Theo Rouwhorst: het ervaren oog van monumentenzorg

Uitreiking van de Stadsbeeldprijs voor Theo Rouwhorst
v.l.n.r.: mevrouw Rouwhorst, dr. Henk Zantkuijl, de prijswinnaar, mevr. Beynes-Heijmeijer van Heemstede, voorzitter van de stichting die de prijs verleent.
In november werd de Stadsbeeldprijs 2004 uitgereikt aan Theo Rouwhorst van het bureau Monumenten en Archeologie. Hij kreeg de onderscheiding voor zijn deskundige inzet bij het bureau en voor zijn succesvolle pogingen om gebeeldhouwde gevelbekroningen te herplaatsen. De prijs is in 1996 ingesteld door de Stichting Heijmeijer van Heemstede. De prijs voor Rouwhorst bestond uit vijfduizend euro en een portretpenning met beeldenaar van H.J. Zantkuijl die van 1953 tot 1990 bij het Bureau Monumentenzorg werkte, de laatste jaren als hoofd.

“Voor zijn ervaren oog liggen de geheimen open”, zei Zantkuijl bij de uitreiking van de prijs aan Theo Rouwhorst. Het is de vertaling van de Latijnse spreuk op de penning, die hij bij die gelegenheid aan hem overhandigde. Rouwhorst geeft toe dat hij goed kan kijken. “Dat heb ik van mijn vader geleerd. Die tekende de prenten van Wenckebach na, een heel precies werkje, waarbij je heel goed je ogen moet gebruiken, waarbij je niets mag ontgaan. Dat heb ik van hem.”

Van tekenaar tot architect

De uitreiking vond plaats in de zaal van het Huis met de Hoofden.

Kijken, oog hebben voor detail, daar komt het bij de monumentenzorg op aan. Maar dat soort kunstenaars wordt schaars. Rouwhorst: “Ik begon bij Monumentenzorg op de tekenkamer. Nu hebben we geen tekenkamer meer. De tekenaars zitten bij architectenbureaus. Maar daar leren ze niets over de detailleringen die je bij ons werk nodig hebt. Pas als je leert schetsen, leer je kijken. Er komen nu architectuurhistorici stage bij ons lopen, ook die leren de detaillering van bijvoorbeeld de Amsterdamse gevels niet.”
Dat voor zijn oog de geheimen openliggen, bleek al snel toen hij in 1966, afgestudeerd aan de HTS, op de tekenkamer van Bureau Monumentenzorg kwam. Rouwhorst kon niet alleen goed kijken, maar hij was ook gek van de Amsterdamse binnenstad. Het kwam hem goed van pas in zijn carrière.
Aan de periode tekenkamer heeft hij dierbare herinneringen. Hij moest talloze slooppanden, die gerestaureerd zouden worden, optekenen. Hij deed dat met dezelfde precisie als zijn vader met het natekenen van Wenckebach.
Zijn manier van kijken kwam opnieuw goed van pas toen hij en zijn collega’s de gevels van de Jordaan tekenden. De periode daarvoor maakte hij zelf de tekeningen van een gevelwand op Kattenburg. De panden daar zouden worden gesloopt en op het Kattenburgerplein worden herplaatst. “Die herbouw gaf heel wat deining, ook bij ons. “Falsificatie”, werd er geroepen. Wij hadden het gevoel dat we iets voor het stadsbeeld deden. Nu zou dat niet meer kunnen. Je mag geen geschiedvervalsing meer plegen. Achteraf ben ik toch blij met die gevelwand. De historici vonden en vinden het vreselijk, en ze krijgen de overhand. Ik vind dat ze soms te dogmatisch zijn. Toen ik bij Monumentenzorg kwam was het gebruikelijk om onderpuien die er niet meer waren, te reconstrueren. Ja, het had er vroeger anders uitgezien. Is dat erg? Amsterdam is een levende stad, daar is steeds aan verbouwd en dat hoeft niet erg te zijn. Er zijn natuurlijk grenzen. Een negentiende eeuws pand bekronen met een oude topgevel, nee dat kan niet. Je moet ook niet gaan reconstrueren als je onvoldoende gegevens hebt over hoe het pand er uit heeft gezien. Reconstructie is de uiterste vorm van restaureren, en je moet er eerlijk mee zijn.”
Rouwhorst ging in de avonduren aan de Academie voor Bouwkunst studeren. Hij werd architect. Een eigen bureau, daar had hij geen zin in. Monumentenzorg boeide hem te veel. Bij het Bureau Monumentenzorg werd hij architect. Hij adviseerde over restauratieplannen, begeleidde de werkzaamheden. Zo’n vierduizend panden zijn ‘door zijn handen gegaan’. Met honderden eigenaren heeft hij, soms moeizame, gesprekken gevoerd.

