De website van onze vereniging biedt verdere mogelijkheden maar heeft ook zijn beperkingen. Toch maar een gespreksgroep?

Herman Pinkse

(Uit: Binnenstad 209, januari 2005)

Meer lezen:
[Wanneer is een pand een monument?]
[Wat moet op de monumentenlijst?]

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.