Geveltoppen

Prins Hendrikkade 38. De top wordt herplaatst aan waterzijde Damrak, achtergevel van Warmoesstraat 18.

Rouwhorst kreeg ook een reputatie door zijn acties om oude geveltoppen die op de werven van Monumentenzorg lagen te verweren te herplaatsen. Soms wordt over dat herplaatsen door architecten en bouwhistorici het hoofd geschud. ‘Geschiedvervalsing’ is dan opnieuw het woord dat wordt gebruikt. “Mooi is blijkbaar niet goed”, zegt Rouwhorst onderkoeld. “De schoonheid van het gevelwerk is kunst en de stad is de beste bewaarplaats voor die kunststukken”. En wat die geschiedvervalsing betreft: “We zetten er nu het jaartal van herplaatsing bij en we houden in ons archief nauwkeurig bij waar een oude gevel is herplaatst, wat de geschiedenis ervan is, en wanneer die een nieuwe bestemming kreeg”.
In Rouwhorsts begintijd lagen de geveltoppen op de werven van Monumentenzorg. Er werd in die tijd druk gesloopt en brokstenen van de prachtigste geveltoppen kwamen op grote hopen terecht. De tekenkamer van Bureau Monumentenzorg begon in 1972 met het uitzoeken van deze fragmenten. Elke top werd uitgelegd, opgemeten, gefotografeerd en genummerd. Daarna werden de grote stukken op pallets geplaatst. Rouwhorst: “We hebben zo’n honderd foto’s gemaakt. Ik vond die geveltoppen prachtig, kunstwerken. En er werd zo liefdeloos mee omgegaan. Als een pand werd gesloopt, dan werden die toppen vanaf de top in een grote wagen met zand gesmeten. Iedereen vond het een schande dat die prachtige stukken op de werven lagen. Jarenlang hebben we aangemodderd. Er was geen geld voor herplaatsing. Dat werd langzaam beter en nu hebben we er tachtig herplaatst. Twee per jaar. Er zijn er nog twintig over, die liggen in Hoofddorp. Voor die laatste moet het ook mogelijk zijn een plek te vinden. We zijn bezig met het plaatsen van een topgevel aan de waterkant van de Warmoesstraat. Het is een top die van Prins Hendrikkade 38 komt. Acht jaar zijn we met die top bezig geweest. We hebben eerst geprobeerd hem op de Zeedijk te krijgen, dat lukte niet. Je kan ook niet overal zo’n geveltop herplaatsen. Hij moet wel passen in de architectuur van zo’n pand. Bovendien moeten de eigenaren het willen. Er is ook geld mee gemoeid. Het plaatsen kan duur zijn, je hangt zo’n zware top niet zomaar op. Soms moet de gevel worden aangepast. Voor dertigduizend euro heb je een versgehakte nieuwe geveltop. Voor een echte oude geveltop ben je een tiende van die prijs kwijt, maar dan ben je er natuurlijk nog niet. Zo’n kunstwerk moet ook nog op zijn nieuwe plaats worden gezet en dat is vaak niet eenvoudig.”
“Nieuwe oude geveltoppen komen er niet meer bij. Gelukkig is de tijd veranderd. Er worden geen historische panden meer gesloopt. De laatste sloop was in 1989 aan de Prins Hendrikkade. Eigenaren zijn ook zuiniger met hun toppen.”
Twintig toppen resten nog. Rouwhorst is er van overtuigd dat die hun plek zullen vinden. “Natuurlijk niet in Geuzenveld of op het Java-eiland, ook niet ergens in het Gooi. Als mensen daar een replica willen, nou ze gaan hun gang maar, maar die echte schitterende historische toppen komen er niet. Wij bekijken heel zorgvuldig waar ze wel mogen komen.”

Van Houtenpanden

Pratend over geveltoppen valt uiteraard de naam Van Houten. De man die in de jaren dertig van de vorige eeuw geveltoppen van panden die op instorten stonden herplaatste, soms op panden van de Amsterdamse School. Twee à driehonderd panden heeft hij op die manier versierd. Een groot deel staat op de Monumentenlijst. Horen ze daarop? Rouwhorst:
“Natuurlijk moeten ze niet van die lijst af. Ze zijn juist beschermd vanwege die topgevels. Je kan ze desnoods in een andere categorie onderbrengen. Je zou er aan kunnen denken dat je de eigenaren toestemming geeft van binnen iets meer te doen, wat normaal bij monumenten niet wordt toegestaan. Ze van de lijst afhalen, nee, dat zou niet goed zijn.”

Restaureren, reconstrueren. Hoe ver mag je gaan? Rouwhorst: “Zelfs de restauraties van voor de Tweede Wereldoorlog zijn echt. Het zijn vaak reconstructies, maar dat is ook geschiedenis. In dat soort panden is veel materiaal uit de jaren dertig gebruikt. Dat betekent natuurlijk niet dat je bij restauraties alle verbouwingen die door linkshandige timmerlieden zijn uitgevoerd, in tact moet laten. Ik weet het: daar is discussie over.

Grote projecten

Rouwhorst begeleidt nu grote projecten. Het Centraal Station, het Rijksmuseum, Tuschinski om er maar een paar te noemen. De klus bij Carré is achter de rug. Rouwhorst: “Soms moet je concessies doen. Bij Carré hadden we de historische spanten graag in het zicht gehouden, maar dat lukte niet bij de pistebespeling. Nu zijn er atelierramen en een foyer gekomen. Ondanks dat ben ik heel tevreden over hoe er met Carré is omgegaan.
Hij houdt zich nu bezig met het Centraal Station dat voor de Noord-Zuidlijn op de schop gaat. Geen eenvoudig werk. Rouwhorst: “Vroeger praatte je met één architect, nu heb je met een man of twintig te maken. Ieder gaat over een ander onderdeel.”
Voor het begeleiden van zo’n klus is veel kennis nodig. Je moet weten welk onderdeel waardevol is. Het bureau Monumenten en Archeologie heeft een rapport laten opstellen waarin alle waardevolle elementen van het station worden beschreven. Maar dat betekent nog niet dat iedereen die bij de verbouwing betrokken is dat rapport kent. Rouwhorst zorgt dan dat daar verandering in komt.
Hij geeft samen met collega’s en oud-directeur Zantkuijl onderricht aan de inspecteurs van Bouwtoezicht van de centrale stad en de stadsdelen. Ze hebben het werk dat eerst door de inspecteurs van Monumentenzorg werd gedaan overgenomen. “Er is grote belangstelling voor”, zegt Rouwhorst terwijl hij de cursusboeken laat zien. “Natuurlijk, het is een ander vak voor die mensen, maar je ziet dat ze enthousiast worden”.

Restauratiecursus

Ook geeft Rouwhorst college aan het Nationaal Restauratie Centrum. Een beetje cynisch zegt hij dat je dat soort cursussen vroeger binnen het Bureau Monumentenzorg kon doen. “Het is vreselijk jammer dat we zelf zo weinig nieuwe mensen opleiden. Amsterdam heeft zo veel behoefte aan mensen met de kennis die je bij de monumentenzorg nodig hebt. Ik had diverse leermeesters: Herman Janse, Zantkuijl. Ik denk dat je om het hiaat dat is gevallen op te vullen het Nationaal Restauratie Centrum moet uitbouwen.”
Rouwhorst (60) is nog jong genoeg om zich kwaad te maken. Kwaad over wat er bijvoorbeeld met het Catshuis is gebeurd. “Het gebouw was met zo veel liefde opgeknapt en het is nu modern gemaakt. Dat aanpassingen nodig waren, snap ik, maar je kunt ook te ver gaan. Als je binnenkomt denk je meteen met schrik: dat is nou de smaak van de overheid.”
Rouwhorst is tevreden over wat er de laatste jaren in Amsterdam bij de monumentenzorg is gebeurd. Hij ziet nu donkere wolken uit de richting Den Haag opkomen en ook boven het Amsterdamse stadhuis betrekt de lucht. Ik kan me niet voorstellen dat er geen geld is. Je moet je stad kunnen blijven onderhouden. Je mag haar niet verwaarlozen. Toen ik hier kwam werden panden die er slecht bijstonden alleen gestut. Er was geen geld voor herstel. Er kwam een kentering ten goede, maar nu gebeurt het omgekeerde. Daar kan ik me ook kwaad over maken.”

Frans Heddema

(Uit: Binnenstad 209, januari 2005)

[Afscheidwoord Theo Rouwhorst] (27 april 2005)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.